Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200303201/2

Uitspraak 200303201/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AH9842
Datum uitspraak
11 juli 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder krachtens artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 27 april 1993 verleende vergunning voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk ingetrokken. Dit besluit is op 18 april 2003 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening
  • Vee e.a. dieren

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200303201/2.
Datum uitspraak: 11 juli 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder krachtens artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 27 april 1993 verleende vergunning voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk ingetrokken. Dit besluit is op 18 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 15 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2003, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 juni 2003, waar verzoeker in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door H.J.M. Mattijssen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

2.3. Ter zitting heeft verzoeker te kennen gegeven dat zijn belang bij het treffen van een voorlopige voorziening erin is gelegen dat na het onherroepelijk worden van de gedeeltelijke intrekking van de vergunning de mogelijkheid ontstaat dat ter realisering van een agrarisch bouwblok op een nabijgelegen perceel ten behoeve van [partij] een procedure ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening te starten. Verzoeker vreest dat zijn woongenot bij de realisering van dat bouwblok zal worden aangetast.

2.4. De Voorzitter overweegt dat, gelet op artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De Voorzitter is van oordeel dat in hetgeen van de zijde van verzoeker ter zitting is opgemerkt er geen spoedeisend belang bestaat een voorlopige voorziening te treffen. Hij neemt hierbij in aanmerking dat een mogelijke procedure ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet is aan te merken als een belang dat dient ter bescherming van het milieu. Reeds vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang kan het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking komen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2003

159-396.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon