Uitspraak 202103466/1/R2


Volledige tekst

202103466/1/R2.
Datum uitspraak: 7 september 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Tilburg,

2.       [appellant sub 2], wonend te Tilburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

MVO 05 B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2022, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. G.T. van de Weerdt, rechtsbijstandverlener te Leusden, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.H.D. Elings, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door R.S. Bleijenberg, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting MVO 05 B.V., vertegenwoordigd door M. van de Werf, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet in de bouw van een studentencomplex aan het Reitseplein 15 in Tilburg. Het gebouw zal bestaan uit 450 wooneenheden, ondersteunende voorzieningen, een oppervlakte van 250 m2 voor daghoreca en 250 m2 voor een dienstverlenende functie.

Het plangebied ligt in de zogenoemde Kennisas, het gebied tussen de universiteit en het centrum van Tilburg.

[appellant sub 1A] woont aan de [locatie 1]. [appellant sub 1B] woont aan de [locatie 2]. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 3]. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aangetast door het plan.

Goede procesorde

2.       [appellant sub 2] heeft ter zitting aangevoerd dat de door de raad op 14 februari 2022 ingediende nadere stukken dusdanig omvangrijk zijn en nadere standpunten bevatten, dat het indienen daarvan op zo een korte termijn voor de zitting in strijd moet worden geacht met een goede procesorde.

2.1.    Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nieuwe argumenten worden aangevoerd en stukken, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als die argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd.

2.2.    De raad heeft op 14 februari 2022, zeven dagen voor zitting, nadere stukken ingediend. Deze stukken omvatten een brief met kaartmateriaal en enkele bijlagen, waaronder een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning, impressiefoto's en een luchtfoto. De Afdeling overweegt dat de nadere stukken van de raad een reactie omvatten op de nadere stukken die [appellant sub 2] op 4 februari 2022, elf dagen voor zitting, heeft ingediend en geen betrekking hebben op nader uitgevoerd onderzoek. Verder overweegt de Afdeling dat, anders dan [appellant sub 2] stelt, in de nadere stukken van de raad in slechts beperkte mate een nader standpunt wordt ingenomen ten opzichte van het verweerschrift van de raad. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de nadere stukken van de raad niet dusdanig omvangrijk dat [appellant sub 2] daarop ter zitting niet voldoende heeft kunnen reageren. Onder deze omstandigheden laat de Afdeling de door de raad ingediende nadere stukken  daarom niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beoordeling van de beroepsgronden

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.       [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd is met de verantwoordingsplicht uit artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), omdat de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling onvoldoende is aangetoond.

[appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] stellen dat in de plantoelichting alleen in het algemeen is verwezen naar een bestaande behoefte aan woningen, maar dat er verder geen onderzoek aan het plan ten grondslag is gelegd waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan studentenhuisvesting en de behoefte wordt afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij ook de planologische capaciteit een factor kan zijn.

Zij stellen verder dat voor de onderbouwing van de behoefte ten onrechte wordt verwezen naar de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen, vastgesteld op 9 januari 2019 door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] stellen in dit verband dat daarin is vermeld dat voor studentenhuisvesting slechts een beperkte woonopgave is. [appellant sub 2] stelt ook dat erin staat dat de studentenhuisvesting op orde is en dat de ambities van Tilburg University mogelijk binnen een aantal jaren om uitbreiding van het aantal studentenwoning vraagt, maar volgens [appellant sub 2] is niet gebleken dat deze ambities dusdanig concreet zijn geworden dat het toevoegen van 450 studentenwoningen noodzakelijk of ruimtelijk gerechtvaardigd is.

4.1.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Zoals de Afdeling in de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, heeft overwogen, is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Deze bepaling is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling.

In de toelichting op het bestemmingsplan dient, afhankelijk van de aard van de stedelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, op objectieve wijze, aan de hand van in de beschrijving vermelde voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens, de behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling te worden beschreven. In deze beschrijving dient tot uitdrukking te komen dat deze behoefte is afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij ook de planologische capaciteit een factor van belang kan zijn.

4.2.    In paragraaf 2.1.3 van de plantoelichting staat dat er een aanzienlijk tekort aan studentenhuisvesting is als gevolg van de groei van de universiteit in Tilburg en de verbreding van haar profiel. De groeibehoefte voor studentenhuisvesting is daarmee volgens de plantoelichting aanzienlijk. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee in een urgente en grote vraag binnen een bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling past ook binnen de regionale opgave om in de periode van 2017 tot 2027 ongeveer 9.600 woningen in Tilburg te realiseren.

In paragraaf 3.3 van de plantoelichting staat dat de voorgenomen ontwikkeling ook in lijn is met de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen, waarin als specifiek opgave wordt genoemd de realisatie van bijzondere woonvormen, waaronder studentenhuisvesting. De omgeving van de Universiteit/Kennisknoop en de binnenstad/Spoorzone worden genoemd als locaties waar studentenhuisvesting in eerste instantie gewenst is. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan deze opgave, aldus de plantoelichting.

4.3.    Het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De behoefte aan 450 wooneenheden voor studenten wordt in de plantoelichting gesteld, maar niet nader onderbouwd aan de hand van actuele en concrete gegevens. Over de regionale woningbouwopgave voor het realiseren van 9.600 woningen zijn geen actuele en concrete gegevens overgelegd. Dat er een regionale woningbouwopgave zou zijn om 9.600 woningen in Tilburg te realiseren, betekent op zichzelf ook niet dat er een behoefte bestaat aan 450 studentenwoningen. De enkele stelling dat er een tekort is aan studentenhuisvesting als gevolg van de groei van de Tilburg University is daarvoor onvoldoende. Bij de vaststelling van het plan is niet onderbouwd waar de gestelde behoefte uit blijkt. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat in de plantoelichting niet draagkrachtig is gemotiveerd dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte. Het plan is daarmee in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro vastgesteld. Het betoog slaagt.

Bouwhoogte

5.       [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] stellen voorts dat de maximale bouwhoogte niet passend is in de omgeving. Zij stellen dat de voorziene bebouwing het uitzicht zal domineren en het hoogteverschil met de omliggende lage bebouwing te groot is. Zij wijzen in dit verband op het gemeentelijk beleid zoals neergelegd in de Handreiking Hoogbouw Tilburg, waarin staat dat het schaalverschil en eventuele negatieve effecten moeten worden beoordeeld. [appellant sub 2] stelt dat hoogbouw volgens het gemeentelijk hoogbouwbeleid onder meer moet bijdragen aan de leesbaarheid van de stad en de reeds bestaande hoogbouw moet versterken, waarbij een hiërarchie in bouwhoogte in relatie tot stadsdelen wordt gerespecteerd. Volgens [appellant sub 2] stelt de raad ten onrechte dat het plangebied deel uitmaakt van het bestaande lint hoogbouw dat begint vanaf de torens van Achmea en eindigt bij het Westpoint gebouw. [appellant sub 2] stelt ook dat de raad ten onrechte toekomstige ontwikkelingen betrekt bij de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de maximale bouwhoogte, omdat de genoemde ontwikkelingen nog niet planologisch zijn vastgelegd.

5.1.    In de plantoelichting staat dat toepassing is gegeven aan het gemeentelijk hoogbouwbeleid zoals neergelegd in de Handreiking Hoogbouw, vastgesteld door de raad op 11 september 2017. Volgens de plantoelichting wordt voor de verantwoording van een hoogbouwontwikkeling een aantal uitgangspunten gehanteerd. Hoogbouw dient bij te dragen aan de leesbaarheid van de stad. Tevens dient er verantwoord te worden dat de hoogbouw verschijnt op een ruimtelijk relevante locatie ten opzichte van stadsdelen. Ook dient meegenomen te worden dat de ruimtelijke werking van de reeds bestaande hoogbouw versterkt wordt en dat het daarin een hiërarchie in bouwhoogte in relatie tot stadsdelen respecteert. De hoogbouw dient iconisch te zijn en moet vanuit haar individuele expressie betekenis hebben voor het gebied waarmee het in verband wordt gebracht, aldus de plantoelichting.

5.2.    Wat betreft het hoogteverschil van de voorziene bebouwing ten opzichte van andere bebouwing in de omgeving, heeft de raad toegelicht dat de Westpoint op een afstand van tenminste 412 m tot woningen van appellanten ligt en een hoogte heeft van 142 m. De voorziene bebouwing ligt op een afstand van 170 m tot deze woningen en heeft een maximale bouwhoogte van 49 m. Volgens de raad is daarmee de verhouding tussen de hoogte van de voorziene bebouwing en de afstand tot de woningen van appellanten groter ten opzichte van de Westpoint. Gelet op deze toelichting, alsmede de aanwezigheid van andere hoogbouw in de directe omgeving van het plangebied, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling het hoogteverschil ten opzichte van andere bebouwing in de omgeving van het plangebied aanvaardbaar mogen achten.

