Uitspraak 202106793/2/R4


Volledige tekst

202106793/2/R4.
Datum uitspraak: 6 september 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:

[verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D], [verzoeker E] en [verzoeker F] (hierna: [verzoeker A] en anderen), wonend te Laren, gemeente Lochem.

Procesverloop

Bij uitspraak van 12 oktober 2022 in zaak nr. 202106793/1/R4, ECLI:NL:RVS:2022:2936, heeft de Afdeling het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de door [verzoeker A] en anderen in die zaak gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) heeft een schriftelijke reactie ingediend.

[verzoeker A] en anderen hebben een nadere reactie ingediend.

De vereniging Lochemse IJsclub en Schaatstrainingsgroep (hierna: de vereniging) heeft een nadere reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

Inleiding

1.       [verzoeker A] en anderen hebben de Afdeling ter zitting in zaak nr. 202106793/1/R4 verzocht om een schadevergoeding uit te spreken, omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), is overschreden.

2.       [verzoeker A] en anderen wonen vlakbij de ijsbaan van de vereniging. Omdat [verzoeker A] en anderen overlast ervaren door een lichtmast van de ijsbaan hebben [verzoeker A] en anderen het college van burgemeester en wethouders van Lochem verzocht om handhavend op te treden tegen de lichtoverlast. De procedure over de beoordeling door het college van dat verzoek om handhaving heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022.

Beoordeling van het verzoek

3.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep hoogstens twee jaar duren.

4.       [verzoeker A] en anderen hebben het college op 12 december 2016 verzocht om handhavend op te treden tegen de lichtoverlast. Bij besluit van 15 mei 2017 heeft het college dit handhavingsverzoek afgewezen. Bij besluit van 9 februari 2018 heeft het college het door [verzoeker A] en anderen tegen het besluit van 15 mei 2017 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 15 mei 2017 met aanpassing van de motivering in stand gelaten. Bij uitspraak van 18 juli 2018 heeft de rechtbank Gelderland het beroep van [verzoeker A] en anderen tegen het besluit van 9 februari 2018 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij besluit van 15 februari 2019 heeft het college, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2018, opnieuw een besluit genomen op het bezwaarschrift. Bij dat besluit heeft het college aan de vereniging een last onder dwangsom opgelegd. De vereniging heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Dat beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 17 september 2021 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft de vereniging hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 12 oktober 2022 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 17 september 2021 bevestigd. Daarmee is het besluit van 15 februari 2019 in rechte komen vast te staan. Omdat het besluit van 15 februari 2019 het sluitstuk vormt van de besluitvorming op het verzoek tot handhavend optreden van [verzoeker A] en anderen, moet bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden tevens te worden betrokken het gedeelte van de procedure dat is voorafgegaan aan dat besluit.

5.       De redelijke termijn is gestart vanaf het (pro-forma) indienen van bezwaar door [verzoeker A] en anderen op 22 mei 2017 tegen het besluit van 15 mei 2017. Het nieuwe besluit van 15 februari 2019 is, zoals hiervoor is overwogen, in rechte vast komen te staan met de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022. Met deze uitspraak is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal meer dan vijf jaar heeft geduurd. Geen aanleiding wordt gezien om voor de vaststelling van de redelijke termijn af te wijken van een termijn van vier jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn met 16 maanden is overschreden.

6.       Bij de toerekening van deze termijnoverschrijding en de daarvoor toe te kennen schadevergoeding heeft te gelden dat in een geval als dit, waarin een besluit na een eerdere vernietiging opnieuw, althans voor een gedeelte, aan de rechter wordt voorgelegd, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in één van de rechterlijke procedures sprake is van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie, dan in overweging 3 genoemd, dan komt de periode waarmee die behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat.

7.       De behandeling van het beroep tegen het besluit van 9 februari 2018 door de rechtbank heeft korter geduurd dan anderhalf jaar.

De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het besluit van 15 februari 2019 heeft langer geduurd dan anderhalf jaar, namelijk ongeveer 11 maanden langer. Deze overschrijding is aan de rechtbank toe te rekenen.

De behandeling van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 september 2021 heeft korter geduurd dan twee jaar.

Uit het voorgaande volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn deels voor rekening van de Staat en deels voor rekening van het college komt.

8.       Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zou de aan elk van [verzoeker A] en anderen toe te kennen schadevergoeding € 1.500,00 bedragen. De Afdeling ziet evenwel in de omstandigheid dat zij gezamenlijk als partij aan de procedure hebben deelgenomen, aanleiding dit bedrag te matigen in die zin dat elk van hen 25% van het aan de mate van overschrijding van de redelijke termijn gerelateerde schadevergoedingsbedrag krijgt toegekend. Dit betekent dat elk van hen een bedrag van € 375,00 krijgt toegekend, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 2.250,00 brengt. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. De Afdeling wijst in dit verband op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van Arvanitaki-Roboti en 90 anderen tegen Griekenland, van 15 februari 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0215JUD002727803. Daaruit volgt dat naar het oordeel van het Hof het feit dat een aantal klagers samen een procedure voert een dermate matigende invloed kan hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen.

Conclusie

9.       De Afdeling zal, gelet op het voorgaande, het college veroordelen tot een betaling van een bedrag van afgerond € 117,00 (5/16 deel) per persoon aan [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D], [verzoeker E] en [verzoeker F]. De Afdeling zal de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van afgerond € 258,00 (11/16 deel) per persoon aan [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D], [verzoeker E] en [verzoeker F].

10.     De Staat en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lochem om aan [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D], [verzoeker E] en [verzoeker F] te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 117,00 per persoon;

II.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D], [verzoeker E] en [verzoeker F] te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 258,00 per persoon.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kamphorst-Timmer
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2023

776-972