Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200202482/1

Uitspraak 200202482/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AI0183
Datum uitspraak
23 juli 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 juni 2001 heeft verweerder besloten het zonder een vergunning krachtens de Wet milieubeheer in werking zijn van een zandwinning en –opslag onder voorwaarden te gedogen voor een bepaalde duur.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200202482/1.
Datum uitspraak: 23 juli 2003.

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2001 heeft verweerder besloten het zonder een vergunning krachtens de Wet milieubeheer in werking zijn van een zandwinning en –opslag onder voorwaarden te gedogen voor een bepaalde duur.

Bij besluit van 12 maart 2002, verzonden op 4 april 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2003, waar appellant, in persoon, en bijgestaan door mr. H.P.G. Jansen, gemachtigde,
en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.C.A. Hendriks en P.A. Kuijper, gemachtigden, zijn verschenen.
Voorts is daar als partij de [vergunninghouder] te [plaats], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 28 juli 1995 heeft verweerder aan [vergunninghouder] voor de in het geding zijnde inrichting een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een zandwinning en -opslag. Bij uitspraak van 31 mei 1999, no. E03.95.1570, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder, op verzoek van [vergunninghouder], besloten, vooruitlopend op het op de aanvraag opnieuw te nemen besluit, het in werking zijn van de inrichting onder voorwaarden te gedogen. Daar de vergunningprocedure niet vóór afloop van de duur van voornoemd besluit kon worden afgerond, is bij besluit van 14 juni 2001 opnieuw een gedoogbesluit genomen.

2.2. Bij het bestreden besluit van 12 maart 2002, waarbij het besluit van 14 juni 2001 is gehandhaafd, heeft verweerder besloten het in werking zijn van de onderhavige inrichting vooruitlopend op de definitieve vergunningverlening te gedogen voor een bepaalde duur. De voorschriften verbonden aan het ontwerp-besluit van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer dienen hierbij te worden nageleefd. In het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat de gedoogbeschikking eindigt op de dag dat de oprichtingsvergunning op basis van de Wet milieubeheer voor de inrichting in werking treedt, doch uiterlijk op 1 mei 2002. Dit betekent dat het gedoogbesluit inmiddels is komen te vervallen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant gelet hierop geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep dient dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden wegens het ontbreken van processueel belang.

2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003.

159-373.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon