Uitspraak 202104143/1/R1


Volledige tekst

202104143/1/R1.
Datum uitspraak: 14 september 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend te Amsterdam,

appellante,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Zeeburgereiland Bedrijvenstrook" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2022, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Cohen en mr. Z.P. Kruiver, rechtsbijstandverlener te Leiden, en de raad, vertegenwoordigd door drs. S. de Boer en ir. I. van Leeningen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.       Deze zaak gaat over het vaststellen bestemmingsplan "Zeeburgereiland Bedrijvenstrook" (hierna: het plan). Het plan voorziet in de ontwikkeling van de bedrijvenstrook van het Zeeburgereiland. Hierin is een oppervlakte van maximaal ongeveer 76.000 m2 voor stadsverzorgende bedrijven bestemd in maximaal milieucategorie 3.2, met ruimte voor een gebouwde "P+R", een hulpwarmtevoorziening, een zogenoemd recyclepunt, een politiebureau, perifere detailhandel en in beperkte mate horeca en sport. Op 2 juli 2020 is het Stedenbouwkundig Plan Bedrijvenstrook (hierna: het stedenbouwkundig plan) vastgesteld. Dit vormt mede het ruimtelijk kader voor dit deel van het Zeeburgereiland. Het bestemmingsplan is de juridische vertaling van dit stedenbouwkundig plan. Wat betreft de toegestane bouwhoogten is in het bestemmingsplan aangesloten bij het stedenbouwkundig plan.

[appellante] woont in de Sportheldenbuurt, onmiddellijk ten westen van het plangebied. Zij vreest dat het plan, en in het bijzonder de daarin voorziene komst van het recyclepunt, tot aantasting van haar woon- en leefklimaat leidt.

Wettelijk kader

3.       Artikel 1.38 van de planregels bevat de volgende definitie van "perifere detailhandel":

"Een voorziening in de vorm van een doe-het-zelf bouwmarkt, meubels of woninginrichting;"

Artikel 3.1, aanhef en onder e, luidt:

"De voor Bedrijf-1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

e. perifere detailhandel;

[…]."

Artikel 3.2.2, aanhef en onder j, luidt:

"Voor bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

[…]

j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding -1', geldt dat de maximale omvang van een bedrijfsunit ten hoogste 250m2 bvo bedraagt.

[…]."

Artikel 12.2.1 luidt:

"Voor zover de gronden binnen het plangebied mogen worden gebruikt voor bedrijven, zijn slechts de volgende categorieën bedrijven toegestaan:

a. voor zover de gronden binnen de bestemming Bedrijf-1 en Bedrijf-2 mogen worden gebruikt voor bedrijven, zijn uitsluitend stadsverzorgende bedrijven toegestaan voor zover deze in de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten vallen onder categorie 1 t/m 3.2.

b. bedrijven die in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid met een P3 of G3 bij de indice Verkeer zijn niet toegestaan."

Toetsingskader

4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroep op gerechtvaardigd vertrouwen

5.       [appellante] betoogt dat haar namens het college van burgemeester en wethouders is toegezegd dat het recyclepunt in zijn definitieve vorm overdekt zou worden uitgevoerd. Zij stelt dat die toezegging is gedaan tijdens de mondelinge behandeling van de bezwaarschriftprocedure over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het recyclepunt in tijdelijke vorm. Die behandeling vond plaats op 4 juni 2019. Volgens [appellante] is deze toezegging in lijn met mededelingen die vertegenwoordigers van de gemeente Amsterdam op 2 mei 2018 tijdens een bewonersbijeenkomst hebben gedaan. [appellante] wijst verder op brieven van een wethouder en een ambtenaar van de gemeente Amsterdam, waarin volgens [appellante] wordt toegezegd dat een overdekt recyclepunt wordt gerealiseerd. Zij stelt dat dit toezeggingen zijn die aan de raad kunnen worden toegerekend. Volgens [appellante] is het besluit van 21 april 2021 in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat daarin geen overkapping is geborgd. Daarnaast betoogt [appellante] dat de raad zich niet gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat een overdekt recyclepunt niet haalbaar is.

5.1.    Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe.

De Afdeling overweegt, met inachtneming van de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, en het daarin weergegeven stappenplan, dat, om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk dient te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van overheidsfunctionarissen die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

5.2.    In de aan de Afdeling toegezonden diapresentatie van de informatieavond van de gemeente Amsterdam op 28 mei 2018 over de komst van een - in eerste instantie tijdelijk - recyclepunt naar het bedrijventerrein op Zeeburgereiland, en in het bijbehorende verslag, wordt gesteld dat de ambitie bestaat om een overdekt recyclepunt te realiseren. In de brief van de wethouder van 26 juni 2018 en de brief van de ambtenaar van 14 september 2018 wordt daarbij verwezen naar een "(overdekt) afvalpunt". Uit deze brieven volgt dat van de kant van de gemeente wordt gestreefd naar een overdekking van het nieuwe recyclepunt zoals dat na het realiseren van een tijdelijke voorziening uiteindelijk vorm zal krijgen.

In een door [appellante] gedeelde opname van de bijeenkomst met de bezwaarschriftcommissie op 4 juni 2019, naar aanleiding van de vergunningverlening voor de oprichting van een tijdelijk afvulpunt op het plangebied op 26 maart 2019, is het volgende hoorbaar. Op de vraag van een bezwaarindiener zegt een ambtenaar van de gemeente over de vorm die het definitieve punt zal aannemen het volgende: "Wel ingepakt met een dak erop, waar ook zonnepanelen bijvoorbeeld op te liggen komen. Met daaromheen functies en letterlijk ook aan de straat functies, dus muren om dat ding heen, die het afschermen. Het wordt veel meer ingepakt".

Tijdens de zitting van de Afdeling heeft de raad evenwel verklaard dat nooit is bedoeld dat het definitieve recyclepunt helemaal overdekt zou worden.

5.3.    Gelet op het voorgaande is tijdens de bijeenkomst op 4 juni 2019 namens het college van burgemeester en wethouders ondubbelzinnig verklaard dat het definitieve recyclepunt in ieder geval grotendeels zou worden overdekt. De woorden "met een dak erop" kunnen immers niet anders worden begrepen. Verder had de mededeling dat het definitieve recyclepunt overdekt zou worden uitgevoerd, een stellig karakter. Er is geen enkel voorbehoud gemaakt, bijvoorbeeld in de zin dat het college zich slechts zou inspannen om te bereiken dat het recyclepunt overdekt wordt uitgevoerd.

Naar het oordeel van de Afdeling kan de namens het college gedane mededeling echter niet worden toegerekend aan de raad, die het bevoegde orgaan is waar het gaat om het vaststellen van bestemmingsplannen en daarover naar eigen inzicht dient te beslissen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat tijdens de bijeenkomst op 4 juni 2019 een besluit van het college voorlag en de betrokken medewerker van de gemeente bij die gelegenheid dan ook alleen namens het college optrad. Dit had voor [appellante] op zichzelf duidelijk kunnen zijn.

Ook als een toezegging, andere uitlating of gedraging niet kan worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan, neemt dat niet weg dat er situaties kunnen zijn waarin deze handeling moet worden betrokken bij een belangenafweging. Gelet op de hiervoor genoemde diapresentatie, de brief van de wethouder en de brief van de ambtenaar, gevoegd bij de bespreking op 4 juni 2019, is van de kant van de gemeente stellig de indruk gewekt dat het definitieve recyclepunt geheel of gedeeltelijk overdekt zou worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling had de raad dit moeten betrekken bij de belangenafweging die de raad voor de vaststelling van het bestemmingsplan heeft moeten maken. De raad heeft in dit opzicht niet mogen volstaan met de overweging dat het overdekken van het definitieve recyclepunt door milieuregels niet wordt verplicht. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

Het betoog slaagt.

Milieueffectrapportage

6.       [appellante] betoogt dat het in het plangebied toelaten van bedrijven in categorie 3.2 in strijd is met het opgestelde milieueffectrapport (hierna: het MER). Daarin is volgens [appellante] uitgegaan van maximaal milieucategorie 2 aan de voorzijde van het terrein gelegen aan de Bob Haarmslaan. Daarnaast betoogt [appellante] dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-1" ook op de meer noordelijk gelegen gronden in de bedrijfsbestemming zou moeten worden opgenomen. De Afdeling begrijpt dit betoog zo dat [appellante] ook in dat gebied wil dat er alleen bedrijvigheid komt die weinig hinder veroorzaakt, zodat de leefbaarheid van de Sportheldenbuurt gewaarborgd blijft. Een maximale omvang van een bedrijfsunit, zoals geregeld voor de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-1", moet daaraan volgens haar bijdragen.

6.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het toelaten van bedrijven in milieucategorie 3.2, en het niet opnemen van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-1" in de bestemming van de meer noordelijk gelegen gronden, niet maakt dat hij zich bij het nemen van het besluit niet mede heeft mogen baseren op het MER. De raad heeft in dat verband toegelicht dat het MER geen tekst bevat over een onderscheid in zones voor bepaalde categorieën van bedrijven voor het plangebied, maar dat wordt uitgegaan van maximaal milieucategorie 3.2. Het MER wijst voor een goede leefbaarheid op het toepassen van zogenoemde inwaartse zonering. Volgens de raad is, in lijn daarmee, in het plan gebruikgemaakt van zonering op basis van de Brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-Brochure). In de plantoelichting staat dat de kleinste afstand tussen de bedrijfsbestemmingen in het plangebied en de bestaande woningen, waaronder de woning van [appellante], ongeveer 60 meter is. Voor een bedrijf uit milieucategorie 3.2 wordt in de VNG-Brochure een afstand van 50 meter voldoende geacht om de hinder tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Aspecten als geluid, geur, stof, verkeer en veiligheid zijn in deze systematiek meegenomen.

De raad heeft verder toegelicht dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-1" een maximale omvang van een bedrijfsunit beoogt vast te leggen om ruimte te bieden voor kleinschalige bedrijvigheid en de diversiteit van bedrijvigheid te vergroten.

De Afdeling ziet in het betoog van [appellante] geen aanknopingspunten om aan de juistheid van deze toelichting door de raad te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

Woon- en leefklimaat

7.       [appellante] vreest dat het plan haar woongenot en woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten en voert in dat verband enkele beroepsgronden aan. Het gaat daarbij om verschillende aspecten, die de Afdeling hierna zal bespreken. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige finale beslechting van het geschil aanleiding om hierover al in deze tussenuitspraak een oordeel te geven. Bij dat oordeel wordt ervan uitgegaan dat het recyclepunt, overeenkomstig het bestemmingsplan zoals de raad dat op 22 april 2021 heeft vastgesteld, niet overkapt wordt uitgevoerd. De bespreking hieronder laat onverlet dat de raad de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders, zoals vermeld onder 5.3, de indruk heeft gewekt dat het afvalpunt geheel of gedeeltelijk wordt overkapt, bij zijn uiteindelijke afweging alsnog in aanmerking moet nemen.

Groene inpassing bedrijventerrein

8.       [appellante] betoogt dat de planregels onvoldoende voorzien in groenmaatregelen. Zij wenst een groenvoorziening tussen het plangebied en de ten westen daarvan gelegen Sportheldenbuurt teneinde de optische overlast van de voorziene bedrijven terug te dringen. Volgens [appellante] had er een voorwaardelijke verplichting in de planregels moeten worden opgenomen die regelt dat er een groenstrook, althans enige vorm van afscherming door middel van groen, komt en in stand blijft.

8.1.    De raad heeft in zijn verweerschrift en tijdens de zitting toegelicht dat hij veel belang hecht aan een groene inrichting van het bedrijventerrein. Met het oog daarop heeft hij voorzien in een brede groenstrook aan de oostzijde van het plangebied. Verder zijn in de artikelen 3.5 en 4.6 van de planregels voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die waarborgen dat op de bedrijfskavels minimaal 30% aan groen wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Aan de westzijde van het gebied, langs de Bob Haarmslaan, acht de raad een brede groenstrook uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk. De raad hecht echter wel aan een groene inrichting van die straat, mede ter voorkoming van visuele hinder voor de bewoners. Hij heeft toegelicht dat aan weerszijden van de watergang ter plaatse al een rij bomen is geplant. De raad heeft bovendien aangegeven aan de zijde van de bebouwing van het bedrijventerrein in nog een rij bomen te voorzien. De raad zal hiermee voorzien in een driedubbele bomenrij, zoals staat opgenomen in het stedenbouwkundig plan.

8.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat hij aan de westkant van het plangebied, anders dan aan de oostkant, geen brede groenstrook noodzakelijk acht. Daarbij wordt in beschouwing genomen dat het plangebied aan de oostzijde grenst aan het tracé van de Ringweg-Oost/A10, en het begrijpelijk is dat de raad daar een forse groene afscherming en landschappelijke inpassing wenst. Aan de westzijde wordt het plangebied daarentegen begrensd door een woonwijk. De Afdeling acht het gezien de beperkte bouwhoogtes in het plangebied en in aanmerking genomen dat alleen bedrijvigheid in lagere categorieën is toegestaan, niet onredelijk dat aan die kant wordt volstaan met een afscherming door middel van bomenrijen. Omdat de raad op de zitting heeft toegelicht de groenvoorzieningen te realiseren en niet is gebleken van belemmeringen die zich hiertegen verzetten, kan de raad onder deze omstandigheden in beginsel afzien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. In dit verband wijst de Afdeling op haar uitspraken van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2782, onder 6.4, en van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1906, onder 8.3. De Afdeling acht daarbij mede van belang dat de gemeente eigenaar is van de gronden waarop de beplanting is voorzien. Ook acht de Afdeling van belang dat de raad in zijn verweerschrift en op de zitting heeft toegelicht dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt getoetst of er voldoende groen wordt gerealiseerd bij het bouwen op de in erfpacht uit te geven kavels, zoals is geregeld in de artikelen 3.5 en 4.6 van de planregels.

Het betoog slaagt niet.

Omvang en situering recyclepunt

9.       [appellante] stelt dat de raad onvoldoende heeft uitgelegd waarom het recyclepunt een omvang van 10.000 m2 krijgt. Volgens haar is het plangebied slechts geschikt voor bedrijvigheid van 100 m2 tot 6.000 m2. Verder stelt [appellante] dat uit de planregels onvoldoende blijkt waar het voorziene recyclepunt binnen het plangebied wordt gesitueerd.

9.1.    Over de omvang van de kavel van het recyclepunt overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat in de beoogde verkaveling van het plangebied conform het stedenbouwkundig plan wordt gekozen voor variatie in verschijningsvorm, grootte van kavels en ontwikkelingsstrategie. Daarnaast heeft de raad toegelicht dat de mogelijke omvang van ongeveer 10.000 m2 volgt uit de ambitie om recyclepunten in te richten waar ook ruimte is voor educatie en een werkplaats voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Wat de situering van het recyclepunt betreft, overweegt de Afdeling dat de raad niet gehouden was de exacte locatie vast te leggen in het bestemmingsplan. Daarbij is van belang dat de systematiek van het bestemmingsplan zodanig is dat op een bepaald plandeel in beginsel verschillende types bedrijvigheid zijn toegestaan, zolang aan de voor dat deel geldende maximale categorie wordt voldaan. De Afdeling acht de keuze voor die systematiek - die overigens gebruikelijk is - niet in strijd met het recht. Overigens is in paragraaf 2.2.2 van de plantoelichting - die juridisch niet bindend is - wel aangegeven welk vlak binnen het plangebied wordt gereserveerd voor het recyclepunt. De raad heeft bovendien in een nader stuk kenbaar gemaakt wat de definitieve locatie van het recyclepunt zal worden.

Het betoog slaagt niet.

Visuele hinder algemeen

10.     [appellante] stelt dat zij zich zorgen maakt vanwege de mogelijke komst van bedrijven in milieucategorie 3.2. Zij stelt ervan uit te zijn gegaan dat zij maximaal bedrijven in milieucategorie 2 op korte afstand van de woning zou krijgen. Volgens haar kan een hogere milieucategorie leiden tot een vermindering van bezonning, uitzicht en privacy.

10.1.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich, mede gelet op de VNG-brochure en wat hiervoor is overwogen over de groene inpassing, op het standpunt mogen stellen dat de afstand van 60 meter tussen de woning van [appellante] en het plangebied in dit opzicht een aanvaardbaar woon- en leefklimaat biedt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het gaat om een stedelijke omgeving en dat in het algemeen geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Overigens is de mate van vermindering van bezonning, uitzicht en privacy niet zonder meer afhankelijk van de aanwezige milieucategorie. De Afdeling is van oordeel dat uit wat [appellante] heeft aangevoerd niet blijkt dat de visuele hinder door de met het plan toegestane bebouwings- en gebruiksmogelijkheden dermate ernstig is, dat hieraan een doorslaggevend belang had moeten worden toegekend.

Het betoog slaagt niet.

Geluidhinder

11.     Gelet op de hiervoor genoemde zorg om de mogelijke komst van bedrijven in milieucategorie 3.2 op korte afstand van haar woning, betoogt [appellante] dat zich een onevenredige toename van geluidhinder zal voordoen.

11.1.  De raad heeft toegelicht dat de mate van geluidhinder is meegenomen in de integrale categorie indeling van de VNG-Brochure.

Naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad er gelet daarop van uitgaan dat ter hoogte van de woning van [appellante] - op ongeveer 60 meter van het plangebied - wat het aspect geluid betreft sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het betoog slaagt niet.

Externe veiligheid

12.     [appellante] betoogt dat de hoogte van het zogenoemde groepsrisico bij de ontwikkeling van het plangebied met mitigerende maatregelen verlaagd dient te worden.

12.1.  De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het plangebied de externe veiligheid relevant is vanwege de ligging van een aardgastransportleiding, het transport over het water en een route voor het transport van gevaarlijke stoffen over de IJburglaan. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met dit plan de kans op een calamiteit niet wordt vergroot, nu het plan wat deze mogelijke bronnen van calamiteiten betreft niet in wijzigingen voorziet. Wel neemt de dichtheid van het gebied toe, waardoor het effect bij een calamiteit groter kan zijn. De raad heeft een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd ten aanzien van de omleidingsroute Zeeburgertunnel via Zuiderzeeweg (N18) en de hogedruk aardgastransportleiding. Verder wordt in paragraaf 4.6 van de plantoelichting meer in algemene zin ingegaan op het aspect externe veiligheid.

Wat [appellante] aanvoert geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verantwoording van het groepsrisico door de raad en aan wat de raad verder aan het plan ten grondslag heeft gelegd wat het aspect externe veiligheid betreft.

Het betoog slaagt niet. Nu wat [appellante] op dit punt aanvoert om inhoudelijke redenen geen doel treft, behoeft het betoog van de raad dat aan [appellante] in zoverre het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen, verder geen bespreking.

Volumineuze detailhandel

13.     [appellante] voert aan dat volumineuze detailhandel, zoals bouwmarkten, niet binnen het plangebied moet worden toegestaan, omdat dit ten koste gaat van lokale ontwikkelingen.

13.1.  In artikel 3.1, onder e, van de planregels zijn voorzieningen in de vorm van doe-het-zelf bouwmarkten, meubel- of woninginrichtingszaken mogelijk gemaakt. In artikel 3.4.1 van de regels is de omvang van een bouwmarkt begrensd. De raad stelt dat het autobezit in het verzorgingsgebied lager is dan gemiddeld, waardoor de consument sterker afhankelijk is van het aanbod in de omgeving. De raad heeft zich gelet daarop op het standpunt mogen stellen dat de vestiging van een bouwmarkt, meubel- of woninginrichtingswinkel op Zeeburgereiland positieve effecten heeft op de consumentenverzorging van inwoners van Zeeburgereiland en omgeving en dat aan dat aspect doorslaggevend gewicht toekomt bij het afwegen van de belangen, waaronder begrepen de door [appellante] bedoelde lokale ontwikkelingen.

Het betoog slaagt niet. In verband daarmee kan ook op dit punt in het midden blijven of aan [appellante] het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen.

Conclusie

14.     Gelet op wat onder 5.3 is overwogen, is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Opdracht aan de raad

15.     Vanwege het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om de raad met toepassing van artikel 8:51d van de Awb op te dragen binnen een termijn van 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak het onder 5.3 geconstateerde gebrek in het besluit van 22 april 2021 te herstellen. Hiertoe dient de raad het plan gewijzigd vast te stellen of nader te motiveren, waarbij in de afweging over het plan alsnog rekening wordt gehouden met de mededelingen van het college van burgemeester en wethouders dat het definitieve recyclepunt geheel of gedeeltelijk overkapt zou worden.

16.     De raad hoeft bij de voorbereiding van een eventueel gewijzigd besluit niet opnieuw afdeling 3.4 van de Awb toe te passen. De raad moet de Afdeling en [appellante] de uitkomst meedelen en een eventueel gewijzigd of een nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen.

Proceskosten en griffierecht

17.     In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Amsterdam op:

- om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het geconstateerde gebrek in het besluit van 22 april 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zeeburgereiland Bedrijvenstrook" te herstellen, en;

- de Afdeling en [appellante] de uitkomst mee te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2022

195-996