Uitspraak 202101415/1/R4


Volledige tekst

202101415/1/R4.

Datum uitspraak: 31 augustus 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 19 januari 2021 in zaak nr. 20/851 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2019 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het vellen van een zomereik en een beuk op het perceel [locatie] in Driebergen-Rijsenburg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 januari 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2022, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, rechtsbijstandverlener bij VvAA rechtsbijstand te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door K. van der Veen en D. van der Vegt, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is eigenaar van het perceel. Het college heeft geweigerd om op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), in samenhang met artikel 2, eerste lid, en artikel 4, tweede lid, van de Bomenverordening Utrechtse Heuvelrug 2013 (hierna: de bomenverordening), een omgevingsvergunning te verlenen voor het vellen van de zomereik en de beuk op het perceel. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat het een zwaarder gewicht toekent aan de waarden genoemd in artikel 4 van de bomenverordening voor het behoud van de bomen dan aan het belang van de door [appellant] genoemde verkeersveiligheid.

[appellant] is het niet eens met de weigering. Hij meent dat het college het belang van de verkeersveiligheid zwaarder had moeten laten meewegen in zijn belangenafweging.

2.       Ter zitting heeft [appellant] te kennen gegeven dat hij alleen nog een omgevingsvergunning wil voor het vellen van de zomereik. Het hoger beroep gaat daarom alleen over de zomereik en niet over de beuk.

De belangenafweging van het college

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning voor het vellen van de zomereik heeft mogen weigeren. Daartoe voert hij aan dat, ondanks het waardevolle karakter van de boom, de verkeersveiligheid noopt tot het vellen ervan. Volgens [appellant] staat de zomereik zo dicht bij de N225 dat er onvoldoende zicht op het verkeer op die weg bestaat wanneer hij de uitrit bij zijn woning verlaat. Daarbij voert [appellant] aan dat hij met het overgelegde rapport "Hoofdstraat Driebergen; analyse uitzicht vanaf uitrit" (hierna: het verkeerskundig rapport) van De Verkeersdeskundige van 11 mei 2020, heeft aangetoond dat de zomereik zorgt voor een verkeersonveilige situatie bij het verlaten van zijn uitrit, onder meer omdat niet wordt voldaan aan de CROW-richtlijnen die gaan over de zichtafstanden bij gebiedsontsluitingswegen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de CROW-richtlijnen alleen zijn bedoeld voor nieuwe verkeerssituaties, terwijl het in deze zaak gaat om een bestaande situatie. Ook voert [appellant] aan dat het alternatief om de uitrit te verplaatsen of de coniferen te verwijderen uit oogpunt van verkeersveiligheid te weinig soelaas biedt.

3.1.    Artikel 2, eerste lid, van de bomenverordening luidt:

"Het is verboden zonder vergunning (omgevingsvergunning) van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen."

3.2.    Artikel 4, tweede lid, van de bomenverordening luidt:

"Een vergunning wordt onder verwijzing naar beleidsregels geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

a. natuurwaarden;

b. milieuwaarden;

c. landschappelijke waarden;

d. cultuurhistorische waarden;

e. waarden van stads- en dorpsschoon;

f. waarden voor recreatie en leefbaarheid."

3.3.    Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting te kennen gegeven dat het belang van de verkeersveiligheid niet zwaarder weegt dan het behoud van de zomereik. Het college heeft het door [appellant] overgelegde verkeerskundig rapport laten beoordelen door zijn verkeersdeskundige en heeft die verkeersdeskundige gevraagd naar de toepassing van de CROW-richtlijnen over de zichtafstanden. Deze verkeersdeskundige heeft volgens het college opgemerkt dat het wegbeeld van de N225 optisch wordt versmald door de bomen die langs de weg staan, wat een gunstige invloed heeft op het snelheidsgedrag. Het kappen van de zomereik kan volgens deze verkeersdeskundige daarom tot gevolg hebben dat de snelheid op de N225 toeneemt, waardoor de verkeersveiligheid bij het op- en afrijden van de uitrit niet zal verbeteren. Volgens het college hoeven de betreffende CROW-richtlijnen verder niet in bestaande situaties te worden nageleefd en zijn alleen de geldende normen en eisen op het moment van aanleggen van de uitrit van toepassing.

3.4.    Niet in geschil is dat het behoud van de zomereik in het belang is van de natuurwaarden, milieuwaarden en landschappelijke waarden zoals genoemd in artikel 4, tweede lid, van de bomenverordening. De zomereik is daarom aan te merken als een waardevolle boom.

