Uitspraak 202107840/1/R4


Volledige tekst

202107840/1/R4.
Datum uitspraak: 7 juni 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Zeewolde,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 5 november 2021 in zaak nr. 20/3840 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde.

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2019 heeft het college [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast om het niet-recreatieve gebruik van de recreatiewoning aan de [locatie] te Zeewolde (hierna: de recreatiewoning) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 4 juni 2020 heeft het college geweigerd om de aan de last verbonden begunstigingstermijn te verlengen.

Bij besluit van 7 oktober 2020 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 2 december 2019, niet-ontvankelijk en, voor zover gericht tegen het besluit van 4 juni 2020, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 maart 2021 heeft het college besloten tot invordering van de door [appellanten] verbeurde dwangsom van € 25.000,00.

Bij uitspraak van 5 november 2021 heeft de rechtbank het beroep van [appellanten] tegen de besluiten van 7 oktober 2020 en 15 maart 2021 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 10 maart 2023, waar [appellant B], bijgestaan door mr. M.S. Ducaat, rechtsbijstandverlener te Zeewolde, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.H.J. de Jonge, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellanten] zijn de eigenaren van de recreatiewoning. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Recreatieterrein Hosterwold 2012" mag de recreatiewoning niet worden gebruikt voor permanente bewoning. Volgens het college woonden [appellanten] ten tijde van belang in de recreatiewoning, terwijl zij niet over een omgevingsvergunning beschikken op grond waarvan dat met het bestemmingsplan strijdige gebruik is toegestaan. Van 15 november 2012 tot 30 december 2019 stonden [appellanten] in de basisregistratie personen (hierna: brp) ingeschreven op een door hun opgegeven woonadres in Hilversum. Van 30 december 2019 tot 10 augustus 2020 stonden [appellanten] in de brp ingeschreven op het adres van de recreatiewoning. Per 10 augustus 2020 staan zij ingeschreven op een ander adres in Zeewolde.

De besluiten

2.       Bij besluit van 2 december 2019 heeft het college [appellanten] onder oplegging van een dwangsom van € 25.000,00 ineens gelast het niet-recreatieve gebruik van de recreatiewoning binnen zes maanden na de verzenddatum van dit besluit te beëindigen en beëindigd te houden. Het college heeft dit besluit op 2 december 2019 per aangetekende post via PostNL verzonden naar het adres in Hilversum en naar de recreatiewoning. PostNL heeft beide poststukken, onder de vermelding dat ze zijn geweigerd in ontvangst te nemen, retour gezonden naar het college.

Bij besluit van 4 juni 2020 heeft het college geweigerd om een verzoek van [appellanten] van 26 mei 2020 tot verlenging van de begunstigingstermijn in te willigen.

Bij besluit van 7 oktober 2020 heeft het college het door [appellanten] op 12 juli 2020 gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 2 december 2019, niet ontvankelijk verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het bezwaar in zoverre niet tijdig is ingediend en dat de overschrijding van de bezwaartermijn, die op 13 januari 2020 is geëindigd, niet verschoonbaar is. Voor zover dat bezwaar is gericht tegen het besluit van 4 juni 2020 heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 maart 2021 heeft het college vastgesteld dat [appellanten] op 3 juni 2020 van rechtswege een dwangsom hebben verbeurd, omdat zij toen nog niet aan de last hadden voldaan. Om die reden heeft het college besloten tot invordering van de door [appellanten] verbeurde dwangsom ter hoogte van € 25.000,00 over te gaan.

Het hoger beroep

Was het bezwaar niet-ontvankelijk?

3.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellanten] voeren aan dat zij het per aangetekende post aan hun verstuurde besluit van 2 december 2019 niet hebben geweigerd in ontvangst te nemen en dat het niet voor hun rekening en risico komt dat zij dat besluit niet hebben ontvangen. Als bewijs dat [appellanten] het naar de recreatiewoning verzonden poststuk niet hebben geweigerd in ontvangst te nemen, hebben zij stukken overgelegd waaruit, naar zij stellen, blijkt dat zij aan het werk waren op het moment dat de aangetekende post bij de recreatiewoning werd aangeboden. [appellanten] is bovendien gebleken dat aangetekende poststukken niet op de juiste wijze worden bezorgd bij de recreatiewoning. Zij hebben bij wijze van test een brief per aangetekend post naar de recreatiewoning verzonden en die heeft PostNL retour gezonden naar de opgegeven afzender met de mededeling dat het opgegeven adres onjuist is. Over het adres in Hilversum voeren [appellanten] aan dat het college ambtshalve hun verblijfadres in de brp had moeten wijzigen naar het adres van de recreatiewoning waar zij volgens het college ten tijde van belang woonden. [appellanten] stellen dat zij pas door een informerende brief van het college van 19 mei 2020 op de hoogte zijn geraakt van het besluit van 2 december 2019. De rechtbank had daarom de overschrijding van de bezwaartermijn in hun geval verschoonbaar had moeten achten, zo betogen zij.

