Uitspraak 200303672/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:137
- Datum uitspraak
- 19 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 mei 2003, kenmerk S0305891, heeft verweerder - onder intrekking van het dwangsombesluit van verweerder van 22 april 2002 kenmerk S0204214 -, beslist om binnen twee weken na dagtekening van het besluit bestuursdwang toe te passen als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wegens het handelen van verzoekster in strijd met voorschrift 3.1 van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit).
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200303672/1.
Datum uitspraak: 19 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
"Benzine Exploitatiecentrum 't Gooi B.V.", gevestigd te Hilversum,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2003, kenmerk S0305891, heeft verweerder - onder intrekking van het dwangsombesluit van verweerder van 22 april 2002 kenmerk S0204214 -, beslist om binnen twee weken na dagtekening van het besluit bestuursdwang toe te passen als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wegens het handelen van verzoekster in strijd met voorschrift 3.1 van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit).
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 10 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen diezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juni 2003.
Daar is verzoekster vertegenwoordigd door mr. A.C. de Kanter, advocaat
te Amersfoort en G.J.J.M. van Ierland, gemachtigde. Verweerder is daar vertegenwoordigd door mr. M.G. Kos, advocaat te Amsterdam en W.M.C. van der Werff en M.F. Frenk, ambtenaren van de gemeente.
2. Overwegingen
2.1. Vaststaat en niet weersproken is dat verzoekster handelt in strijd met voorschrift 3.1 van bijlage I behorende bij het Besluit, waarin is bepaald - voorzover hier relevant - dat indien de inrichting geopend is voor aflevering van LPG een met het toezicht belast persoon met een leeftijd van ten minste 18 jaar in de inrichting aanwezig moet zijn. Verweerder is derhalve bevoegd om tegen die overtreding op te treden met bestuurlijke handhavingsmiddelen.
2.2. Het bij besluit van 27 mei 2003 ingetrokken dwangsombesluit van 20 april 2003 strekte eveneens tot naleving van voorschrift 3.1 van bijlage I bij het Besluit. Verweerder heeft het bestuursdwangbesluit van 27 mei 2003 genomen omdat de last onder dwangsom niet heeft geleid tot naleving van voorschrift 3.1.
2.3. Verzoekster betoogt op inhoudelijke gronden dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten handhavend op te treden tegen het niet naleven van voorschrift 3.1.
Hetgeen verzoekster inhoudelijk aanvoert tegen de bij het besluit van 27 mei 2003 aangekondigde bestuursdwang, heeft zij eveneens aangevoerd tegen de last onder dwangsom van 20 april 2002, zoals gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 4 maart 2003. Hetgeen zij in dat verband betoogt strekt er toe - kort weergegeven - dat de manier waarop zij in haar inrichting met behulp van camera’s toezicht houdt op het afleveren van LPG gedurende de nacht- en een deel van de avondperiode tenminste gelijkwaardig is aan de bescherming door een toezichthouder als bedoeld in voorschrift 3.1, zodat zij aan de strekking van dat voorschrift voldoet. Daarbij voert zij aan dat door de toegenomen criminaliteit bij tankstations de veiligheid van toezichthouders in geding is. Verder betoogt zij dat door de gewijzigde inzichten bij de wetgever toezicht door middel van camera’s zal worden gelegaliseerd. Daarom acht zij het toepassen van bestuurlijke dwangmiddelen niet redelijk.
2.3.1. De Voorzitter heeft bij uitspraak van 13 mei 2003, nr. 200302451/2, het verzoek om schorsing van het dwangsombesluit van 20 april 2003, zoals gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2003 afgewezen. Daarbij is hij inhoudelijk ingegaan op de beroepsgronden die hiervoor zijn weergegeven onder 2.3. De Voorzitter onderschrijft de uitspraak van 13 mei 2003. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter ten aanzien van het antwoord op de vraag of verweerder in redelijkheid nogmaals heeft kunnen besluiten tot het toepassen van handhavingsmiddelen vanwege het voortduren van de overtreding geen aanknopingspunten die leiden tot een ander oordeel dan dat van 13 mei 2003. De Voorzitter merkt daarbij op dat voorschrift 3.1 een wettelijk voorschrift is dat in zijn formulering duidelijk is en geen ruimte biedt voor afwijkingen. Verweerder kon daarom niet toekomen aan de vraag of de voorzieningen bij verzoekster gelijkwaardig zijn aan voorschrift 3.1 en of die voorzieningen beter zijn omdat daardoor geen toezichthouders in een gevaarlijke situatie geplaatst worden. Gezien de brief van de staatssecretaris van VROM van 22 mei 2003, waarin staat dat het onbemand afleveren van LPG niet is toegestaan en dat daartegen handhavend opgetreden moet worden, is het verder niet aannemelijk dat er nu een concreter zicht is op legalisering dan ten tijde van het nemen van het dwangsombesluit.
2.4. Ten aanzien van het nemen van een bestuursdwangbesluit na het opleggen van een last onder dwangsom voert verzoekster het volgende aan.
Verzoekster stelt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een zodanige onveilige situatie is ontstaan, dat die binnen de in het besluit genoemde begunstigingstermijn van twee weken beëindigd dient te worden. Daarbij wijst zij er op dat gedurende de gehele dwangsomprocedure, waarbij de beslissing op bezwaar is genomen meer dan tien maanden na het primaire besluit, het onbemand tanken is doorgegaan, terwijl zij voorafgaande aan de dwangsomprocedure al duidelijk te kennen had gegeven dat zij in geen geval aan de last zou voldoen. Verzoekster heeft er in dit verband op gewezen dat verweerder vanwege die lange beslistermijn in feite zelf de overtreding in de hand heeft gewerkt. Volgens verzoekster is het opleggen van een last onder dwangsom en het vervolgens aanzeggen van bestuursdwang dan ook geen effectieve wijze van handhaven. Verzoekster verzoekt om de hier genoemde redenen dan ook ten minste om verlenging van de begunstigingstermijn tot 20 weken.
Tot slot is in dit verband naar voren gebracht dat het toepassen van bestuursdwang gepaard zal gaan met schade aan de installatie.
2.4.1. In artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.
In artikel 5:32, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat voor het opleggen van een last onder dwangsom niet wordt gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet.
In artikel 5:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat in de beschikking een termijn wordt gesteld waarbinnen de belanghebbenden de ten uitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen.
In artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een beslissing tot toepassing bestuursdwang niet wordt genomen zolang een ter zake van de betrokken overtreding reeds gegeven beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom niet is ingetrokken
2.4.2. De Voorzitter stelt voorop dat de rechtmatigheid van de last onder dwangsom als zodanig in deze procedure niet in geschil is en dat uit de hiervoor aangehaalde bepalingen reeds volgt dat de Algemene wet bestuursrecht toelaat dat bestuursdwang wordt toegepast nadat een last onder dwangsom is opgelegd. Aan de hand van hetgeen verzoekster heeft aangevoerd overweegt de Voorzitter het volgende.
Aan voorschrift 3.1 van het Besluit kan worden voldaan door hetzij de openingsuren te beperken, hetzij een toezichthouder aan te stellen. De vraag of artikel 5:32, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de weg stond aan het opleggen van een dwangsom moet worden beantwoord aan de hand van de aard van de overtreding en niet aan de hand van de opstelling van verzoekster en staat in deze procedure niet meer ter discussie. Voorzover de beslissing op bezwaar tegen het dwangsombesluit niet is genomen binnen de in de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijnen, bestond voor verzoekster de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
De Voorzitter acht het niet onredelijk dat, nu de dwangsom niet heeft geleid tot naleving, verweerder bestuursdwang heeft aangekondigd. Voor het antwoord op de vraag of in het bestuursdwangbesluit een begunstigingstermijn kon worden gesteld van twee weken is niet zozeer relevant of de overtreding een voor derden gevaarlijke situatie oplevert, doch veeleer of de begunstigingstermijn toereikend is om de overtreding op te heffen. Gesteld noch gebleken is dat een termijn van twee weken daarvoor niet toereikend is. Daarom ziet de Voorzitter rechtens geen grond voor verlenging van die termijn.
Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke handelingen zoals die door verweerder zijn aangekondigd - te weten: het instellen van een tijdklok - schade aan de LPG-installatie zullen veroorzaken. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de feitelijke handelingen ter naleving van voorschrift 3.1 op een voor verzoekster minder belastende wijze zouden kunnen worden uitgevoerd.
2.5. Concluderend ziet de Voorzitter geen grond voor toewijzing van het verzoek.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Stolker
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2003
157.