3.5.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op basis van de door hem in het bestreden besluit gegeven motivering de omgevingsvergunning voor het vellen van de zomereik heeft mogen weigeren. Ook heeft het college bij zijn besluitvorming de belangen niet zorgvuldig gewogen. Hiertoe acht de Afdeling het volgende van belang. De door [appellant] aangedragen verkeerskundige bezwaren zijn beoordeeld door de bij de gemeente in dienst zijnde bomendeskundige. Niet is gebleken dat in het stadium van de besluitvorming ook een verkeerskundige beoordeling is gemaakt. Daarnaast had het door [appellant] ingebrachte verkeerskundig rapport voor de rechtbank, zonder concrete reactie daarop van het college, aanleiding moeten zijn om te twijfelen aan de door het college gemaakte afweging en gegeven motivering. Hierbij betrekt de Afdeling ook dat de CROW-richtlijnen over de zichtafstanden weliswaar zijn bedoeld voor nieuwe verkeerssituaties, maar dat dat niet betekent dat aan die richtlijnen in het geheel geen betekenis meer toekomt.

Het betoog slaagt.

Conclusie hoger beroep

4.       Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van [appellant] gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen en verder overweegt de Afdeling als volgt.

Instandlating rechtsgevolgen?

+

5.       De Afdeling zal hierna bezien of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij merkt daarover het volgende op.

5.1.    Ter zitting van de Afdeling heeft het college, met verwijzing naar de opmerkingen van de ter zitting aanwezige verkeersdeskundige, voor het eerst gereageerd op het door [appellant] ingebrachte verkeerskundig rapport en een nadere toelichting gegeven op de verkeerssituatie. Daarbij heeft het college erkend dat er bepaalde risico’s zijn bij het verlaten van de uitrit, maar dat die risico’s niet zo ver gaan dat sprake is van een verkeersonveilige situatie. In dat kader vindt het college van belang dat er op een dag ongeveer zes verkeersbewegingen bij de uitrit zijn, wat leidt tot maar zes mogelijke conflictmomenten op een dag. Het college heeft verder over die verkeersbewegingen toegelicht dat het afslaan naar rechts, vanwege voldoende zicht van links, en het oprijden van de uitrit vanaf de N225 geen verkeersonveilige situatie oplevert. Problemen met de verkeersveiligheid doen zich volgens het college alleen voor bij het afslaan naar links, omdat dan, vanwege beperkt zicht van rechts, eerst een stukje de N225 op moet worden gereden om te zien of er verkeer aan komt. Dit probleem zou volgens het college kunnen worden verholpen door het plaatsen van een verkeersspiegel aan de overkant van de N225. Daarbij heeft het college, met verwijzing naar de ter zitting gegeven toelichting van de verkeersdeskundige, te kennen gegeven dat, hoewel de snelheid van toekomend verkeer via die spiegel niet altijd goed is in te schatten, [appellant] in ieder geval wel kan zien of er verkeer aankomt. Het college heeft ter zitting verder te kennen gegeven ook mee te willen werken aan het plaatsen van een verkeersspiegel.

5.2.    De Afdeling is van oordeel dat het college met onder meer de verwijzing naar de toelichting van zijn verkeersdeskundige op de zitting, alsnog een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en voldoende heeft gemotiveerd waarom het behoud van de boom zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij de vergroting van de verkeersveiligheid. Daarbij is van belang dat de zomereik, zoals hiervoor onder 3.4 is geconstateerd, om meerdere redenen een waardevolle boom is en dat het college alsnog afdoende is ingegaan op het verkeerskundig rapport en daarbij heeft gemotiveerd waarom de verwijzing naar de CROW-richtlijnen niet noopt tot een andere afweging. De Afdeling neemt hierbij in ogenschouw dat met het plaatsen van de verkeersspiegel aan de overkant van de N225 de zichtsituatie ter plaatse en daarmee de verkeersveiligheid kan worden bevorderd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten.

Proceskosten

6.       Het college moet de proceskosten vergoeden. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor het opstellen van het rapport "Hoofdstraat Driebergen; analyse uitzicht vanaf uitrit" van 11 mei 2020 door De Verkeersdeskundige, waarvoor hij een factuur heeft overgelegd van 11 mei 2020. Daarin staat dat de deskundige in totaal acht uur bezig is geweest met het opstellen van het rapport, wat de Afdeling niet onredelijk acht. Voor het opstellen van rapporten door deskundigen geldt een maximaal uurtarief van € 129,63. De totale kosten voor het rapport van De Verkeersdeskundige worden daarmee vastgesteld op € 1.037,04.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 19 januari 2021 in zaak nr. 20/851;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug van 16 januari 2020, kenmerk HZ_WABO-19-0800, gegrond;

IV.      vernietigt dat besluit;

V.       bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.073,04, waarvan € 3.036,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loo

Griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2022

418-991