Uitspraak 200303039/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:BH6123
- Datum uitspraak
- 10 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 april 2003 heeft verweerder aan verzoekster krachtens artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht een last onder dwangsom opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.000,00 per keer, met een maximum van € 10.000,00, dat wordt geconstateerd dat groenafval wordt opgeslagen in strijd met de Wet milieubeheer en het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer in het door verzoekster geëxploiteerde loonwerkersbedrijf aan de [locatie] te [plaats].
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200303039/1.
Datum uitspraak: 10 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Zelhem,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2003 heeft verweerder aan verzoekster krachtens artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht een last onder dwangsom opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.000,00 per keer, met een maximum van € 10.000,00, dat wordt geconstateerd dat groenafval wordt opgeslagen in strijd met de Wet milieubeheer en het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer in het door verzoekster geëxploiteerde loonwerkersbedrijf aan de [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 12 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 juni 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en [directeur], en verweerder, vertegenwoordigd door R.H.J. van het Reve, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [omwonende], daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Verweerder heeft tijdens diverse controlebezoeken geconstateerd dat meer dan 50 m³ groenafval, afkomstig van buiten de inrichting, aanwezig is op het bedrijfsterrein aan de [locatie]. Naar de mening van verweerder valt deze activiteit buiten de toegestane activiteiten van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer en is categorie 28.4, aanhef en onder a, 6°, van Bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: Ivb) van toepassing. Nu de inrichting niet in werking is conform het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer en de Wet milieubeheer, heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Blijkens het bestreden besluit wordt geen dwangsom verbeurd indien de overtreding binnen zes weken na de dagtekening van het dwangsombesluit is beëindigd.
2.2. Verzoekster bestrijdt dat in haar inrichting meer dan 50 m³ groenafval wordt opgeslagen. Naar haar mening gaat het om een kleinere hoeveelheid, die in haar inrichting wordt ingenomen ten behoeve van doorvoer en overslag binnen drie weken. Gelet op het tijdelijke karakter van deze activiteit kan volgens haar niet worden gesproken van opslag in de zin van de categorieën 28.1, aanhef en onder a, en 28.4, aanhef en onder a, van Bijlage I bij het Ivb. Zo al moet worden aangenomen dat in de inrichting opslag plaatsvindt van meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, stelt verzoekster dat niet verweerder, maar het college van gedeputeerde staten van Gelderland bevoegd is tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.
2.3. Ingevolge artikel 18.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer heeft het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht, tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van de betrokken wetten voor degene die de inrichting drijft, geldende voorschriften.
Ingevolge artikel 8.41, eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 de verplichting opgelegd tot het melden van het oprichten of het veranderen van een inrichting waarop de maatregel betrekking heeft, dan wel van het veranderen van de werking daarvan. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij de maatregel aangegeven het bestuursorgaan waaraan de melding wordt gericht.
Het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) is een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit wordt onder bevoegd gezag verstaan: het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het Besluit van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor het onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen van carrosserie en bekleding, verhandelen, verhuren, stallen of proefdraaien van motorvoertuigen, caravans, landbouwwerktuigen, aanhangwagens of opleggers.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit meldt degene die een inrichting opricht dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.
Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid. Ingevolge het tweede lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning. Bij het Ivb is aan deze bepaling uitvoering gegeven.
2.4. Blijkens de stukken bestaat de hoofdactiviteit van de inrichting uit het stallen, reinigen, repareren van motorvoertuigen, aanhangwagens en landbouwwerktuigen. Verder worden in de inrichting partijen grond, groen/snoeiafval, takken, boomstobben, turf, teelaarde, compost en dergelijke ingenomen, zo nodig gescheiden en opgebulkt, totdat afvoer mogelijk is. Deze partijen komen – zo is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken - deels vrij bij door verzoekster uitgevoerde loonwerkzaamheden elders, en zijn deels afkomstig van derden (onder andere hoveniersbedrijven).
Hoewel kan worden betwijfeld dat deze nevenactiviteiten van verzoekster - gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, waaronder de getoonde foto’s en de overgelegde advertentie van het bedrijf in de plaatselijke krant - niet een zodanige omvang hebben dat deze, als afzonderlijke activiteiten beschouwd, zouden hebben te gelden als inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer, gaat de Voorzitter er in de onderhavige procedure van uit – nu partijen hier blijkens het verhandelde ter zitting niet van mening over verschillen – dat sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit en dat, gelet hierop, het Besluit op de inrichting van toepassing is.
2.5. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.2, eerste lid, en 18.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, alsmede artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 6, eerste lid, van het Besluit, moet onder bevoegd gezag dat tot taak heeft zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving worden verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn om een milieuvergunning te verlenen. De Voorzitter overweegt dat in eerste instantie voor een inrichting waarop het Besluit betrekking heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin deze inrichting is gelegen het bevoegd gezag is, tenzij binnen de inrichting activiteiten worden verricht die vallen onder een van de in het Ivb genoemde categorieën waarvoor het college van gedeputeerde staten is aangewezen als het bevoegd gezag.
Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder aan de last onder dwangsom onder meer categorie 28.4, aanhef en onder a, 6°, van Bijlage I bij het Ivb ten grondslag gelegd. In deze categorie zijn gedeputeerde staten aangewezen als bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het betreft inrichtingen voor het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m³ of meer. Voorzover verzoekster stelt dat deze categorie niet op haar inrichting van toepassing is, deelt de Voorzitter deze stelling niet. Naar zijn oordeel valt niet in te zien dat het verblijf van de ingenomen afvalstoffen in de inrichting van slechts zo korte duur is dat van het ‘opslaan’ in de zin van de categorieën 28.1, aanhef en onder a, en 28.4, aanhef en onder a, van Bijlage I bij het Ivb geen sprake is. Voorts acht de Voorzitter, daargelaten de juistheid van de stelling van verweerder dat geconstateerd is dat op het terrein van de inrichting ongeveer 432 m³ groenmateriaal aanwezig is, op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk dat binnen de inrichting meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen.
Nu er van moet worden uitgegaan dat de inrichting onder categorie 28.4, aanhef en onder a, 6°, van Bijlage I bij het Ivb valt, overweegt de Voorzitter dat deze categorie in samenhang met het bepaalde in de artikelen 8.2, eerste lid en 18.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, alsmede artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 6, eerste lid, van het Besluit, met zich brengen dat het college van gedeputeerde staten is aangewezen als het bevoegd gezag tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen, en niet verweerder. Verweerder kon zijn bevoegdheid tot handhaving dan ook niet daarop baseren.
2.6. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zelhem van 1 april 2003;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zelhem in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 693,17, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Zelhem te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de gemeente Zelhem aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Toorenburg-Bovenkerk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2003
334.