Over de vraag of de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate bijdraagt aan de leesbaarheid van de stad en de bestaande hoogbouw versterkt, geldt het volgende. In de plantoelichting staat dat de Spoorlaan richting de Hart van Brabantlaan en de Ringbaan West wordt gemarkeerd door hoogbouw in verschillende lagen. Dit is de zogenoemde Spoorzone en maakt onderdeel uit van de Kennisas. De torens van Achmea/Interpolis in het oosten van de Spoorzone markeren het begin van de hoogbouw in dit gebied. Deze lijnstructuur zet zich in de westelijke richting via de Stadsheer - dat is het stadskantoor - de Westpoint en De Reit door naar Tilburg University. De torens van Achmea/Interpolis en de Westpoint markeren de entrees naar de binnenstad vanaf het ringbaanstelsel, te weten de Ringbaan West en de Ringbaan Oost. De Stadsheer bevindt zich in het hart van de lijn tussen deze twee gebouwen en vormt daarmee volgens de plantoelichting de entree naar het front van de binnenstad. De drie torens vormen een lijn en geven de ligging van de binnenstad weer. De voorgenomen ontwikkeling is volgens de plantoelichting voorzien tussen de Tilburg University/Kennisknoop en de Spoorzone en zorgt ervoor dat de hoogbouw aan de overzijde van de Ringbaan West wordt voorgezet. Het is bedoeld als voorloper van een reeks hogere gebouwen in de westelijke helft van de Kennisas. Beoogd is een ruimtelijke relatie te leggen met de toekomstige woontorens in het naastgelegen Spoorpark, maar dit is vanwege de hoogte onderschikt aan de nabijgelegen Westpoint. De raad heeft voorts toegelicht dat er een onderscheid wordt gemaakt in hiërarchie in bouwhoogten in relatie tot de aanliggende stadsdelen. De torens van Achmea/Interpolis, de Stadsheer en Westpoint hebben een hoogte van meer dan 100 m, hebben een betekenis voor de stad als geheel en staan op prominente plekken. De torens tot 70 m markeren overgangspunten in de stad en behoren tot in ontwikkeling zijnde gebieden. De categorie daaronder betreft woontorens tot 50 m en hebben vooral betekenis voor de directe omgeving. Hiertoe behoort de in het plan voorziene bebouwing. Het markeert een plek of entree van een gebied. De voorgenomen ontwikkeling markeert volgens de raad de entree van de Reitse campus vanaf de Professor Cobbenhagenlaan.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de gegeven toelichting op het standpunt mogen stellen dat de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan de leesbaarheid van de stad en vanuit stedenbouwkundig oogpunt past binnen de omgeving. Anders dan [appellant sub 2] stelt, is geen sprake van lintbebouwing, maar is de Spoorzone een gebied waarin hoogbouw voorkomt. Dat de toekomstige ontwikkelingen binnen de Spoorzone nog niet planologisch mogelijk zijn gemaakt, betekent op zichzelf niet dat de raad niet heeft kunnen uitgaan van ruimtelijk beleid met betrekking tot de ontwikkeling van dit gebied, zoals vastgelegd in de Handreiking Hoogbouw.

Gelet op het vorenstaande overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de voorziene bebouwing uit stedenbouwkundig oogpunt passend is in de omgeving. Het betoog slaagt niet.

Bezonning

6.       [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] voeren ook aan dat het plan leidt tot een afname van bezonning en een toename van schaduw bij hun woningen. [appellant sub 2] stelt in dit verband dat uit de detailaanzichten die raad in het verweerschrift heeft opgenomen volgt dat er als gevolg van het plan schaduwhinder ontstaat bij zijn woning. Dit wijkt af van de bezonningsstudie die aan het plan ten grondslag is gelegd, waarover de raad stelt dat er geen schaduwvorming plaatsvindt bij zijn woning.

6.1.    De schaduwwerking als gevolg van het plan is onderzocht door adviesbureau Faam Architects. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Reitseplein, Tilburg. Zonnestudie" van 29 september 2020. De bezonningstudie is als bijlage 3 bij de plantoelichting gevoegd. In de bezonningsstudie is getoetst aan de zogeheten bezonningsnorm van TNO. Daarbij is gebruik gemaakt van de zogenoemde strenge norm van tenminste 3 uur per etmaal zonlicht tussen 21 januari en 22 november. Het meetpunt is het midden van de vensterbank, binnenzijde glas, 75 cm boven het vloerpeil. De conclusie van de bezonningsstudie is dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling schaduw ontstaat bij de woningen aan de Bokhamerstraat 45 tot en met 53, maar dat wordt voldaan aan de strenge norm van TNO.

In de plantoelichting staat dat volgens het gemeentelijk hoogbouwbeleid moet worden voldaan aan de zogenoemde Haagse bezonningsnorm. In afwijking van de TNO-normen is bij de Haagse bezonningsnorm de bezonning van gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. Aangezien wordt voldaan aan zowel de lichte als de strenge TNO-norm, wordt geconcludeerd dat ruimschoots wordt voldaan aan de Haagse bezonningsnorm en dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de omliggende bebouwing.

Uit de door de raad overgelegde detailaanzichten volgt dat er in de periode tussen 22 november en 21 januari schaduw ontstaat bij de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] als gevolg van het plan. Anders dan [appellant sub 2] stelt, doet dit echter niet af aan de conclusie uit de bezonningsstudie dat in de periode tussen 21 januari en 22 november wordt voldaan aan de TNO-normen en in dit geval daarmee ook aan de Haagse bezonningsnorm. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich onder verwijzing naar de bezonningsstudie terecht op het standpunt gesteld dat uit de daarin opgenomen detailaanzichten blijkt dat in de voornoemde perioden aan de TNO-norm en de Haagse bezonningsnorm wordt voldaan. Voorts overweegt de Afdeling dat de raad enige schaduwvorming in de wintermaanden bij de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Gelet op de conclusies uit de bezonningsstudie en de toelichting van de raad , heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwvorming bij de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2]. Het betoog slaagt niet.

Windhinder

7.       [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het windklimaat ter plaatse van hun woningen onevenredig door het plan wordt aangetast. Zij voeren in dit verband aan dat in het bij het plan gevoegde windhinderonderzoek geen rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden. De in het windhinderonderzoek besproken onderdoorgang komt niet terug in het plan. In het plan is ook niet verzekerd dat de in het windhinderonderzoek aanbevolen maatregelen zullen worden getroffen.

