Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302973/1

Uitspraak 200302973/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AN9513
Datum uitspraak
6 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 april 2003 heeft verweerder een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, afkomstig van [vergunninghouder] en betrekking hebbend op haar inrichting bestemd tot reparatie en nieuwbouw van vaartuigen groter dan 25 meter, gelegen op het perceel [locatie], op de meeste punten geaccepteerd.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302973/1.
Datum uitspraak: 6 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], te [plaats], en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2003 heeft verweerder een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, afkomstig van [vergunninghouder] en betrekking hebbend op haar inrichting bestemd tot reparatie en nieuwbouw van vaartuigen groter dan 25 meter, gelegen op het perceel [locatie], op de meeste punten geaccepteerd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij brief van 8 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 mei 2003, waar verzoekers, van wie [verzoekers] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.C.M. van Meer-Dijksman en H.S.J. van Son, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de melding van
6 december 2002 geaccepteerd, voorzover die betrekking heeft op de vervanging van huisbrandolietanks door kleinere dubbelwandige tanks, de plaatsing van een opslagkluis voor verfafval, het gebruik van gebouw 1a voor diverse milieuneutrale doeleinden, zoals kleedruimte, opslag van papier, archiefruimte en dergelijke, het gebruik van gebouw 15 als kantoorruimte, het wederom in gebruik nemen van de langshelling en de plaatsing van een batterij acetyleencilinders. De melding is niet geaccepteerd, voorzover die betrekking heeft op de aansluiting op het gemeenteriool.

2.2. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.3. De Voorzitter overweegt dat de gronden in het verzoekschrift die betrekking hebben op handhaving van de vigerende vergunning niet aan de orde kunnen komen in het kader van de onderhavige procedure, nu deze geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, waarbij een melding krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer is geaccepteerd.

2.4. De Voorzitter ziet voorts geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening in de gronden van verzoekers dat in het bestreden besluit geen verwijzing is opgenomen naar de onderliggende milieuvergunning van 29 augustus 1995 en dat voor een aantal van de voorgestelde veranderingen geen enkele onderbouwing wordt gegeven. De Voorzitter merkt in dit verband op dat de door verzoekers bedoelde verwijzing wel voorkomt in de melding zelf, die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Met betrekking tot de grond van het ontbreken van een onderbouwing overweegt de Voorzitter dat de beweegredenen van degene die de melding doet, niet ter toetsing staan.

2.5. Voorzover verzoekers hebben aangevoerd dat de afvoeren van de douches, toiletruimte van de schippers alsmede de toilettengroep van de [huurder] niet zijn aangesloten op het gemeenteriool, overweegt de Voorzitter dat deze grond kennelijk zo moet worden begrepen dat de feitelijke situatie volgens verzoekers niet in overeenstemming is met de gemelde verandering “aansluiting op het gemeenteriool”. De Voorzitter overweegt evenwel dat in deze procedure enkel beoordeeld kan worden of verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, de melding al dan niet terecht heeft geaccepteerd of geweigerd. Bij de toets aan dat artikel speelt de vraag of een gemelde verandering al dan niet reeds is doorgevoerd, evenwel geen rol. Derhalve kan ook deze grond geen reden zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Verzoekers hebben voorts gesteld dat verweerder naar hun oordeel ten onrechte geen definitief besluit heeft genomen over de aansluiting op het gemeentelijk riool.

2.6.1. Verweerder heeft de melding niet geaccepteerd voorzover het de aansluiting op het gemeentelijk riool betreft. Volgens hem dienen, nu het om een niet krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vergunningplichtige lozing gaat en de onderliggende milieuvergunning geen voorschriften over dergelijke lozingen bevat, eerst voorschriften aan de milieuvergunning te worden verbonden met betrekking tot de doelmatige werking van het gemeentelijk riool, het verwijderen van slib uit dit riool, de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en de kwaliteit van het oppervlaktewater waarop deze rioolwaterzuiveringsinstallatie haar effluent loost. Aangezien dergelijke voorschriften nog niet aan de onderliggende vergunning zijn opgenomen, kan volgens verweerder de melding ten aanzien van de aansluiting op het gemeenteriool niet worden geaccepteerd.

2.6.2. De Voorzitter overweegt dat uit de stukken blijkt dat in de onderhavige inrichting eerder niet op het gemeentelijk riool werd geloosd en dat dit ook niet vergund was. Aan de milieuvergunning van 1995 zijn gelet hierop dan ook geen voorschriften met betrekking tot dit onderwerp verbonden. Gelet hierop leidt de gemelde verandering “aansluiting op het gemeentelijk riool” tot andere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Gelet hierop heeft verweerder deze verandering naar het oordeel van de Voorzitter terecht niet geaccepteerd.

2.7. Verzoekers stellen voorts dat het wederom in gebruik nemen van de langshelling bij gebrek aan goede voorzieningen zal leiden tot lozingen op het oppervlaktewater en tot bodemverontreiniging.

2.7.1. De Voorzitter overweegt dat de omstandigheid dat het wederom in gebruik nemen van de langshelling tot gevolg heeft dat geloosd wordt op oppervlaktewater, niet met zich brengt dat deze verandering leidt tot andere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Dit gevolg wordt immers geheel gereguleerd door de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en het is dan ook niet mogelijk met betrekking tot dit gevolg voorschriften te verbinden aan de vergunning krachtens de Wet milieubeheer.

2.7.2. Met betrekking tot de gestelde bodemverontreiniging overweegt de Voorzitter dat aan de milieuvergunning van 1995 voorschrift 13.1.1 is verbonden, waarin kort gezegd is bepaald dat alle plaatsen binnen de inrichting waar voor het milieu schadelijke (vloei)stoffen op of in de bodem kunnen geraken, voorzien moeten zijn van een vloeistofdichte bodemafdekking die bestand is tegen de optredende mechanische belasting en tevens bestand is tegen de betreffende (vloei)stoffen. Nu de langshelling, gelet op de activiteiten die men van plan is aldaar te ondernemen, derhalve voorzien moet zijn van een vloeistofdichte bodemafdekking, zal deze verandering in zoverre niet leiden tot andere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De Voorzitter overweegt tot slot dat andere nadelige gevolgen van het opnieuw in gebruik nemen van de langshelling niet door verzoekers zijn gesteld.

2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003

288.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon