Uitspraak 200206477/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:166
- Datum uitspraak
- 2 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Binnengasthuisterrein e.o.".
- Voorlopige voorziening
- RO - Noord-Holland
Toon inhoud
200206477/2
Datum uitspraak: 2 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Binnengasthuisterrein e.o.".
Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 oktober 2002, kenmerk 2002-11154, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 9 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2002, beroep ingesteld.
Bij brief van 9 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2002, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 april 2003, waar verzoekers, in de persoon van [verzoekers], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, zijn verschenen.
Voorts zijn de gemeenteraad van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. C.G. van Rijk, en de Universiteit van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. M.A. Moolhuizen en ir. S.A. Bentinck, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het bestemmingsplan beoogt op het Binnengasthuisterrein in de binnenstad onder meer de vestiging van een faculteitsbibliotheek voor de Universiteit van Amsterdam mogelijk te maken.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan, voorzover hier van belang, goedgekeurd.
2.3. Verzoekers kunnen zich niet verenigen met de komst van de faculteitsbibliotheek en verzoeken in zoverre schorsing van het bestreden besluit. Zij menen dat het plan het beschermd stadsgezicht ter plaatse zal aantasten en dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve vestigingslocaties voor de faculteitsbibliotheek. Verder stellen verzoekers dat de advisering door de provinciale planologische commissie niet aan de wettelijke vereisten voldoet.
2.4. Verweerder acht het plan, voorzover hier van belang, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. In dat kader zijn zij van mening dat het plan voldoende rekening houdt met de uit de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht voortvloeiende voorwaarden.
2.5. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd met betrekking tot de advisering door de provinciale planologische commissie geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure op formele gronden zal worden vernietigd.
Verder overweegt hij dat in het kader van het overleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 de Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft opgemerkt dat een faculteitsbibliotheek binnen het kader van het plan in beginsel niet strijdig met de bedoelingen van het beschermd stadsgezicht wordt geacht. Ook heeft de vertegenwoordiger van deze dienst in de provinciale planologische commissie geen aanleiding gezien om op te merken dat de beoogde bibliotheek strijdig is met het beschermde stadsgezicht. Dit alsmede het bepaalde in de beschrijving in hoofdlijnen en de bebouwingsvoorschriften in aanmerking genomen heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat het plan wat betreft het aan de orde zijnde plandeel voldoende rekening houdt met de uit de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht voortvloeiende voorwaarden.
Tot slot is van belang dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. De Voorzitter ziet, gelet op het voorgaande, geen reden om aan te nemen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ernstige bezwaren in evengenoemde zin zich in dit geval niet voordoen.
Gelet op het vorenstaande acht de Voorzitter niet aannemelijk dat het beroep van verzoekers in de bodemprocedure ten aanzien van het aan de orde zijnde plandeel gegrond zal worden verklaard. Derhalve bestaat geen aanleiding om het bestreden besluit in zoverre te schorsen.
2.6. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Cleton w.g. Snijders
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2003
279