Uitspraak 200301675/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:183
- Datum uitspraak
- 22 mei 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Wûnseradiel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Keatsmorra".
- Voorlopige voorziening
- RO - Friesland
Toon inhoud
200301675/2.
Datum uitspraak: 22 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats], en anderen
en
het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Wûnseradiel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Keatsmorra".
Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 januari 2003, kenmerk 510402, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 14 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2003, beroep ingesteld.
Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 mei 2003, waar verzoekers, vertegenwoordigd door [verzoeker], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. D.D. Jansen, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Wûnseradiel daar gehoord, vertegenwoordigd door mr. S. Lemstra.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan heeft betrekking op het zuidwestelijke deel van het dorpsgebied Exmorra en voorziet onder meer in een nieuwe woonbuurt.
Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit het plan grotendeels goedgekeurd.
2.3. Verzoekers kunnen zich niet verenigen met de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", en de aanduidingen "te bebouwen erven" en "ontsluiting", dat ten zuiden van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden" is voorzien. Zij wijzen erop dat als gevolg van een veertiental woningen een speelveld voor kinderen verloren gaat en er geen andere veilige speelplaatsen in de omgeving aanwezig zijn. Ook wijzen zij op een alternatieve locatie voor een deel van de woningen.
Verder hebben verzoekers in het bijzonder bezwaar tegen de vier voorziene woningen ten westen van hun woningen, tegen de bouw van schuttingen met een maximale hoogte van 3 meter en het verlies van enkele parkeerplaatsen. Zij vrezen als gevolg hiervan een aantasting van hun woon- en leefklimaat.
2.4. Ten aanzien van de noodzaak van de bouw van veertien woningen, overweegt de Voorzitter dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is af te leiden dat deze bouw past in het gemeentelijk woningbeleid dat voor de kern Exmorra is ontwikkeld.
Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de in de omgeving beschikbare speelvoorzieningen voor kinderen zodanig ondoelmatig en onveilig zijn, dat het behoud van het door verzoekers aangeduide speelveld achter hun woningen zwaarder moet wegen dan de bouw van de woningen.
Voorts wijst de Voorzitter erop dat naar constante rechtspraak aan een vrij uitzicht geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. In dit verband is van belang dat de afstand tussen de vier voorziene woningen en hun woningen blijkens de plankaart ongeveer 25 meter bedraagt hetgeen op zich niet is aan te merken als een onaanvaardbare korte afstand tussen woningen. Voor zover verzoekers wijzen op de mogelijkheid van de bouw van schuttingen, overweegt de Voorzitter dat ingevolge artikel 4, derde lid, onder e, van de planvoorschriften voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de bepaling geldt dat de bouwhoogte op tuinen en ervan ten hoogste 3 meter mag bedragen. Verweerder heeft terecht gesteld dat dit geen ongebruikelijke bepaling is.
Met betrekking tot het mogelijk verlies aan parkeerplaatsen is de Voorzitter vooralsnog niet gebleken dat in het betrokken plandeel daarin niet kan worden voorzien.
Voor zover verzoekers wijzen op een alternatieve locatie voor een deel van de woningen, overweegt de Voorzitter dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.
Gezien het vorenstaande is de Voorzitter vooralsnog van oordeel dat er geen gronden zijn voor de verwachting dat in de bodemprocedure geoordeeld zal worden dat het bestreden plandeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Mitsdien ziet de Voorzitter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. Van Onselen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2003
178-418.