Uitspraak 200302613/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:BH4474
- Datum uitspraak
- 6 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 maart 2003, kenmerk MW02.51537, heeft verweerder bepaald dat het opslaan en bewerken van asbesthoudende grond in de door [vergunninghouder] geëxploiteerde inrichting aan de [locatie] te [plaats] onder het stellen van voorwaarden zullen worden gedoogd voor maximaal zes maanden of tot zoveel eerder als de vergunning krachtens de Wet milieubeheer die voor deze activiteiten is aangevraagd, in werking treedt.
- Voorlopige voorziening
- Afval
Toon inhoud
200302613/1.
Datum uitspraak: 6 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2003, kenmerk MW02.51537, heeft verweerder bepaald dat het opslaan en bewerken van asbesthoudende grond in de door [vergunninghouder] geëxploiteerde inrichting aan de [locatie] te [plaats] onder het stellen van voorwaarden zullen worden gedoogd voor maximaal zes maanden of tot zoveel eerder als de vergunning krachtens de Wet milieubeheer die voor deze activiteiten is aangevraagd, in werking treedt.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 23 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2003, waar verzoekster in persoon, bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.J. Rigterink en ing. T. Hillebregt, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, onder meer omdat verweerder ten tijde van het nemen van het besluit niet op de hoogte was van bedenkingen die zij een dag nadat het bestreden besluit is genomen, tegen het ontwerp van de vergunning heeft ingebracht. Verzoekster stelt verder dat verweerder een te ruim gedoogbeleid hanteert op grond waarvan, zoals in het onderhavige geval, zeker gelet op de gezondheidsrisico’s, ten onrechte toekomstige niet vergunde activiteiten worden gedoogd. Bovendien zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het besluit tot verlening van de vergunning niet zou kunnen worden afgewacht. Verzoekster betoogt ten slotte dat vanwege het bestreden besluit een onomkeerbare situatie ontstaat, omdat het wederom verwijderen van de asbesthoudende grond van het terrein van de inrichting nadat het is aangevoerd en verwerkt, theoretisch lijkt.
2.2. De Voorzitter stelt vast dat het bestreden besluit ziet op het opslaan en bewerken van asbesthoudende grond en niet op het transport en het verwerken daarvan. Gelet hierop kan het betoog aangaande de door verzoekster gestelde onomkeerbaarheid van de situatie niet slagen.
De asbesthoudende grond zal na bewerking op het terrein van de inrichting worden verwerkt in een steunlaag, die zal dienen als bovenafdekking van de stortgedeelten op het terrein van de inrichting waar zich geen onderafdekking bevindt. Blijkens het gestelde ter zitting zal de steunlaag dienen ter voorkoming van verdere grondwaterverontreiniging door inzijging van regenwater. Verweerder betoogt dat het derhalve in het belang van het milieu is dat zo spoedig mogelijk met het bewerken van de asbesthoudende grond wordt gestart. Om vertraging in de werkzaamheden te voorkomen vanwege het te verwachten slechte weer in het najaar en in de winter, moet volgens verweerder uiterlijk in augustus met het afdekken worden gestart. De Voorzitter acht dit betoog van verweerder aannemelijk.
2.2.1. Wat betreft het betoog dat verweerder een te ruim gedoogbeleid hanteert op grond waarvan ten onrechte, zeker gelet op de gezondheidsrisico’s, toekomstige niet vergunde activiteiten worden gedoogd, overweegt de Voorzitter het volgende. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om te gedogen getoetst aan de “Gelderse beleidsregels gedogen in milieuzaken”. Volgens dit beleid wordt op een verzoek om te gedogen vooruitlopend op vergunningverlening alleen positief beslist indien het niet aan het bedrijf is te wijten dat nog geen vergunning is verleend, het milieuhygiënisch verantwoord is om vooruitlopend op de vergunning te starten met activiteiten, en het aannemelijk is dat in de toekomst een vergunning kan worden verleend. Verder gelden als nadere voorwaarden onder meer dat gedogen slechts in uitzonderlijke situaties is toegestaan en is beperkt tot overgangs- en overmachtssituaties. De Voorzitter acht het door verweerder gehanteerde gedoogbeleid niet in strijd met het recht.
Wat de door verzoekster gevreesde gezondheidsrisico’s betreft, overweegt de Voorzitter het volgende. In het bestreden besluit is bepaald dat de voorschriften die zijn verbonden aan het ontwerp van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer van 31 januari 2003 tevens aan het onderhavige besluit zijn verbonden. Blijkens de stukken en het gestelde ter zitting zijn die voorschriften in overeenstemming met het Arbeidsomstandighedenbesluit, en de daaruit voortvloeiende stand der techniek. Het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat onder meer voorschriften voor blootstelling van werknemers aan asbesthoudende materialen. Ook is voor het opstellen van de voorschriften aangesloten bij het ontwerp van het Asbestverwijderingsbesluit 2001 dat onder meer betrekking heeft op de gedoogde activiteiten. In voorschrift 4.4 is bepaald dat al het materiaal dat buiten de asbestzone komt in een wasstraat dient te worden ontdaan van eventueel aanhangende asbestvezels. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat nauwgezet zal worden gecontroleerd of aan de aan het besluit verbonden voorschriften wordt voldaan. Ook is gesteld dat de arbeidsinspectie regelmatig bij de werkzaamheden aanwezig zal zijn. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen en buiten de asbestzone wat betreft de volksgezondheid een acceptabele situatie bestaat.
Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het opslaan en bewerken van asbesthoudende grond tijdelijk te gedogen. Ook in de overige door verzoekster aangevoerde gronden ziet de Voorzitter geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.
2.3. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003
255-415.