Uitspraak 202303514/1/R4


Volledige tekst

202303514/1/R4.
Datum uitspraak: 11 juli 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

BessTrade B.V., gevestigd te Lelystad,
verzoekster,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2023 heeft de staatssecretaris BessTrade gelast om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van overtreding van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm), in samenhang met artikel 2, onder 35, sub f, van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006, L 190; hierna: de EVOA).

Tegen dit besluit heeft BessTrade bezwaar gemaakt.

BessTrade heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

BessTrade heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 20 juni 2023 heeft de staatssecretaris het besluit van 1 juni 2023 ingetrokken.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juni 2023, waar BessTrade, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.E. Bergansius-Dunnik en mr. E. Huisman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       BessTrade is een bedrijf dat zich in hoofdzaak bezighoudt met het recyclen van PVC-materialen. De diverse door BessTrade vervaardigde eindproducten worden vervolgens, onder meer, verkocht en in containers overgebracht naar het buitenland.

2.       In april en mei 2022 zijn vijf containers van BessTrade gecontroleerd door de Belastingdienst/douane te Rotterdam. De inhoud van deze containers, die bestemd waren te worden overgebracht naar respectievelijk India, Algerije en Guatemala, is aangemerkt als afval als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (Pb 2008, L 312).

3.       Bij het besluit van 1 juni 2023 heeft de staatssecretaris gesteld dat deze beoogde overbrenging naar India, Algerije en Guatemala heeft plaatsgevonden in strijd met een uitvoerverbod. Volgens de staatssecretaris was, omdat de containers gevuld waren met afval, sprake van een illegale overbrenging als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub f, van de EVOA en is dit verboden op grond van artikel 10.60, tweede lid, van de Wm.

Het verzoek

4.       BessTrade is het er niet mee eens dat de door haar vervaardigde producten als afval worden aangemerkt. BessTrade heeft om een voorlopige voorziening gevraagd, omdat het niet kunnen overbrengen van haar producten grote financiële gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering en de continuïteit van haar bedrijf daardoor wordt bedreigd. BessTrade vreest dat haar producten in de toekomst wederom als afval zullen worden aangemerkt en dat toekomstige transporten daarom zullen worden tegengehouden.

BessTrade heeft de voorzieningenrechter gevraagd om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de door behandeling van PVC bij BessTrade vervaardigde producten een einde-afvalstatus wordt toegekend zodat BessTrade deze producten zonder belemmering kan overbrengen naar het buitenland.

Overwegingen

5.       Bij besluit van 20 juni 2023 heeft de staatssecretaris de bij besluit van 1 juni 2023 opgelegde last ingetrokken vanwege het tijdsverloop tussen de controles in 2022 en de periode daarna. De staatssecretaris is in datzelfde besluit niet ook ingegaan op de door BessTrade aangedragen punten van bezwaar over de aanmerking van de door haar vervaardigde producten als afvalstof. Op dat bezwaar moet de staatssecretaris dus nog beslissen. Ter zitting heeft de staatssecretaris verklaard deze bezwaren ten behoeve van toekomstige transporten inhoudelijk te zullen beoordelen.

6.       De vraag of sprake is van afval en daarmee mogelijk een overtreding waartegen handhavend zal worden opgetreden zal per container en containerlading opnieuw en individueel moeten worden beantwoord. Met de intrekking van het besluit van 20 juni 2023 geldt de opgelegde last echter niet meer. Daarom bestaat ook geen aanleiding meer om hangende de behandeling van het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot deze last. Het verzoek van BessTrade, dat er op neer komt dat de voorzieningenrechter hangende het bezwaar vervangende toestemming verleend voor ieder transport op grond van de EVOA, is te verstrekkend. Een dergelijke voorziening kan in het kader van deze procedure niet worden getroffen.

Conclusie

7.       Gelet hierop moet het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

8.       De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen
voorzieningenrechter

w.g. Van Loo
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2023

418-947