Uitspraak 202307231/2/V2


Volledige tekst

202307231/2/V2.
Datum uitspraak: 27 november 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 november 2023 in zaak nr. NL23.24091 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 17 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) hem heeft medegedeeld dat voor hem een vlucht is geboekt naar Entebbe, Uganda, op 28 november 2023.

2.       In de brief van de IOM van 21 november 2023 is de vreemdeling onder meer medegedeeld dat hij een uur voor vertrek op Schiphol zal worden opgehaald door een medewerker van de IOM, dat hij bij zijn vertrek een financiële bijdrage zal krijgen en indien van toepassing, de vreemdeling bij vertrek een verklaring ondertekent waarmee hij zijn lopende verblijfsrechtelijke procedures intrekt. Hieruit leidt de Afdeling af dat het op 28 november 2023 gaat om een door de IOM gefaciliteerd vertrek naar het land van herkomst waaraan de vreemdeling zijn medewerking verleent en niet om een uitzetting in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. Er is daarom geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 15 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:3617.

3.       De Afdeling wijst het verzoek, voor zover dit erop is gericht te bewerkstelligen dat de voorgenomen terugkeer naar het land van herkomst met ondersteuning van de IOM op 28 november 2023 achterwege blijft, af. Nadat de Afdeling de overige voor het hoger beroep noodzakelijke stukken heeft ontvangen, zal de voorzieningenrechter op het resterende deel van het verzoek beslissen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.

w.g. Sevenster
voorzieningenrechter

w.g. Iedema
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2023

915