Uitspraak 202200849/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2023:776
- Datum uitspraak
- 17 februari 2023
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 juni 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202200849/1/V2.
Datum uitspraak: 17 februari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 14 januari 2022 in zaak nr. NL21.12143 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Op 23 juli 2021 heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.
Bij besluit van 11 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 11 juni 2018 door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar uitstel van vertrek verleend krachtens artikel 64 van de Vw 2000, met ingang van 28 mei 2019.
Bij uitspraak van 14 januari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.A.W.A. Vissers, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
- Wat de vreemdeling heeft aangevoerd over het belang dat zij stelt te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de vreemdeling met deze procedure niet kan bereiken dat de verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel 'medische behandeling' die de staatssecretaris op 18 augustus 2021 aan haar heeft verleend, een eerdere ingangsdatum krijgt. De ingangsdatum van die verblijfsvergunning staat inmiddels vast. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404, waaruit volgt dat de bestuursrechter een bij hem ingediend (hoger) beroep alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit.
- Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het betoog van de vreemdeling op dit punt geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Proceskosten beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
- De vreemdeling klaagt verder dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding in de kosten die zij in verband met de behandeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft moeten maken. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling, nadat zij de staatssecretaris in gebreke had gesteld, op 23 juli 2021 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De staatssecretaris heeft vervolgens opnieuw beslist op het door haar gemaakte bezwaar.
3.1. De rechtbank heeft geen uitspraak gedaan op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Dat had zij wel moeten doen. De vreemdeling heeft dat beroep immers niet ondubbelzinnig ingetrokken. De rechtbank heeft per brief van 13 augustus 2021 gevraagd of de vreemdeling het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit handhaaft, gelet op het feit dat de staatssecretaris inmiddels een reëel besluit had genomen. De vreemdeling heeft geantwoord dat haar beroep gehandhaafd blijft en dat het zich ‘richt tegen de beslissing’. Het beroep gericht tegen het reële besluit is van rechtswege ontstaan. Hieruit volgt dat het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet is ingetrokken. De rechtbank had dit beroep dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren wegens gebrek aan belang bij een beoordeling van dat beroep.
3.2. Nu niet in geschil is dat de staatssecretaris niet tijdig op het bezwaar van de vreemdeling heeft beslist, de vreemdeling vervolgens een geldige ingebrekestelling heeft verstuurd en de staatssecretaris pas na het instellen van beroep niet tijdig een besluit op bezwaar heeft genomen, had de rechtbank de staatssecretaris vervolgens ook moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep niet tijdig opgekomen proceskosten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2).
Conclusie en hoogte proceskosten
- Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij daarbij heeft nagelaten het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk te verklaren en de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep niet tijdig opgekomen proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd.
- De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Dat zijn de in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar (1 punt voor het beroepschrift) en de in verband met het hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift) gemaakte proceskosten. De Afdeling merkt deze zaak, voor zover het geschil gaat over het beroep niet tijdig, aan als ‘licht’. Daarom past zij wegingsfactor 0,5 toe. Omdat de griffier in beroep en hoger beroep geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 14 januari 2022 in zaak nr. NL21.12143, voor zover zij daarbij heeft nagelaten het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk te verklaren en de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen;
III. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2023
915