Uitspraak 200206887/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:BH5288
- Datum uitspraak
- 2 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 oktober 2002, kenmerk 02/027754, voorzover hier van belang, heeft verweerder een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 20.000,00 per week dat voorschrift 2.1 wordt overtreden, welk voorschrift is verbonden aan de vergunning krachtens de Wet milieubeheer die bij besluit van 13 augustus 1997 aan verzoekster is verleend voor een opslag- en distributiecentrum aan de [locatie] te [plaats]. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 100.000,00. Aan het besluit is voor deze last een begunstigingstermijn verbonden van 12 weken.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200206887/2.
Datum uitspraak: 2 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2002, kenmerk 02/027754, voorzover hier van belang, heeft verweerder een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 20.000,00 per week dat voorschrift 2.1 wordt overtreden, welk voorschrift is verbonden aan de vergunning krachtens de Wet milieubeheer die bij besluit van 13 augustus 1997 aan verzoekster is verleend voor een opslag- en distributiecentrum aan de [locatie] te [plaats]. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 100.000,00. Aan het besluit is voor deze last een begunstigingstermijn verbonden van 12 weken.
Bij besluit van 15 november 2002, verzonden op dezelfde dag, voorzover thans van belang, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 16 oktober 2002 gedeeltelijk herroepen en daarvoor onder andere in de plaats appellante gelast voor
1 juni 2003 de overtreding van voorschrift 2.1 ongedaan te maken wat de opslag van koopmansgoederen betreft.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 20 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2003.
Bij brief van 20 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per telefaxbericht, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 april 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. N.M. Jonker, advocaat te Rotterdam, en [ gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door M. Merkx en A. Buijs, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Op 19 juli 1999 is het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 in werking getreden op grond waarvan verzoekster een veiligheidsrapport heeft moeten opstellen, omdat in de inrichting gevaarlijke stoffen worden op- en overgeslagen. Naar aanleiding van dit veiligheidsrapport en de in dit verband uitgevoerde inspecties is in opdracht van de brandweer een brandveiligheidsrapport opgesteld. In dit rapport is geconcludeerd dat een brand in het bedrijfsverzamelgebouw, waarin naast de onderhavige inrichting nog twee andere bedrijven zijn gevestigd, onbeheersbaar is. Op grond van het laatstgenoemde rapport heeft verweerder geconstateerd dat in de onderhavige inrichting geen aanvaardbaar niveau van brandveiligheid kon worden gewaarborgd en dat aldus sprake was van overtreding van voornoemd voorschrift 2.1.
2.3. Verzoekster voert aan dat zij afhankelijk is van de medewerking van anderen bij het beëindigen van de overtreding van voorschrift 2.1. Om een aanvaardbaar niveau van brandveiligheid in haar inrichting te kunnen waarborgen dient, aldus verzoekster, eerst een onderzoek in opdracht van verweerder te worden voltooid en aan de hand daarvan een rapport te worden opgesteld waarin de precieze overtredingen van het Bouwbesluit zullen worden beschreven en de te treffen brandbeperkende voorzieningen. De brandbeperkende voorzieningen zullen moeten worden getroffen aan het gehele gebouw waarin naast verzoekster nog andere bedrijven zijn gevestigd die daaraan hun medewerking zullen moeten verlenen. Naar de mening van verzoekster kan zij daarom niet aan de last voldoen. In dit verband voert zij ook aan dat de begunstigingstermijn te kort is, nu het rapport in het kader van het Bouwbesluit nog niet is voltooid.
2.3.1. Verweerder stelt dat in het bestreden besluit rekening is gehouden met de omstandigheid dat bij het brandveilig maken van de inrichting medewerking van de andere in hetzelfde gebouw gevestigde bedrijven nodig is door de begunstigingstermijn zo aan te passen dat de handhavingsprocedures op grond van de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit gelijktijdig zullen verlopen.
2.3.2. Ingevolge voorschrift 2.1 moet binnen de inrichting een aanvaardbaar niveau van brandveiligheid aanwezig zijn.
2.3.3. Ter zitting heeft verweerder niet weersproken dat hij ten tijde van het verlenen van de revisievergunning van 13 augustus 1997 van mening was dat in de gehele inrichting een aanvaardbaar niveau van brandveiligheid kon worden gewaarborgd. Aanleiding voor het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom was de constatering op grond van het brandveiligheidsrapport dat een brand in het gebouw waarin de inrichting is gevestigd onbeheersbaar is, zodat ook geen aanvaardbaar niveau van brandveiligheid in de inrichting kan worden gewaarborgd.
De Voorzitter stelt vast dat in voorschrift 2.1 noch in enig ander vergunningvoorschrift is gedefinieerd wat onder het begrip “aanvaardbaar niveau van brandveiligheid” wordt verstaan. Dit begrip leent zich voor invulling naar voortschrijdende milieutechnische inzichten, wat ook uit het verhandelde ter zitting is gebleken, waardoor niet duidelijk is welke maatregelen verzoekster moet treffen om aan voorschrift 2.1 te voldoen. Het in rechte onaantastbare voorschrift 2.1 is daarom rechtsonzeker.
Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de Voorzitter niet worden geconstateerd of voorschrift 2.1 ten tijde van het nemen van het besluit van 16 oktober 2002 werd overtreden, zodat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van een last onder dwangsom.
2.4. Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 15 november 2002 en 16 oktober 2002, kenmerk 02/027754, voorzover het betreft de last onder dwangsom met betrekking tot de opslag van koopmansgoederen die is opgelegd wegens overtreding van voorschrift 2.1, verbonden aan de op
13 augustus 1997 verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Delft in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Delft te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de gemeente Delft aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2003
255-372.