Uitspraak 200301550/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:173
- Datum uitspraak
- 27 mei 2003
- Inhoudsindicatie
- Het college van burgemeester en wethouders van Someren heeft bij besluit van 15 november 2002 het wijzigingsplan "1e Wijziging bestemmingsplan “Buitengebied 1998” (Nederweertseweg 3)" vastgesteld.
- Voorlopige voorziening
- RO - Noord-Brabant
Toon inhoud
200301550/2.
Datum uitspraak: 27 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Het college van burgemeester en wethouders van Someren heeft bij besluit van 15 november 2002 het wijzigingsplan "1e Wijziging bestemmingsplan “Buitengebied 1998” (Nederweertseweg 3)" vastgesteld.
Bij besluit van 14 januari 2003, kenmerk 875363/886774, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 11 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 11 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 mei 2003, waar verzoeker, in persoon en vergezeld door [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Someren, vertegenwoordigd door H.M.A. van der Linden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Verweerder heeft zich, zonder opgave van redenen, niet doen vertegenwoordigen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan voorziet in een verschuiving over 25 meter in noordelijke richting van het bestemmingsvlak “Agrarische bedrijven” betreffende het perceel [locatie] ten behoeve van de uitbreiding van bedrijfsruimte.
2.3. Verzoeker, die het pand [locatie] bewoont, voert aan dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Daartoe stelt hij dat het uitzicht vanuit zijn woning zal worden belemmerd waardoor zijn woongenot zal worden aangetast en zijn woning mogelijk in waarde zal dalen. Voorts betwist verzoeker de noodzaak van de verschuiving en stelt hij dat is uitgegaan van onjuiste feiten.
2.4. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij is met het college van burgemeester en wethouders van oordeel dat de verschuiving van het bouwblok geen onaanvaardbare verstoring van het uitzicht van verzoeker met zich brengt. Voorts stelt verweerder dat hem geen feiten bekend zijn die afbreuk zouden kunnen doen aan het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.
2.5. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt met het wijzigingsplan beoogd de bouw van een opslagruimte annex machineberging mogelijk te maken. Gelet op de specifieke bedrijfsomstandigheden wordt het wenselijk geacht dit gebouw aan de noordzijde van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing te situeren. Hetgeen verzoeker betoogt komt erop neer dat het belang bij uitbreiding van de bebouwing in noordelijke richting ten onrechte zwaarder heeft gewogen dan zijn belang bij het behoud van zijn huidige uitzicht. De Voorzitter ziet voor dit oordeel geen aanleiding. Het belang bij de gewenste uitbreidingsrichting acht hij voldoende aangetoond. Gelet op de plaats van de woning van verzoeker ten opzichte van het op te richten gebouw verwacht de Voorzitter niet dat de Afdeling in het bodemgeschil tot het oordeel zal komen dat verweerder de uitbreiding niet in redelijkheid niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen oordelen. Ook overigens ziet de Voorzitter geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit niet in stand zal kunnen blijven.
2.6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek dient te worden afgewezen
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.
w.g. Dolman w.g. De Groot
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2003
210.