3.1.    Artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."

Artikel 6:7 van de Awb luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb luidt: "Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen."

Het tweede lid luidt: "Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen."

Artikel 6:11 van de Awb luidt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

3.2.    In beginsel is het adres waarop [appellanten] ten tijde van de verzending van het besluit van 2 december 2019 stonden ingeschreven in de brp het adres waar dat besluit voor de bekendmaking naar toe moest worden gezonden, tenzij [appellanten] bij de gemeente een ander adres als correspondentieadres hadden opgegeven (vergelijk de uitspraak van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2196). Door het besluit op 2 december 2019 per aangetekende post en ter attentie van [appellanten] naar het adres in Hilversum te verzenden, heeft het college dat besluit overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt. Dat het college in dat besluit [appellanten] heeft verweten permanent in de recreatiewoning te verblijven, maakt dat niet anders, omdat [appellanten] in een schriftelijke reactie van 26 november 2019 op een vooraankondiging van het college om hun een last onder dwangsom op te leggen, aan het college te kennen hebben gegeven dat zij uiterlijk op 31 december 2019 geen gebruik meer kunnen maken van de woning in Hilversum.

Gegeven het oordeel dat het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt, is de bezwaartermijn, gelet op de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Awb, aangevangen op 3 december 2019 en geëindigd op 13 januari 2020. [appellanten] hebben op 12 juli 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 december 2019. Gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb, is dit bezwaar niet tijdig ingediend. De Afdeling dient de vraag te beantwoorden of in dit geval de overschrijding van de bezwaartermijn met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar kan worden geacht.

3.3.    [appellanten] hebben niet bestreden dat op het adres in Hilversum is geweigerd het poststuk in ontvangst te nemen. Gelet op wat hiervoor onder 3.2 is overwogen, is in wat [appellanten] hebben aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat die weigering niet voor hun rekening en risico dient te komen. Omdat het besluit van 2 december 2019 door verzending naar het adres in Hilversum is bekendgemaakt en het college in dit geval niet de verwachting heeft gewekt dat het besluit ook naar de recreatiewoning zou worden verzonden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar kan worden geacht en dat het college het door [appellanten] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van wat [appellanten] hebben aangevoerd over de weigering om het naar de recreatiewoning verzonden poststuk in ontvangst te nemen.

Het betoog slaagt niet.

De weigering de begunstigingstermijn te verlengen

4.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. [appellanten] voeren aan dat het niet voor hun rekening en risico komt dat zij pas door de brief van het college van 19 mei 2020 op de hoogte zijn geraakt van het besluit van 2 december 2019. Omdat voorts de aan de last onder dwangsom verbonden begunstigingstermijn op 2 juni 2020 afliep hadden zij onvoldoende tijd om aan de last te kunnen voldoen, zo betogen [appellanten].

4.1.    In de brief van 19 mei 2020 staat dat het college heeft opgemerkt dat [appellanten] in de brp staan ingeschreven op het adres van de recreatiewoning waar [appellanten], als uiteengezet in het besluit van 2 december 2019, niet mogen wonen. Voorts staat in die brief dat het college [appellanten] om die reden erop heeft geattendeerd dat zij nog tot 2 juni 2020 de tijd hebben om aan de bij dat besluit opgelegde last te voldoen. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 3.2 en 3.4 komt het voor eigen rekening en risico van [appellanten] dat zij niet eerder op de hoogte zijn geraakt van het besluit van 2 december 2019. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college het verzoek van [appellanten] om de begunstigingstermijn te verlengen, heeft mogen afwijzen.

Het betoog slaagt niet.

Het invorderingsbesluit

5.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hun aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. [appellanten] voeren aan dat hun bezwaar tegen het besluit van 2 december 2019 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en dat het college ten onrechte heeft geweigerd om de begunstigingstermijn te verlengen. [appellanten] voeren verder aan dat zij, nadat zij door de brief van 19 mei 2020 op de hoogte zijn geraakt van het besluit van 2 december 2019, binnen drie maanden andere woonruimte hebben betrokken. Gelet daarop hebben zij alles in het werk gesteld om zo spoedig mogelijk aan de last te voldoen, zo betogen [appellanten].

5.1.    Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

5.2.    Gelet op wat hiervoor onder 3.2, 3.4 en 4.1 is overwogen, zijn in de niet-ontvankelijkheid van het door [appellanten] gemaakte bezwaar en in de afwijzing van hun verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn geen bijzondere omstandigheden gelegen als hier bedoeld. Het komt immers voor hun eigen rekening en risico dat zij niet door de bekendmaking van het besluit van 2 december 2019 op de hoogte zijn geraakt van de aan hun opgelegde last. Alleen al om die reden kan de omstandigheid dat [appellanten] na afloop van de begunstigingstermijn alsnog zo snel mogelijk zijn verhuisd naar een andere woning evenmin als bijzonder worden aangemerkt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellanten] geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van invordering kan worden afgezien.

Het betoog slaagt niet.

Slotsom

6.       Het hoger beroep is ongegrond.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Robben
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2023

610-1030