Uitspraak 202305594/2/R1


Volledige tekst

202305594/2/R1.
Datum uitspraak: 6 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

Stichting Behoud Waterland, Stichting Nekkerzoom en Stichting Beemstergroen, gevestigd te Broek in Waterland, gemeente Waterland, en Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend (hierna: de stichtingen),
verzoeksters,

en

de raad van de gemeente Purmerend,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - reparatie partiële herziening 2021" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de stichtingen beroep ingesteld.

De stichtingen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 16 november 2023, waar de stichtingen, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en de raad, vertegenwoordigd door T.J.W. Bult en M.C. Deinum, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.       Bij besluit van 29 juni 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - reparatie partiële herziening 2021" (hierna: reparatieplan) vastgesteld. De aanleiding voor het reparatieplan is de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:838. Deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van een aantal beroepen, waaronder het beroep van de stichtingen, die tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - partiële herziening 2021" (hierna: partiële herziening) waren ingesteld. In die uitspraak heeft de Afdeling de partiële herziening vernietigd voor zover een duidelijke planregeling ontbreekt over de bescherming van de kernkwaliteiten van het Beemster erf. De Afdeling heeft de raad opgedragen om een eenduidige planregeling, gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van werelderfgoed Droogmakerij de Beemster en die uitsluitend voorziet in nieuwe activiteiten die deze kernkwaliteiten niet aantasten, vast te stellen.

Volgens de raad is met het reparatieplan in de toelichting de borging van de regels voor het Beemster erf inzichtelijk gemaakt en voldoet het reparatieplan aan de opdracht die de Afdeling heeft gegeven in de uitspraak van 1 maart 2023. De stichtingen vinden dat de kernkwaliteiten van werelderfgoed Droogmakerij de Beemster in het reparatieplan nog steeds niet goed zijn geborgd en dat het reparatieplan daarom niet voldoet aan de opdracht die de Afdeling heeft gegeven.

Verzoek om voorlopige voorziening

3.       De stichtingen verzoeken de voorzieningenrechter het besluit van de raad van 29 juni 2023 tot vaststelling van het reparatieplan te schorsen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het door hen ingestelde beroep.

Spoedeisend belang

4.       Gelet op de omvang van het plangebied en het grote aantal percelen in het plangebied bestaat er een reële kans dat er op korte termijn aanvragen voor omgevingsvergunningen worden ingediend of al zijn ingediend, waar dan op korte termijn besluiten op moeten worden genomen. Dit kan leiden tot onomkeerbare gevolgen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

Beroepsgronden

5.       De stichtingen hebben in beroep onder meer de hierna te bespreken gronden aangevoerd. In de kern gaat het hun om de vraag of het reparatieplan zorgvuldig is vastgesteld en of het reparatieplan voldoet aan artikel 6.49 van de Omgevingsverordening NH2020 en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. En of het reparatieplan voldoet aan de opdracht van de Afdeling, dus of deze planregeling wel eenduidig is, gericht op instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten en uitsluitend voorziet in nieuwe activiteiten die deze kernkwaliteiten niet aantasten. De stichtingen betogen dat de kernkwaliteiten voor het Beemster erf niet in de planregels zijn geborgd, ook niet in samenhang met de verbeelding. Ze stellen onder meer dat in de bouwregels staat dat de woning vooraan binnen het bouwvlak moet staan. Daarmee wordt volgens de stichtingen niet voldaan aan de eis van de kernkwaliteit dat de woning vooraan én midden op de kavel hoort te staan. Verder staat bijvoorbeeld ook niet in de planregels dat bedrijfsgebouwen en bijgebouwen achter de woning moeten worden opgericht, zoals de kernkwaliteiten volgens de stichtingen vereisen.

5.1.    De Afdeling heeft in overweging 20.1 van de uitspraak van 1 maart 2023 overwogen dat de stichtingen erop hebben gewezen dat niet alle kernkwaliteiten van het Beemster erf als zodanig te herkennen zijn in de bouw- en gebruiksregels. De raad heeft dit niet weersproken. Hierdoor is temeer onduidelijk hoe de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten van het Beemster erf, zoals vervat in het ruimtelijk kwaliteitskader "Beemster erven is WereldERFgoed - Ruimtelijk kwaliteitskader voor het Beemster erf" (hierna: ruimtelijk kwaliteitskader), is gewaarborgd in het plan en op welke wijze is geregeld dat nieuwe activiteiten deze kernkwaliteiten niet zullen aantasten, zoals artikel 6.49 van de Omgevingsverordening voorschrijft, zo oordeelde de Afdeling.

5.2.    In de toelichting op het reparatieplan staat in paragraaf 2.2 (Kernkwaliteiten Beemster Erf) dat volgens de raad een gewijzigde planregeling niet nodig is. In het bestemmingsplan worden de kernkwaliteiten van het Beemster erf namelijk al voldoende beschermd. Om deze kernkwaliteiten te beschermen, is lokaal ruimtelijk beleid opgesteld met daarin een doorvertaling van de kernkwaliteiten. Deze doorvertaling heeft in het zogenoemde Des Beemstersbeleid in 2012 plaatsgevonden door vaststelling van de Structuurvisie Beemstermaat, de Beemster Omgevingsnota en het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012" die zijn overgenomen in de partiële herziening. In de toelichting op het reparatieplan is vervolgens uiteengezet hoe de kwaliteiten van het Beemster erf worden gewaarborgd. Er is toegelicht hoe de erfinrichtingsprincipes uit het ruimtelijk kwaliteitskader in het bestemmingsplan hun vertaling hebben gekregen ten behoeve van het behoud van de kernkwaliteiten van het Beemster erf. De erfinrichtingsprincipes zijn, voor zover mogelijk, vertaald in regels binnen het plan of op de verbeelding aangeduid. De principes die niet vertaald kunnen worden, zijn onderdeel van beleid in de Structuurvisie Beemstermaat en de Nota omgevingskwaliteit Purmerend. Structuurvisie, nota en bestemmingsplan vormen zo een drie-eenheid mede ook tot behoud van de kernkwaliteiten van het Beemster erf, zo stelt de raad.

5.3.    De voorzieningenrechter stelt vast dat de figuren met kernkwaliteiten die op pagina 22 van het ruimtelijk kwaliteitskader zijn weergegeven door de raad zijn overgenomen in de toelichting op het reparatieplan. Op pagina 23 van het ruimtelijk kwaliteitskader zijn deze kernkwaliteiten nader toegelicht. De stichtingen betogen terecht dat deze kernkwaliteiten niet goed in de planregels zijn geborgd. Zo staat er in het ruimtelijk kwaliteitskader dat karakteristiek is dat de stolp of woning in een vooruitgeschoven positie voor op, en historisch gezien midden op, de kavel staat. Maar in artikel 2.2.2, onder b, onder 1, van de planregels staat dat de bedrijfswoning uitsluitend vooraan binnen het bouwvlak mag worden gebouwd. De raad stelt dat op de verbeelding de bestaande bebouwingssituatie bepalend is geweest voor hoe het bouwvlak is opgebouwd. Het in de regels vastleggen dat de woning ook in het midden moet staan, zou volgens de raad niet juist zijn, omdat in veel gevallen de bestaande woning niet in het midden staat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit geen reden is om ook in andere gevallen van het ruimtelijk kwaliteitskader af te wijken.

Ook staat er in het ruimtelijk kwaliteitskader dat kleine bijgebouwen direct achter de achtergevel van de woning ruimtelijk in balans zijn met de woning, maar ook hierover stellen de stichtingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat dit onvoldoende is geborgd in de planregels. Dat deze principes in de toelichting zijn omschreven is onvoldoende om de kernkwaliteiten van het Beemster erf te waarborgen. De raad heeft hierover toegelicht dat in vele afwijkingsbepalingen is opgenomen dat sprake is van een goede landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing en dat de kernkwaliteiten daarbij het "ideaalbeeld" vormen. De karakteristiek van het Beemster erf is volgens de raad dus het zogenoemde ideaalplaatje. Bij ontwikkelingen die niet in het bestemmingsplan passen wordt deze karakteristiek als uitgangspunt genomen op grond van het Des Beemstersbeleid. Deze is dan richtinggevend, zo stelt de raad.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit te vrijblijvend, omdat deze inpassing dan geen weigeringsgrond kan vormen bij toetsing van een bouwplan aan het bestemmingsplan als het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Op het punt dat de raad stelt dat de kernkwaliteiten zijn opgenomen in de welstandsnota, leidt dat niet tot een ander oordeel. Dit omdat de welstandstoets volgens vaste rechtspraak van de Afdeling niet mag leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1099, onder 4.2.

Conclusie

6.       De conclusie van de voorzieningenrechter is dat de raad in het reparatieplan niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten van het Beemster erf, zoals genoemd in het ruimtelijk kwaliteitskader, is gewaarborgd in het reparatieplan en op welke wijze is geregeld dat nieuwe activiteiten deze kernkwaliteiten niet zullen aantasten. De stichtingen betogen op dit punt terecht dat het plan niet in overeenstemming is met artikel 6.49 van de Omgevingsverordening.

7.       Gelet op het voorgaande bestaat twijfel of het reparatieplan in de bodemprocedure stand zal houden. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de zitting in de bodemprocedure over het bestemmingsplan naar verwachting niet op korte termijn zal plaatshebben, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen. In de beslissing staat welke voorziening wordt getroffen.

8.       De raad moet de proceskosten van de stichtingen vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Purmerend van 29 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - reparatie partiële herziening 2021";

II.       veroordeelt de raad van de gemeente Purmerend tot vergoeding van bij Stichting Behoud Waterland, Stichting Nekkerzoom en Stichting Beemstergroen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 39,59, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.      gelast dat de raad van de gemeente Purmerend aan Stichting Behoud Waterland, Stichting Nekkerzoom en Stichting Beemstergroen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Janse, griffier.

w.g. Verburg
voorzieningenrechter

w.g. Janse
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2023

855