Uitspraak 202204825/1/R3


Volledige tekst

202204825/1/R3.
Datum uitspraak: 18 oktober 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2022 in zaak nr. 20/7340 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een scootmobielberging voor en ten behoeve van de woning [locatie A] voor een periode van 10 jaar.

Bij besluit van 8 oktober 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 21 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 6 september 2023, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Veldman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een scootmobielberging (hierna ook: de berging) ten noorden van het appartementencomplex Willem Dreespark 201/305 te Den Haag. [appellant] woont op ongeveer 70 m van de locatie van de berging, op het adres [locatie B] te Den Haag. [appellant] heeft bezwaar tegen de plaatsing van de berging, met name omdat er in de omgeving al meer scootmobielbergingen geplaatst zijn die inmiddels in ongebruik zijn geraakt omdat een bewoner is verhuisd of overleden.

De aangevallen uitspraak

2.       In de uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de weigeringsgronden van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) zich niet voordoen. Daardoor kon het college niet weigeren om de omgevingsvergunning te verlenen. Ook komt de rechtbank tot de conclusie dat de hoorplicht uit artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet is geschonden nu vaststaat dat bij de behandeling van het bezwaarschrift een hoorzitting heeft plaatsgevonden en [appellant] daarvoor is uitgenodigd.

De hoger beroepsgronden

Hoorzitting

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord op de hoorzitting van 18 september 2020. Daartoe voert [appellant] aan dat hij meerdere keren geen toegang heeft gekregen tot het gemeentehuis. Daar heeft hij de adviescommissie bezwaarschriften bij brief van 16 september 2020 van op de hoogte gebracht. Uit een telefoongesprek met de voorzitter van de adviescommissie bezwaarschriften is gebleken dat de brief pas na de hoorzitting aan hem is doorgeleid, aldus [appellant]. [appellant] stelt daarbij dat de voorzitter in dat telefoongesprek heeft aangegeven dat als de brief hem eerder onder ogen was gekomen, er maatregelen getroffen hadden kunnen worden om toegang van [appellant] tot de hoorzitting te garanderen. Dus doordat deze brief te laat bij de voorzitter van de adviescommissie bezwaarschriften is gekomen, heeft [appellant] de hoorzitting niet kunnen bijwonen.

3.1.    In artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is vastgelegd dat voor het nemen van een beslissing op het bezwaar een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord. De Afdeling stelt vast dat er op 18 september 2020 een hoorzitting heeft plaatsgevonden, waarvoor [appellant] wel is uitgenodigd maar niet is verschenen.

In een brief van 16 september 2020 heeft [appellant] aangegeven dat hij niet op de hoorzitting aanwezig zal zijn vanwege eerdere ervaringen op het gemeentehuis waarbij hem de toegang zou zijn geweigerd. In deze brief wordt door [appellant] geen opening geboden dat hij wel op de hoorzitting zou komen als maatregelen zouden worden genomen om zijn toegang te garanderen of als de hoorzitting zou worden verplaatst. De afsluitende zin in de brief van 16 september 2020 dat het de taak is van de voorzitter van de adviescommissie bezwaarschriften om dit bij de burgemeester aanhangig te maken zodat dit wordt aangepast, is niet als een verzoek om dergelijke maatregelen aan te merken.

Kortom, [appellant] is tijdig uitgenodigd om op de hoorzitting te verschijnen. Hij heeft vervolgens pas kort voor die hoorzitting een brief verzonden dat hij niet komt en uit die brief is niet op te maken dat hij met eventuele maatregelen wel bereid was te komen. Daardoor is niet gebleken dat [appellant] niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Dat de voorzitter van de adviescommissie bezwaarschriften na de hoorzitting aan heeft gegeven dat als hij deze brief eerder gezien had er mogelijk wel maatregelen getroffen hadden kunnen worden, doet daar niet aan af omdat [appellant] in het telefoongesprek zijn verzoek nader heeft toegelicht en de voorzitter daarop reageerde. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gezien voor het oordeel dat er schending is van de hoorplicht.

Het betoog slaagt niet.

Hoeveelheid scootmobielbergingen

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omgevingsvergunning niet geweigerd kon worden omdat er voldaan is aan de bepalingen van de Wabo. Daartoe voert hij aan dat er al een aantal bergingen staan die in het verleden zijn vergund, maar waarvan de eigenaar overleden of verhuisd is. In de voor deze bergingen verleende vergunningen staat dat als er geen noodzaak meer is om de berging in stand te houden, de berging verwijderd wordt. Daar wordt echter, ook na een verzoek om handhaving, geen gevolg aan gegeven. Daardoor is er sprake van misbruik van de vergunningen, waardoor het college een aanvraag af kan wijzen of nadere eisen kan stellen, aldus [appellant].

4.1.    De omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteit 'het bouwen van een bouwwerk' als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

Als het college een aanvraag voor de activiteit 'bouwen' ontvangt, moet deze het bouwplan toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Bij die toetsing geldt een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel. Dit betekent dat het college moet beoordelen of zich één of meer van de weigeringsgronden uit die bepaling voordoen. Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend.

Uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo volgt dat de omgevingsvergunning in de hier voorliggende situatie enkel geweigerd mag worden als er strijd is met de bouwverordening, het Bouwbesluit of het bestemmingsplan. In wat [appellant] aanvoert zijn geen gronden gelegen om aan te nemen dat één van die weigeringsgronden zich hier voordoet. Het college mocht de vergunning dus niet weigeren. Dat eerder verleende vergunningen voor andere bergingen niet worden nageleefd, is geen weigeringsgrond voor de aangevraagde omgevingsvergunning. Dat is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een kwestie van handhaving. Om die reden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning niet kon weigeren.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Lap
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2023

288-1080