Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202300055/1/A2

Uitspraak 202300055/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:738
Datum uitspraak
22 februari 2023
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 22 augustus 2022 heeft de BSA-commissie [appellant] namens de decaan van de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatie een bindend negatief studieadvies (hierna: BNSA) gegeven voor de opleiding Natuur- en Sterrenkunde. Bij beslissing van 27 oktober 2022 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgde in het studiejaar 2021-2022 de opleiding Natuur- en Sterrenkunde aan de Universiteit van Amsterdam. [appellant] heeft in dat studiejaar 24 studiepunten behaald. Voor het behalen van een positief bindend studieadvies moet een student in beginsel 42 studiepunten behalen. In verband met de pandemie als gevolg van het coronavirus is een uitzondering op deze regel gemaakt. Volgens deze regel moet een student 36 studiepunten behalen. De BSA-commissie heeft [appellant] bij de beslissing van 22 augustus 2022 meegedeeld dat zij geen dispensatie kan verlenen voor het BNSA. Dit betekent dat het voornemen negatief bindend studieadvies wordt omgezet in een definitief BNSA.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202300055/1/A2.
Datum uitspraak: 22 februari 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Amstelveen,

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: college),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 22 augustus 2022 heeft de BSA-commissie [appellant] namens de decaan van de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatie een bindend negatief studieadvies (hierna: BNSA) gegeven voor de opleiding Natuur- en Sterrenkunde.

Bij beslissing van 27 oktober 2022 heeft het college het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (hierna: CBHO). Het CBHO, dat op 1 januari 2023 is opgehouden te bestaan, heeft dit beroep overgedragen aan de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 januari 2023, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M. Smith, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] volgde in het studiejaar 2021-2022 de opleiding Natuur- en Sterrenkunde aan de Universiteit van Amsterdam. [appellant] heeft in dat studiejaar 24 studiepunten behaald. Voor het behalen van een positief bindend studieadvies (hierna: BSA-norm) moet een student in beginsel 42 studiepunten behalen. In verband met de pandemie als gevolg van het coronavirus is een uitzondering op deze regel gemaakt. Volgens deze regel moet een student 36 studiepunten behalen. De BSA-commissie heeft [appellant] bij de beslissing van 22 augustus 2022 meegedeeld dat zij geen dispensatie kan verlenen voor het BNSA. Dit betekent dat het voornemen negatief bindend studieadvies wordt omgezet in een definitief BNSA. Volgens de BSA-commissie is er onvoldoende verband vast te stellen tussen de bijzondere omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd en het niet behalen van de BSA-norm.

2.       Het college heeft de beslissing van de BSA-commissie in stand gelaten. Het college heeft vastgesteld dat er geen poging is gedaan om een minnelijke schikking met [appellant] te bereiken voordat het beroep in behandeling is genomen. Gelet op de korte periode tussen de beslissing van 22 augustus 2022 en de hoorzitting op 30 augustus 2022 mocht de schikkingsprocedure volgens het college in dit geval achterwege worden gelaten. Het college heeft verder vastgesteld dat niet in geschil is dat [appellant] niet voldoet aan de BSA-norm van 36 studiepunten. Volgens het college mocht de BSA-commissie zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat [appellant], met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, onvoldoende voortgang laat zien om erop te kunnen vertrouwen dat hij zijn studie binnen afzienbare tijd met goed gevolg zal afronden. De persoonlijke omstandigheden van [appellant] verklaren niet waarom hij zo weinig studiepunten heeft behaald, aldus het college.

Wettelijk kader

3.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Beroep

4.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte tot de beslissing is gekomen dat de BSA-commissie hem een BNSA mocht geven. [appellant] voert allereerst aan dat het college ten onrechte geen poging tot een minnelijke schikking heeft gedaan. Dat het college niet is nagegaan of er een minnelijke schikking kon worden bereikt vanwege het korte tijdbestek tussen de beslissing van 22 augustus 2022 en de hoorzitting is volgens [appellant] geen legitieme reden om van deze verplichting af te zien. Het college had eerder een beslissing moeten nemen als het vóór het nieuwe studiejaar uitsluitsel had willen hebben over de continuering van de opleiding van [appellant]. [appellant] wijst erop dat de wetgever hoge prioriteit heeft toegekend aan de schikkingsprocedure.

[appellant] stelt zich verder op het standpunt dat het college niet heeft onderkend dat vanwege zijn persoonlijke omstandigheden moet worden afgezien van het BNSA. [appellant] voert daartoe het volgende aan. In de eerste tentamenweek in oktober 2021 was hij ziek. Tijdens de hertentamens zat [appellant] in quarantaine vanwege een met het coronavirus besmette huisgenoot. Omdat een van de hertentamens alleen fysiek plaatsvond, kon [appellant] dat tentamen niet maken. Verder is de vader van [appellant] in november 2021 opgenomen in het ziekenhuis met ernstige klachten als gevolg van het coronavirus. Dit had veel impact op de gemoedstoestand van [appellant] en hij had hierdoor veel extra zorgtaken. Ook had [appellant] in december 2021 heftige ruzies met zijn huisgenoten. Verder heeft [appellant] bij een aanrijding in februari 2022 een hersenschudding opgelopen, waar hij nog steeds klachten van ondervindt. Deze omstandigheden bezorgden [appellant] veel stress en zorgden ervoor dat hij zich niet kon concentreren op zijn studie. [appellant] benadrukt dat hij alle omstandigheden heeft gemeld bij de studieadviseur of zijn tutor.

[appellant] wijst er verder op dat hij enkel aannemelijk moet maken dat zijn persoonlijke omstandigheden een negatieve invloed op zijn studieresultaten hebben gehad. [appellant] stelt dat hij dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het college heeft daarentegen niet aangetoond dat het causaal verband tussen zijn persoonlijke omstandigheden en slechte studieresultaten ontbreekt. Het college heeft alleen laten blijken dat het weinig vertrouwen heeft in de studievoortgang van [appellant]. Bovendien heeft het college volgens [appellant] niet gemotiveerd waarom hij zijn studie niet met goed gevolg zou kunnen afronden. Onder normale omstandigheden is de kans juist groot dat hij zijn studie met goed gevolg zal afronden, aldus [appellant].

Ten slotte doet [appellant] een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Als gevolg van de beslissing van het college wordt hij voor een periode van drie jaar uitgesloten van de opleiding Natuur- en Sterrenkunde. Het college heeft volgens [appellant] niet onderkend dat dit een te ingrijpende maatregel is.

4.1.    Uit artikel 7.61, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) volgt dat de examencommissie gehouden is om met de betrokkene na te gaan of er een minnelijke schikking mogelijk is. Het college heeft toegelicht dat een poging tot minnelijke schikking achterwege is gelaten vanwege de spoedeisendheid van de procedure. De Afdeling stelt vast dat het college door niet te onderzoeken of de zaak geschikt kan worden niet heeft voldaan aan de verplichting die is neergelegd in artikel 7.61, derde lid, van de WHW. De Afdeling ziet echter aanleiding dat gebrek vanwege de geboden spoed met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Naar het oordeel van de Afdeling is [appellant] door dit gebrek niet benadeeld. Het was, zowel voor het college als voor [appellant], van belang dat voor de aanvang van het nieuwe studiejaar duidelijk was of [appellant] door kon gaan met de opleiding.

4.2.    De Afdeling overweegt over de persoonlijke omstandigheden van [appellant] als volgt. [appellant] heeft verklaard dat hij in de eerste tentamenweek in oktober 2021 ziek was. [appellant] heeft zijn ziek-zijn echter pas 1,5 week later, toen de resultaten van de tentamens al bekend waren, gemeld. Ook heeft [appellant] geen stukken overgelegd die kunnen dienen als bewijs van zijn ziek-zijn. Toen de vakken herkanst konden worden, zat [appellant] in quarantaine. De Afdeling constateert dat [appellant] aan een van de hertentamens digitaal deel heeft kunnen nemen, maar dat hij hiervoor geen voldoende heeft gehaald. [appellant] stelt dat hij op dat moment last had van de nasleep van de opname van zijn vader in het ziekenhuis en ruzie met zijn huisgenoten. [appellant] heeft verder verklaard dat hij ook ziek was tijdens de tentamenweek begin februari. Hiervan heeft hij geen bewijsstukken overgelegd. [appellant] heeft over de periode vanaf 10 februari 2022 tot het einde van het schooljaar verklaard dat hij klachten had als gevolg van zijn hersenschudding. Uit het verslag van de huisarts van 19 april 2022 en het verslag van de neuroloog van 24 mei 2022 blijkt echter niet dat er sprake was van zodanige klachten dat aannemelijk is dat het tekort aan studiepunten in die periode hiervan het gevolg is. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door zijn persoonlijke omstandigheden de BSA-norm niet heeft behaald. Dat betekent dat het standpunt van [appellant] dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het causale verband tussen zijn persoonlijke omstandigheden en studieresultaten ontbreekt, geen bespreking behoeft.

4.3.    Ook voor zover [appellant] zich beroept op het evenredigheidsbeginsel, volgt de Afdeling zijn standpunt niet. De Afdeling merkt in dit verband op dat [appellant] niet drie jaar hoeft te wachten om verder te studeren, aangezien hij de opleiding Natuur- en Sterrenkunde volgend jaar aan een andere universiteit kan volgen.

4.4.    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.       Het beroep is ongegrond.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dijkshoorn
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023

735-1022

Verzonden: 22 februari 2023

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase

1. Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale associate degree-opleiding of bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de associate degree-opleiding of de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse associate degree-opleiding of bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.

[…]

3. Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.

[…]

Artikel 7.61. Bevoegdheid college van beroep voor de examens

[…]

3. Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie. Indien de examinator tegen wie het beroep is gericht, lid is van de examencommissie, neemt hij geen deel aan de beraadslaging. Het desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in behandeling genomen.

[…]

Onderwijs- en Examenregeling deel A Bacheloropleidingen FNWI 2021-2022

Artikel A-6.3 Bindend (Negatief) Studieadvies

1. Aan het studieadvies dat aan het eind van het eerste studiejaar wordt uitgebracht, wordt een afwijzing met een bindend karakter verbonden, indien de student niet de norm heeft behaald voor een positief advies.

2. Een negatief advies blijft achterwege, als de student aantoont niet aan de norm te hebben voldaan als gevolg van persoonlijke omstandigheden, zoals genoemd in artikel A-6.4 De norm is omschreven in artikel B-7.2 deel B.

[…]

8. Een negatief bindend studieadvies heeft tot gevolg dat de betrokken student zich gedurende de daarop volgende drie studiejaren niet kan inschrijven voor de bacheloropleidingen die worden vermeld in artikel B-7.2 deel B.

[…]

Artikel A-6.4 Persoonlijke omstandigheden

1. De decaan verbindt geen afwijzing aan het studieadvies, indien er sprake is van persoonlijke omstandigheden als bedoeld in het vierde lid en de betrokken student als gevolg hiervan in redelijkheid niet geacht kan worden te hebben voldaan aan de gestelde BSA-norm.

[…]

4.  Als persoonlijke omstandigheden in de zin van dit artikel worden onder meer aangemerkt:

a. fysieke of mentale ziekte van de student;

[…]

d. bijzondere familieomstandigheden;

[…]

Onderwijs- en examenregeling 2021-2022 Deel B Natuur- en Sterrenkunde

Artikel B-7.2 Bindend (negatief) studieadvies

In aanvulling op hoofdstuk 6 van OER deel A geldt het volgende:

1. Om een positief studieadvies te krijgen, moet de student aan het einde van het eerste jaar van inschrijving ten minste 42 EC hebben behaald aan eerstejaars vakken uit de opleiding.

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon