Uitspraak 202205870/1/R4


Volledige tekst

202205870/1/R4.
Datum uitspraak: 18 oktober 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Terneuzen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West­-Brabant van 3 oktober 2022 in zaak nr. 21/1691 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2020 heeft het college het handhavingsverzoek van [appellant] met betrekking tot de inrichting van Aldi Roosendaal B.V. (hierna: Aldi) aan de Kokkeldreef 10 te Terneuzen afgewezen.

Bij besluit van 2 maart 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en Aldi hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 september 2023, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door C. Schaerlaeckens-van Koeveringe, zijn verschenen. Verder is Aldi, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat te Arnhem, als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Aan de Kokkeldreef 10 te Terneuzen is een supermarkt van Aldi gevestigd. Bovenop een gedeelte van de supermarkt zijn aanpandig woningen gerealiseerd, waaronder de woning van [appellant] aan de [locatie]. Bij brief van 2 februari 2020 heeft [appellant] het college verzocht om handhavend op te treden tegen Aldi, omdat hij geluidhinder ervaart van de supermarkt.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat specialistisch geluidsonderzoek uitgevoerd moet worden in de woning van [appellant]. Dit onderzoek zou plaatsvinden in de periode 24-31 augustus 2020. [appellant] heeft die afspraak op 20 augustus 2020 afgezegd. Op 24 augustus 2020 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en het college gelast om binnen twee weken een besluit te nemen op het handhavingsverzoek. Op 27 augustus 2020 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat het niet geconstateerd heeft dat sprake was van een overtreding.

Per brief van 27 januari 2021 heeft de voorzitter van de commissie bezwaarschriften [appellant] gevraagd of hij alsnog kon instemmen met een geluidsonderzoek in zijn woning. [appellant] heeft op 1 februari 2021 geweigerd zijn toestemming te geven en heeft daarbij gewezen op de onderzoeken die al beschikbaar waren.

2.       Het wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de memo "2019014 20191125 gemeten geluidbelasting [appellant] Terneuzen 02" van 25 november 2019, opgesteld door ing. S. Grob in opdracht van [appellant], niet heeft meegenomen in haar beoordeling. Op basis van deze memo had de rechtbank tot het oordeel moeten komen dat het college niet in redelijkheid zelf een geluidmeting mocht laten uitvoeren. Het college had [appellant] daarom niet om toestemming voor een geluidmeting mogen vragen als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Verder voert [appellant] aan dat hij vóór het besluit van 27 augustus 2020 bereid was om mee te werken. Volgens [appellant] waren de geluidswaarden uit tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit daardoor wel van toepassing.

3.1.    [appellant] heeft de memo van Grob voorafgaand aan het besluit van 2 maart 2021 aan het college overgelegd. [appellant] heeft in beroep acht geluidsonderzoeken en beoordelingen overgelegd en betoogd dat op grond daarvan geen nader geluidsonderzoek door het college noodzakelijk zou zijn. In beroep heeft [appellant] de memo van Grob niet overgelegd en ook niet genoemd. Op de zitting van de Afdeling heeft hij dit bevestigd. Dat het college de memo niet heeft ingezonden aan de rechtbank, maakt niet dat de rechtbank een fout heeft gemaakt. [appellant] heeft dat op de zitting van de Afdeling erkend. De rechtbank kon de memo niet in haar beoordeling betrekken. Het betoog slaagt in zoverre niet.

3.2.    In hoger beroep heeft [appellant] de memo overgelegd en daar een beroep op gedaan. De memo leidt niet tot de conclusie dat het college geen eigen onderzoek mocht uitvoeren of laten uitvoeren. Als het college het handhavingsverzoek van [appellant] toewijst, dan moet het een voor Aldi belastend besluit nemen. Het college moet daarvoor ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht de relevante feiten vaststellen en op grond daarvan bepalen of er een overtreding is. Een overtreding van geluidswaarden in een situatie als hier aan de orde is, vergt specialistisch onderzoek. Uitgangspunt daarvoor is dat het college zelf geluidmetingen uitvoert of laat uitvoeren. Omdat het onderzoek van Grob is uitgevoerd in opdracht van de verzoeker om handhaving, [appellant], en het gaat om een onbemand onderzoek, mocht het college in redelijkheid een eigen geluidonderzoek nodig achten. De rechtbank is dan ook terecht tot dat oordeel gekomen. Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

3.3.    Voor zover [appellant] betoogt dat hij wel toestemming heeft gegeven voor geluidmetingen, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals in 3.3 en 3.4 van de uitspraak van de rechtbank uiteen is gezet, is een afspraak voor geluidmetingen op 20 augustus 2020 afgezegd door [appellant]. Daarna heeft de voorzitter van de commissie bezwaarschriften aan [appellant] in de bezwaarfase gevraagd of hij alsnog bereid was om mee te werken aan geluidmetingen. [appellant] heeft dit geweigerd. Omdat de bereidheid ontbrak op het moment van het besluit van 2 maart 2021 en het college eigen geluidmetingen in redelijkheid nodig kon achten, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de geluidswaarden uit tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn gelet op artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college geen overtreding heeft kunnen vaststellen en het verzoek om handhaving terecht heeft afgewezen.

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bechinka
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2023

371-1069

BIJLAGE - Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 2.17

1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:

a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;

c. de in tabel 2.17a aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; […]