7.1.    In het rapport "Reitseplein te Tilburg; rapportage CFD-windhinderonderzoek" van 6 juli 2020, opgesteld door adviesbureau Cauberg Huygen (hierna: het windhinderonderzoek) is verslag gedaan van onderzoek naar het windklimaat in en rond het plangebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Daarin zijn drie ontwerpvarianten bezien. In de oplegnotitie "Reitseplein te Tilburg; windklimaat ten gevolge van ontwerpwijzigingen" van 1 oktober 2020, eveneens opgesteld door Cauberg Huygen", is een vierde ontwerpvariant bezien. De raad heeft toegelicht dat in het plan een U-vormig bouwvlak is opgenomen en een rechthoekig bouwvlak. Binnen de in het plan toegekende bouwvlakken geldt een maximum bebouwingspercentage van 95 en daarbinnen zijn meerdere ontwerpvarianten denkbaar. Om die reden zijn volgens de raad meerdere ontwerpvarianten bezien. Op voorhand stond immers niet vast voor welke variant zou worden gekozen. De varianten zijn beoordeeld aan de hand van de criteria voor windhinder volgens NEN 8100. Daarin wordt een onderscheid gemaakt in kwaliteitsklassen, variërend van A (goed) tot en met E (slecht), en de activiteiten "doorlopen", "slenteren" en "langdurig zitten". Voorts heeft de raad toegelicht dat de westgevel van het U-vormig bouwvlak het meest relevant is met betrekking tot de effecten van wind op de omgeving van het plangebied en dat in het windonderzoek is uitgegaan van een lengte van deze gevel van 74 m. Dit is ruimer dan de in het plan voorziene lengte van ongeveer 72 m.

De conclusie van het windonderzoek is dat het windklimaat rondom het U-gebouw overwegend in klasse A valt voor alle vier onderzochte varianten. Het windklimaat rondom de toren in het zuidoosten van het plangebied, dat tegen het U-gebouw wordt aangebouwd, valt overwegend in klasse C en D. Bij de zuidoost hoek van de toren valt lokaal een kleine zone met een slecht windklimaat van klasse E te verwachten. Bij een van de varianten is bij een onderdoorgang onder de oostelijke poot van het U-gebouw een windklimaat van klasse C en zeer lokaal klasse D te verwachten. Voor een goed windklimaat ter plaatse van het sportveld op het dak van het U-gebouw en in de doorgang tussen de U-gebouw en de toren wordt geadviseerd aldaar windschermen te plaatsen.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op het windklimaat ter plaatse van de woningen van appellanten. De raad heeft in dit kader verwezen naar het windonderzoek en een na de vaststelling van het plan opgestelde aanvullende notitie van Cauberg Huygen van 22 juni 2021. De aanvullende notitie is opgesteld naar aanleiding van het door appellanten ingestelde beroep. Daarin zijn de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het windklimaat ter plaatse van de Bokhamerstraat beschouwd. De aanvullende notitie is gebaseerd op de in het windonderzoek opgenomen gegevens. Geconcludeerd wordt dat bij de Bokhamerstraat een windklimaat in klasse A kan worden verwacht en de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op het windklimaat ter plaatse. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat uit een in de aanvullende notitie opgenomen kaart kan worden afgeleid dat een mogelijke effect op het windklimaat merkbaar is tot op een afstand van ongeveer 60 m van de Bokhamerstraat.

7.2.    Over het betoog dat in het windonderzoek geen rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden, overweegt de Afdeling dat in het windonderzoek wat betreft de westelijke gevel van het U-vormig bouwvlak rekening is gehouden met ruimere bouwmogelijkheden dan in het plan is voorzien. Voorts heeft de raad meerdere ontwerpvarianten bezien aan de hand van door Cauberg Huygen aangeleverde 3D-modellen. In twee varianten is een doorgang opgenomen tussen het U-gebouw en de toren. Ten aanzien van deze vier ontwerpvarianten heeft de raad zich onder verwijzing naar een nadere notitie van Cauberg Huygen op het standpunt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling geen gevolgen heeft voor het windklimaat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2]. In wat [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan dat standpunt te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aan de hand van de vier ontwerpvarianten rekening gehouden met een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat geen rekening is gehouden met de maximale mogelijkheden van het plan.

Voor zover [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] stellen dat in het plan niet is verzekerd dat de in het windonderzoek aanbevolen maatregelen zullen worden getroffen, overweegt de Afdeling dat in het windonderzoek ten aanzien van alle vier onderzochte varianten is geconcludeerd dat er geen onaanvaardbaar windklimaat in en rondom het plangebied valt te verwachten. Om het windklimaat in de doorgang tussen het U-gebouw, op het sportveld en op het dak van het U-gebouw te verbeteren, wordt geadviseerd om op enkele plaatsen windschermen met een hoogte van 3 meter te plaatsen en struiken, bomen en hagen aan te leggen. Voorts wordt in dat verband geadviseerd om de looproute niet te laten doorkruisen met de zuidoosthoek van de toren waar een slecht windklimaat (klasse E) te verwachten valt. De Afdeling overweegt dat ook zonder het treffen van deze maatregelen volgens het windonderzoek geen onaanvaardbaar windklimaat valt te verwachten in en rondom het plangebied en het treffen van deze maatregelen uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dus niet noodzakelijk is. Gelet daarop ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het treffen van de geadviseerde maatregelen via een voorwaardelijke verplichting in de planregels had moeten worden verzekerd.

Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat de raad voldoende heeft gemotiveerd dat het windklimaat bij de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] niet onevenredig wordt aangetast als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Het betoog slaagt niet.

Uitzicht, privacy en de horecafunctie

8.       [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] voeren aan dat de voorziene bebouwing een onaanvaardbare inbreuk maakt op hun uitzicht en privacy en daarmee het woon- en leefklimaat bij hun woningen. Vanaf het dak van een van de voorziene gebouwen en vanuit de woon- en verblijfsruimtes is er zicht op hun woningen. [appellant sub 2] stelt dat in het plan een zichtlijnenstudie ontbreekt waarmee kan worden beoordeeld in hoeverre er vanuit het hoogste gebouw zicht is op zijn woning.

Verder voeren [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] aan dat in het plan niet is geborgd dat de voorziene horeca op de begane grond zal worden gerealiseerd. Hierdoor staat het plan er niet aan in de weg om de horeca op het dak te realiseren. De ruimtelijke gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied zijn volgens hen ten onrechte niet beoordeeld.

8.1.    Aan de gronden in het plangebied is de functieaanduiding "horeca van categorie 1" toegekend.

Artikel 1.45 van de planregels luidt:

"1.45 horecacategorie 1 (Daghoreca)

Horeca inrichting, met openingstijden gerelateerd aan de winkeltijden (daghoreca), niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar: hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of dranken worden verstrekt.

Voorbeelden zijn: thee & koffie-concepten, brood & lunchconcepten, ijs & yoghurt concepten. Daarnaast zijn ook concepten zoals omschreven bij categorie III mogelijk indien de openingstijden kunnen worden beperkt."

8.2.    In de plantoelichting staat dat over het algemeen een afstand van 25 m wordt aangehouden als een maat waarbinnen gezichtstrekken te herkennen zijn. Volgens de raad is er geen sprake van een inbreuk op de privacy van omwonenden, omdat zich binnen de contour van 25 m rondom het plangebied geen woningen bevinden.

Verder heeft de raad toegelicht dat horeca van categorie 1 (daghoreca) volgens de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de VNG zodanig weinig milieubelastend voor de omgeving is dat deze aanpandig aan woningen kan worden gerealiseerd. Op basis daarvan heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de horecafunctie, ongeacht in welk deel van het gebouw dit wordt gerealiseerd, hinder zal veroorzaken op de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2]. Deze raad stelt dat deze horecafunctie, al dan niet op het dak, mede gelet op de ligging in een hoog dynamisch stedelijke omgeving en de afstand tot nabij gelegen woningen, aanvaardbaar is.

8.3.    Over het uitzichtverlies als gevolg van de toegestane bouwhoogte, overweegt de Afdeling dat aannemelijk is dat de voorziene woontoren zal leiden tot beïnvloeding van het uitzicht ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2]. Nu echter in het algemeen geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en het plangebied zich bevindt in een stedelijk gebied met hoge bebouwing in de directe omgeving ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben gesteld geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene bebouwing met maximale bouwhoogte van 49 m een onaanvaardbare inbreuk maakt op hun uitzicht.

Over de stelling van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] dat het plan hun privacy onevenredig aantast, overweegt de Afdeling als volgt. De afstand van de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] tot de voorziene bebouwing bedraagt ten minste 90 m. Daarbij gaat het om bebouwing met een maximale bouwhoogte van 34 m. De afstand tot bebouwing waarvoor een maximale bouwhoogte van 49 m geldt, bedraagt ten minste 160 m. Gelet op deze afstanden in combinatie met de maximale bouwhoogten en de ligging in een stedelijke omgeving, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de privacy ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] niet onaanvaardbaar wordt aangetast door het plan en dat een zichtlijnenstudie niet noodzakelijk is.

Wat betreft de gevolgen van de horecafunctie heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat deze functie in een stedelijke omgeving veel aanwezig is, waaronder naast woningen. Gelet op het stedelijk karakter van de omgeving van het plangebied heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de voorziene horecafunctie niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2]. De Afdeling ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen om horeca alleen op de begane grond mogelijk te maken.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan wat betreft de aspecten uitzicht, privacy en de horecafunctie niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2].  De Afdeling overweegt voorts dat het niet is uitgesloten dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] in ongunstige zin zal veranderen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de gevolgen van het vastgestelde plan echter niet onevenredig in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

9.       [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het plan leidt tot onaanvaardbare parkeerhinder bij hun woningen. Zij stellen dat de parkeerbehoefte als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet kenbaar in kaart is gebracht, dan wel is onderschat. Hierdoor voorziet het plan niet in voldoende parkeerplaatsen.

Volgens [appellant sub 2] staat in de plantoelichting dat het plan een behoefte aan 124 parkeerplaatsen genereert, maar onduidelijk is waar dit aantal op is gebaseerd. Zij stellen dat in het plan niet is geregeld hoeveel zelfstandige studio's en hoeveel onzelfstandige kamers mogelijk worden gemaakt, waardoor de parkeerbehoefte niet juist kan worden berekend. Volgens [appellant sub 2] moet op basis van de Nota Parkeernormen 2017 worden uitgegaan van een behoefte aan 135 parkeerplaatsen. Voorts stelt [appellant sub 2] dat zijn woning op een acceptabele loopafstand van het plangebied is gelegen en dat bij zijn woning gratis kan worden geparkeerd, in tegenstelling tot de openbare parkeerplaatsen naast het plangebied.

Ook is niet geborgd dat ook anderen dan bezoekers van de woningen en horecagasten gebruik kunnen maken de parkeergarage. Verder is de parkeerbehoefte voor de dienstverlenende functie niet in de beoordeling van de parkeerbehoefte betrokken.

9.1.    De raad betoogt dat het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan bespreking van deze beroepsgrond. Volgens de raad is het vanwege de loopafstand van 450 m tussen de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en het plangebied en de ligging aan de overzijde van het spoor niet aannemelijk dat zij als gevolg van het plan parkeerhinder kunnen ondervinden.

9.2.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

9.3.    De beroepsgrond van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] over het parkeren gaat over de situatie in en rondom het plangebied. Dit is een aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening, als neergelegd in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] komen op voor het belang om gevrijwaard te blijven van een inbreuk op hun woon- en leefklimaat. Vast staat dat de loopafstand tussen hun woningen aan de Bokhamerstraat en het plangebied ongeveer 450 m bedraagt. Het plangebied kan vanaf de Bokhamerstraat lopend worden bereikt door een via een brug het spoor over te steken. Naar het oordeel van de Afdeling valt niet op voorhand uit te sluiten dat bewoners en bezoekers van de in het plan voorziene wooneenheden gebruik zullen maken van parkeervoorzieningen aan of nabij de Bokhamerstraat, voor het geval de in het plan voorziene parkeergarage niet over voldoende parkeerplaatsen beschikt. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de normen waar [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] zich op beroepen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

Dit betekent dat artikel 8:69a van de Awb niet eraan in de weg staat om het besluit te vernietigen vanwege de beroepsgrond van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] over het aspect parkeren. Deze beroepsgrond zal daarom inhoudelijk behandeld worden.

9.4.    Artikel 11.2.1 van de planregels luidt: "11.2.1 Parkeren

a. Ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen dient in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig te zijn;

b. Hierbij moet worden voldaan aan de bij parkeernormen en rekenmethode, zoals neergelegd in de nota "Parkeernormen Tilburg 2017". Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen en rekenmethode;

c. De onder a. bedoelde plaatsen voor het stallen van voertuigen moeten afmetingen hebben die afgestemd zijn op gangbare (motor)voertuigen, zoals neergelegd in de nota "Parkeernormen Tilburg 2017". Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen."

9.5.    De in het plan toegekende bestemming "Wonen - Gestapeld" en de aanduiding "parkeergarage" maakt de aanleg van (half)verdiepte parkeervoorzieningen mogelijk, inclusief bijbehorende bovengrondse bouwwerken, zoals in- en uitritten, in- en uitgangen, trappenhuizen, liften en hellingbanen.

In de plantoelichting, par. 3.7.4, staat dat in de nota "Parkeernormen Tilburg 2017, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg bij besluit van 14 november 2017, de binnen de gemeente geldende parkeernormen en berekeningsmethode zijn neergelegd. Bij het hanteren van deze parkeernormen wordt uitgegaan van een minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient volgens de plantoelichting bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is vereist minimaal te worden gerealiseerd. De parkeernormen zijn ontleend aan de parkeerkencijfers van het CROW. In de plantoelichting staat dat de parkeernorm voor studentenwoningen van toepassing is. Bij studentenwoningen bestaat het overgrote deel van de parkeervraag uit bezoekersparkeren. Om die reden is het van belang dat de parkeerplaatsen ook toegankelijk zijn voor bezoekers. Na het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning zal worden getoetst aan de geldende parkeernormen en wordt gecontroleerd of ook het bezoekersaandeel kan worden opgevangen in de beoogde parkeergarage, aldus de plantoelichting. De raad heeft toegelicht dat bij het vaststellen van het plan voor de 450 wooneenheden is uitgegaan van een norm van 0,3 parkeerplaatsen per wooneenheid. De raad heeft berekend dat voor de bewoners 44 parkeerplaatsen nodig zijn, voor de bezoekers van woningen 88 parkeerplaatsen en voor de horecafunctie 12,5 parkeerplaatsen. Bij volledig dubbelgebruik - waarbij de garage toegankelijk is voor zowel bezoekers van de wooneenheden als horecagasten - zijn volgens de raad totaal 124 parkeerplaatsen nodig.

9.6.    Voor zover [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] stellen dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen, overweegt de Afdeling dat de raad aan de hand van de parkeernormen terecht een behoefte aan 124 parkeerplaatsen heeft toegekend aan de voorgenomen ontwikkeling. De raad heeft daarbij kunnen uitgaan van dubbelgebruik van parkeerplaatsen door bezoekers van de woningen en de horecafunctie. De parkeernormen bieden daartoe de mogelijkheid. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet de berekening van de parkeerbehoefte aan de in de parkeernormen opgenomen rekenmethode. Verder overweegt de Afdeling dat artikel 11.2.1 van de planregels ertoe verplicht om ervoor te zorgen dat in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is, waarbij moet worden voldaan aan de parkeernormen en rekenmethode zoals neergelegd in de nota "Parkeernormen Tilburg 2017" ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling voldoende verzekerd dat het plan voorziet in de parkeerbehoefte die het plan genereert en dat kan worden voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente. De Afdeling acht hierbij van belang dat, zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, het plan ruimte biedt om meer dan 124 parkeerplaatsen aan te leggen, mocht dat nodig zijn.

Over de stelling dat niet is geborgd dat anderen bezoekers en horecagasten gebruik kunnen maken van de parkeergarage, heeft de raad toegelicht dat dat bezoekers en gasten zich kunnen melden bij de slagboom en vervolgens toegang kunnen krijgen. De Afdeling overweegt dat de wijze waarop toegang tot de parkeergarage wordt verleend geen betrekking heeft op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure in beginsel niet aan de orde komen. Gelet daarop heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om de wijze van toegang tot de parkeergarage in de planregels te borgen.

Voorts heeft de raad in de berekening van de parkeerbehoefte van 124 parkeerplaatsen geen rekening hoeven houden met de parkeervraag van bezoekers van de dienstverlenende functies, niet zijnde de horecafunctie, omdat wat betreft parkeerdrukte is uitgegaan van een worst case scenario, te weten zaterdagavond. Op dat moment vindt er geen dienstverlening plaats.

Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat de raad het standpunt dat het plan ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeerhinder voldoende gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

Begripsbepaling voor studentenhuisvesting

10.     [appellant sub 2] betoogt dat artikel 3.1.1, aanhef en onder a, van de planregels, in samenhang gelezen met artikel 1.72 van de planregels niet handhaafbaar is. Hij stelt in dit verband dat niet aannemelijk is dat gecontroleerd wordt of een bewoners daadwerkelijk voltijd aan de universiteit, hogeschool of mbo-opleiding studeert. In de plaats hiervan had volgens [appellant sub 2] in het plan moeten worden opgenomen dat enkel personen mogen worden gehuisvest als er gebruikt wordt gemaakt van een zogenoemd campuscontract, waarin is bepaald dat de woning alleen mag worden verhuurd aan studenten die ingeschreven zijn bij een onderwijsinstelling.

10.1.  Artikel 1.72 van de planregels luidt: "studentenhuisvesting: Woningen bestemd voor personen die voltijd studeren aan universiteit, hogeschool of MBO opleiding".

Artikel 3.1.1, aanhef en onder a, luidt: "De voor "Wonen - Gestapeld" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, met dien verstande dat er uitsluitend sprake is van gestapelde studentenhuisvesting."

10.2.  De raad heeft toegelicht dat MVO van potentiële huurders een bewijs van inschrijving bij een onderwijsinstelling zal verlangen alvorens hen een huurovereenkomst aan te bieden. In de huurovereenkomst zal volgens MVO worden bepaald dat periodiek gecontroleerd mag worden of de huurder nog is ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Of toekomstige bewoners daadwerkelijk voltijd studeren aan een onderwijsinstelling betreft naar het oordeel van de Afdeling een kwestie van handhaving die in deze procedure over het besluit tot vaststelling van dit plan niet aan de orde kan komen.

Het betoog slaagt niet.

Bouwschade

11.     [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] vrezen voor schade aan hun woningen als gevolg van de bouwwerkzaamheden.

11.1.  Voor zover [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] vrezen voor schade aan hun woningen als gevolg van de bouwwerkzaamheden, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure in beginsel niet aan de orde komen. Dat is alleen anders als de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien hij op voorhand had moeten inzien dat het plan vanwege de bouwwerkzaamheden en de daardoor te verwachten schade financieel niet uitvoerbaar zou zijn. Daarvan is niet gebleken. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het plan vanwege de schade als gevolg van bouwwerkzaamheden financieel niet uitvoerbaar zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

12.     Gelet op hetgeen onder 4.3 van deze uitspraak is overwogen, is het besluit tot vaststelling van het plan genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

13.     De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Finale geschilbeslechting

14.     De raad heeft de stelling dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte in het verweerschrift nader onderbouwd.

De Afdeling zal uit een oogpunt van finale geschilbeslechting beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit van 8 april 2021 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, in stand kunnen worden gelaten.

14.1.  In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat het college van burgemeester en wethouders van Tilburg op 10 november 2020 het "Convenant Studentenhuisvesting Tilburg 2020-2025" (hierna: het convenant) heeft vastgesteld. In het convenant zijn door de gemeente Tilburg, onderwijsinstellingen, woningcorporaties en de Studentenraad Tilburg de tussen hen gesloten afspraken vastgelegd met betrekking tot de groeiopgave voor studentenhuisvesting in de gemeente Tilburg in de periode tussen 2020 en 2025. Aan het convenant is de "Memo huisvestingsbehoefte" van 2 oktober 2020, opgesteld door Tilburg University, als bijlage gevoegd. In de memo zijn de verwachte ontwikkelingen en groeiprognoses van onderwijsinstellingen in de periode van het collegejaar 2017-2018 tot en met 2024-2025 uiteengezet. Op basis van de verwachte groei van Tilburg University is er volgens de memo een extra behoefte aan 2.500 studentenwoningen. Anderzijds wordt er een afname van het aantal studenten aan hogescholen verwacht, waardoor de behoefte aan studentenwoningen naar verwachting met 600 afneemt. De behoefte aan studentenwoningen komt daarmee volgens de memo uit op totaal 1.900 in het collegejaar 2024-2025. In de memo staat verder dat er binnen gemeente Tilburg een plancapaciteit is voor ongeveer 1.300 studenteneenheden, waarvan 130 studenteneenheden inmiddels zijn opgeleverd. De raad heeft toegelicht dat de in het plan voorziene 450 studenteneenheden behoren tot de plancapaciteit van 1.300 studenteneenheden. In het convenant is vastgelegd dat partijen ernaar streven om 1.900 wooneenheden voor studenten te realiseren in de periode van 2020 tot en met 2024.

14.2.  [appellant sub 2] voert aan dat er geen kwantitatieve behoefte is aan 450 studenteneenheden. Hij stelt in dit verband dat de 1.300 studenteneenheden in de plancapaciteit reeds zijn gerealiseerd en een woningcorporatie daarnaast de intentie heeft uitgesproken om 380 eenheden te realiseren. Dan resteert er een kwantitatieve behoefte aan 220 studenteneenheden. Bovendien is bij de groeiprognoses geen rekening gehouden met de gevolgen van de coronapandemie.

Verder voert [appellant sub 2] aan dat er geen kwalitatieve behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. Volgens hem blijkt uit het convenant dat met name behoefte is aan onzelfstandige kamers voor studenten onder de 23. Het plan maakt ook studio's mogelijk, waar volgens het convenant geen kwalitatieve behoefte voor is.

14.3.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan voorziet in een behoefte om studentenhuisvesting mogelijk te maken en niet leidt tot leegstand die vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is. Het plan was ten tijde van de vaststelling van het convenant in voorbereiding. De stelling van de raad dat de in het plan voorziene 450 studenteneenheden behoren tot de plancapaciteit van 1.300 eenheden acht de Afdeling daarom aannemelijk. De stelling van [appellant sub 2] dat deze 1.300 eenheden reeds zijn gerealiseerd, is niet onderbouwd. De Afdeling volgt [appellant sub 2] niet in zijn stelling dat bij het bepalen van de harde plancapaciteit rekening moest worden gehouden met een in het convenant vastgelegde intentie van een woningcorporatie om 380 extra studenteneenheden te realiseren. Niet gebleken is dat er een ander bestemmingplan in voorbereiding is dat in die ontwikkeling voorziet. Nu er in ieder geval ruimte is voor 600 extra studenteneenheden, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet voorziet in een kwantitatieve behoefte. Verder ziet de Afdeling ook geen grond voor het oordeel dat raad zich niet op het convenant heeft mogen baseren vanwege de omstandigheid dat de gevolgen van de coronacrisis voor het onderwijs daarin niet in kaart zijn gebracht. De raad heeft zich in dit verband op het standpunt mogen stellen dat er door de coronapandemie een tijdelijk dip is geweest in de behoefte aan studentenwoningen, maar dat dit geen effect heeft op de langetermijnopgave.

De omstandigheid dat in het convenant staat dat het wenselijk is om de resterende opgave van 600 studenteneenheden in te vullen met zelfstandige eenheden en beschikbaar te stellen aan studenten onder de 23 jaar maakt, anders dan [appellant sub 2] stelt, niet dat in kwalitatief opzicht geen behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. De raad heeft toegelicht dat het aandeel zelfstandige eenheden in de plancapaciteit van 1.300 eenheden ertoe leidt dat bij nieuwe plannen extra aandacht moet worden gevraagd voor onzelfstandige eenheden. In wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stelen dat het plan niet voorziet in een kwalitatieve behoefte.

14.4.  Gelet op het voorgaande heeft de raad met de beschrijving in het verweerschrift, de verwijzing naar het convenant en de onderliggende memo en de toelichting ter zitting alsnog voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Daarmee heeft de raad het hiervoor onder 4.3 van deze uitspraak geconstateerde gebrek hersteld. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het besluit van 8 april 2021 in stand blijven. Dit betekent dat het plan in stand blijft.

Proceskosten

15.     De raad moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de gemeente Tilburg van 8 april 2021 waarbij het bestemmingsplan "Reit 2007, 7e herziening (Reitseplein 15)" is vastgesteld;

III.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II. vermelde besluit in stand blijven;

IV.      veroordeelt de raad van de gemeente Tilburg tot vergoeding in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tot een bedrag van € 1.518,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. bij [appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.518,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.       gelast dat de raad van de gemeente Tilburg aan:

a. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,- vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. bij [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.K. El-Wanni, griffier.

w.g. Uylenburg
lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2022

911