Uitspraak 202307024/1/V3


Volledige tekst

202307024/1/V3.
Datum uitspraak: 27 november 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 14 november 2023 in zaak nr. NL23.34427 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 14 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling is op 27 oktober 2023 in bewaring gesteld krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat er een foutmelding verschijnt bij de verificatie van de elektronische handtekening op deze maatregel. Ook heeft zij vastgesteld dat de staatssecretaris er met het door hem overgelegde stuk niet in is geslaagd alsnog aannemelijk te maken dat de maatregel wel degelijk rechtsgeldig is ondertekend.

2.       In zijn eerste grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank vervolgens ten onrechte een belangenafweging heeft gemaakt. Voor zo’n belangenafweging is in dit geval namelijk geen plaats, omdat het ontbreken van een rechtsgeldige handtekening de rechtmatigheid van de maatregel direct aantast. De Afdeling wijst in dit kader op haar uitspraken van 17 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3825, onder 1, en 2 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4066, onder 4.
De grief slaagt.

3.       Omdat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, van 14 november 2023 in zaak nr. NL23.34427;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.630,00, over de

periode van 27 oktober 2023 tot en met 21 november 2023, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.511,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Steendijk
voorzitter

w.g. Vos
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2023

644-1073