Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302143/2

Uitspraak 200302143/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:177
Datum uitspraak
27 mei 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 maart 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoeker sub 2 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een bedrijf voor machinale houtbewerking gelegen op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 14 maart 2003 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302143/2.
Datum uitspraak: 27 mei 2003.

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [verzoeker sub 2], handelend onder [naam], te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Laren,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoeker sub 2 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een bedrijf voor machinale houtbewerking gelegen op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 14 maart 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoeker sub 1 bij brief van 1 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2003, en verzoeker sub 2 bij brief van 25 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij brief van 1 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2003, heeft verzoeker sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 25 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar verzoeker sub 1 in persoon, verzoeker sub 2 in persoon en bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door C.J.E. Holtslag-Sprengers en drs. M.T.J. Slenter, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [partijen], vertegenwoordigd door mr. B.J. Berton, advocaat te Zoetermeer, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In de inrichting vindt onder meer het machinaal bewerken van hout tot houten kozijnen, het spuiten van kozijnen, het opslaan van verf en verdunner en het verbranden van houtmot in een houtmotkachel plaats.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.4. Verzoeker sub 2 acht de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.1 te laag en meent dat verweerder ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de in hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) opgenomen richtwaarden voor een ‘rustige woonwijk met weinig verkeer’. Verweerder had naar zijn mening moeten aansluiten bij de in hoofdstuk 3 van de Handreiking opgenomen richtwaarden voor een ‘gemengde woonwijk, combinaties van wonen en lichte bedrijfsactiviteiten’. Verder is volgens verzoeker sub 2 door verweerder onvoldoende aangetoond dat de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn afgestemd op het referentieniveau, nu verweerder slechts één geluidmeting naar het referentieniveau heeft verricht.

Verzoekers sub 1 en sub 2 vrezen voorts dat de geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. In dit verband voert verzoeker sub 1 aan dat het nu al doen van investeringen door de timmerfabriek het doen van verdere investeringen ter tegemoetkoming aan zijn bezwaren in de toekomst bemoeilijkt. Dit klemt volgens hem temeer nu onduidelijk is of geen sprake zal zijn van een toename van de geluidbelasting in plaats van de door verweerder veronderstelde afname. Verzoeker sub 2 is van mening dat geen maatregelen kunnen worden getroffen om de gewenste geluidreductie te bewerkstelligen zonder inbreuk te maken op de aangevraagde bedrijfsvoering. Bovendien acht hij de termijn van drie maanden in het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.3 te kort om dergelijke maatregelen te treffen. Verder had verweerder volgens hem rekening moeten houden met zijn bestaande rechten en met het feit dat hij reeds in het kader van zijn vergunning krachtens de Hinderwet van 16 december 1991 een aantal voorzieningen heeft getroffen om aan de daarin opgenomen equivalente geluidgrenswaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) te voldoen. Verzoeker sub 2 stelt dat ten onrechte de maximale geluidbelasting vanwege het laden en lossen in de dagperiode niet is uitgezonderd van de in voorschrift 3.1.2 opgenomen piekgeluidgrenswaarden.

2.4.1. Verweerder is van mening dat voorschrift 3.1.1 toereikend is. Volgens verweerder bestaat er geen aanleiding af te wijken van de richtwaarden voor een ‘rustige woonwijk met weinig verkeer’, aangezien uit geluidmetingen is gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid de richtwaarden niet overschrijdt. Met betrekking tot de naleefbaarheid stelt verweerder dat uit het akoestisch onderzoeksrapport blijkt dat de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kunnen worden nageleefd, indien geen strafcorrectie voor tonaal geluid noodzakelijk is. Het is zijns inziens mogelijk om tegen redelijke kosten maatregelen te treffen die het tonale karakter aan de ventilatoren ontnemen, zodat aan de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan worden voldaan. Van strijd met bestaande rechten is zijns inziens dan ook geen sprake. Ter zitting heeft verweerder verklaard niet te weten welke maatregelen in dit verband getroffen kunnen worden.

2.4.2. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van woningen van derden niet meer zijn dan 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 3.1.2 mag onverminderd het gestelde in voorschrift 3.1.1 de maximale waarde van het geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de vorkheftruck en/of de houtbewerkingmachines, gemeten op de in dat voorschrift genoemde plaatsen, in de meterstand ‘fast’ niet hoger zijn dan 60, 55 en 50 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 3.1.3 moeten binnen drie maanden na het van kracht worden van deze beschikking maatregelen zijn getroffen die ervoor zorgen dat de inrichting voldoet aan de voorschriften 3.1.1 en 3.1.2.

2.4.3. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder wat betreft de hoogte van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4 van de Handreiking.

De door verzoeker sub 2 aangehaalde mogelijke grenswaarden voor een ‘gemengde woonwijk, combinaties van wonen en lichte bedrijfsactiviteiten’ zijn blijkens de Handreiking bedoeld als suggestie voor een gemeentelijke nota industrielawaai. Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder geen gemeentelijke nota industrielawaai heeft vastgesteld, zodat de door verzoeker aangehaalde mogelijke grenswaarden niet relevant zijn voor het onderhavige geval. Voorts is gebleken dat de inrichting is gelegen op een bedrijventerrein dat is omgeven door een woonwijk. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt minder dan 50 meter. Verweerder heeft de aard van de omgeving gekwalificeerd als ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’. Gelet op het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat de kwalificatie van de aard van de omgeving niet onjuist is. De voor een dergelijke omgeving in de Handreiking aanbevolen richtwaarden bedragen 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit de Handreiking volgt dat overschrijding van de richtwaarden mogelijk is tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Op grond van een bestuurlijk afwegingsproces kan overschrijding van het referentieniveau tot ten hoogste 55 dB(A) in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht. Het referentieniveau wordt blijkens de “Richtlijnen voor karakterisering en meting van omgevingsgeluid” (ICG-rapport IL-HR-15-01), waarnaar wordt verwezen in de Handreiking, bepaald door een enkele meting indien de omgevingsgeluidbronnen zich binnen 50 meter afstand tot het meetpunt bevinden. Nu de dichtstbijzijnde woning is gelegen op minder dan 50 meter afstand van de inrichting, gaat de Voorzitter er vooralsnog van uit dat verweerder terecht heeft volstaan met één meting van het referentieniveau en dat deze meting op juiste wijze is verricht. Gelet op het feit dat het gemeten referentieniveau de streefwaarden voor ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’ kennelijk niet overschrijdt en in aanmerking genomen de door verweerder als uitgangspunt genomen Handreiking, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestond om ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder een hoger geluidniveau aanvaardbaar te achten dan de streefwaarden voor ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’.

2.4.4. Ten aanzien van de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de gestelde termijn voor het treffen van maatregelen overweegt de Voorzitter het volgende.

Tot de aanvraag, welke blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, behoort een akoestisch onderzoeksrapport van 3 april 2002, opgesteld door Wijnia - Noorman - Partners B.V., kenmerk 6025048.R01 (hierna: het akoestisch onderzoeksrapport).

Uit tabel 3 van het akoestisch onderzoeksrapport blijkt dat de te verwachten geluidbelasting in de dagperiode op alle referentiepunten en in de avondperiode op de referentiepunten 6 en 7 de hoogte van de voorgeschreven geluidgrenswaarden overschrijdt. In de dagperiode wordt op de referentiepunten 1 tot en met 5 en 10 een toeslag van 5 dB(A) gerekend voor tonaal geluid.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder ervan uitgaat dat aan de in voorschrift 3.1.1 opgenomen geluidgrenswaarden kan worden voldaan door maatregelen aan de ventilatoren te treffen die het tonale karakter van het geluid wegnemen. Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder onvoldoende onderzocht of door het treffen van maatregelen het tonale karakter aan de ventilatoren kan worden ontnomen en of derhalve in de dagperiode op de referentiepunten 1 tot en met 5 en 10 aan de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan worden voldaan. Evenmin is bekend of, en zo ja, welke maatregelen kunnen worden getroffen die een zodanige geluidreductie bewerkstelligen dat in de dagperiode op de overige referentiepunten en in de avondperiode op de referentiepunten 6 en 7 eveneens aan de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan worden voldaan, waarbij de Voorzitter erop wijst dat op die referentiepunten de overschrijdingen geen gevolg zijn van tonaal geluid. Tot slot is niet bekend op welke termijn dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen. Gelet op het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat het besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart, alsmede met het algemene rechtsbeginsel dat eist dat een besluit met de nodige zorgvuldigheid wordt genomen.

2.4.5. Ten aanzien van de in voorschrift 3.1.2 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau (LAmax) overweegt de Voorzitter het volgende.

In afwijking van hetgeen in de vergunning krachtens de Hinderwet van 16 december 1991 was bepaald, is in het bestreden besluit geen uitzondering opgenomen voor het maximale geluidniveau dat wordt veroorzaakt door laad- en losactiviteiten. Uit de aanvraag blijkt dat een revisievergunning is aangevraagd vanwege vervanging dan wel verplaatsing van diverse machines. Verweerder heeft naar het oordeel van de Voorzitter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de inrichting aan de maximale geluidgrenswaarden kan voldoen, nu het aantal geluidbronnen niet is veranderd en geen uitzondering is opgenomen voor de laad- en losactiviteiten. Gelet hierop acht de Voorzitter het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart, respectievelijk dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.5. Gelet op het vorenstaande en op het feit dat verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven tot hernieuwde publicatie van het bestreden besluit over te gaan wegens een onvolkomenheid in de publicatie daarvan, ziet de Voorzitter aanleiding, na afweging van de betrokken belangen, het bestreden besluit in zijn geheel te schorsen.

2.6. Van proceskosten van verzoeker sub 1 die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van verzoeker sub 2 te worden veroordeeld. De Voorzitter merkt hierbij op dat de door verzoeker sub 2 opgevoerde kosten van een deskundige van BMD Advies niet voor vergoeding in aanmerking komen, reeds omdat niet is gebleken dat verzoeker sub 2 deze kosten redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Laren van 11 maart 2003;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Laren in de door verzoeker sub 2 in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 852,74, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Laren (N-H) te worden betaald aan verzoeker sub 2;

III. gelast dat de gemeente Laren (N-H) aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00 voor verzoeker sub 1 en € 232,00 voor verzoeker sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Können
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2003.

301-353.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon