Uitspraak 202106741/1/R3


Volledige tekst

202106741/1/R3.
Datum uitspraak: 24 augustus 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Haaksbergen,

2.       [appellant sub 2], wonend te Enschede,

3.       [appellant sub 3], wonend te Enschede,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Enschede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Leuriks Oost 2020"  vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2022, waar [appellant sub 3] en [appellant sub 2], voor wie [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door V.G. van Pesch, T. Dragtstra en M.G. Olthuis, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet in het planologische kader voor de realisatie van de toekomstige woonwijk Leuriks Oost met in totaal 74 woningen. Het plangebied bevindt zich tussen de Keppelerdijk, de Oostweg en de Gronausestraat te Enschede.

2.       [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] kunnen zich om verschillende redenen niet met het plan verenigen. [appellant sub 1] is eigenaar van een bosperceel dat aan drie kanten wordt omgeven door het plangebied. Hij kan zich niet met het plan verenigen omdat dit tot een aantasting van de op zijn perceel aanwezige natuurwaarden zou leiden. [appellant sub 2] woont aan de [locatie A], direct ten zuidwesten van het plangebied, en kan zich niet verenigen met het plan omdat dit leidt tot een verstoring van de natuurlijke waarden in de omgeving en omdat de voorgestane bebouwing afbreuk doet aan de landschappelijke kwaliteit. Daarnaast vreest hij voor wateroverlast als gevolg van de ophoging van de gronden in het plangebied. [appellant sub 3] woont aan de [locatie B] op korte afstand van het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met de gekozen ontsluitingsroute van de toekomstige woonwijk via de Keppelerdijk.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Het beroep van [appellant sub 1]

Natuurwaarden

4.       [appellant sub 1] betoogt dat het plan leidt tot een aantasting van beschermde natuurwaarden en een verstoring van beschermde diersoorten. In dit verband wijst hij erop dat zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Lonneker, sectie AA, nummer 1817, na de uitvoering van het plan aan drie kanten zal worden omgeven door het plangebied. Volgens [appellant sub 1] ligt aan de constatering dat het plan geen aantasting van beschermde natuurwaarden en een verstoring van beschermde soorten tot gevolg zou hebben onvoldoende onderzoek ten grondslag. [appellant sub 1] wijst in dit kader ook op de resultaten uit het rapport "Natuuronderzoek loofbos Leuriks-Oost Enschede van Schröder van 2 juli 2022 (hierna: de second-opinion). Daaruit blijkt volgens [appellant sub 1] dat er op zijn perceel bijzondere natuurwaarden aanwezig zijn die worden aangetast door de zich steeds verder ontwikkelende verstedelijking in de omgeving.

[appellant sub 1] voert verder aan dat het plan volgens hem tot significante negatieve gevolgen leidt voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Het rekenmodel AERIUS, dat wordt gebruikt om deze deposities te berekenen, kan volgens hem niet worden toegepast omdat daarin te grote foutmarges zitten.

- Gebiedsbescherming

4.1.    Artikel 2.7, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) luidt:

"Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8."

Artikel 2.8, eerste lid, luidt:

"Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied."

Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

4.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

4.3.    Een natuurlijk persoon kan in rechte niet opkomen voor een algemeen belang. Indien een natuurlijk persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen.

De individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.

4.4.    De afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden "Aamsveen" en "Dinkelland" bedraagt ruim 2 km. De Afdeling is van oordeel dat gelet op deze afstand geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen het individuele belang van Hessenlink en het algemene belang van gebiedsbescherming dat de Wnb beoogt te beschermen. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1]. Om die reden ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van het betoog.

- Soortenbescherming

4.5.    Over het betoog dat het plan leidt tot een aantasting van beschermde natuurwaarden op het perceel van [appellant sub 1], overweegt de Afdeling als volgt.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Maar de raad mag het plan niet vaststellen indien en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

4.6.    In paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting is ingegaan op de gevolgen van de uitvoering van het plan voor beschermde planten- en diersoorten, onder verwijzing naar de Quickscan "Natuurwaardenonderzoek Leuriks-Oost Enschede in het kader van de Wet natuurbescherming" van Natuurbank Overijssel van 1 mei 2020, geactualiseerd op 23 september 2020 (hierna: de quickscan). Daarin staat dat in één van de te handhaven groenzones rondom de woningbouwlocatie een buizerdnest is aangetroffen. Op die locatie is een bouwkavel geschrapt. Ook is daar afgezien van het aanleggen van wandelpaden. Om te verzekeren dat het plan kan worden uitgevoerd zonder het buizerdnest te verstoren, is een ecologisch werkprotocol opgesteld dat deel uitmaakt van de bijlagen bij de plantoelichting. Daarnaast is er aanvullend onderzoek gedaan naar een poel in het zuidoosten van het plangebied waar de kamsalamander is aangetroffen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Aanvullend onderzoek kamsalamander Leuriks-Oost Enschede" van Natuurbank Overijssel van 9 juni 2021. Uit die notitie volgt dat de voorgenomen activiteiten in dat deel van het plangebied voorzien in het versterken van het leefgebied van de kamsalamander. Indien zorgvuldig wordt gewerkt door middel van een ecologisch werkprotocol kan worden voorkomen dat volwassen dieren worden gedood en dat vaste rust- of verblijfsplaatsen worden verstoord. In de notitie wordt daarnaast als aanbeveling gedaan om de kamsalamanderpoel over een oppervlakte van 30% tot ongeveer een halve meter uit te diepen omdat er een reële kans bestaat dat de poel opdroogt voordat de meeste larven zich tot juveniele kamsalamanders hebben kunnen ontwikkelen. Deze werkzaamheden kunnen blijkens de notitie het best met behulp van een graafmachine plaatsvinden in de herfst (september/oktober).

4.7.    Verder is in paragraaf 3.3 van de quickscan ook ingegaan op de invloedssfeer van de mogelijk gemaakte activiteiten. Deze invloedssfeer is volgens de quickscan lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar in het gebied rondom het plangebied, maar deze effecten zijn kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voorplantingsplaatsen buiten het plangebied. Daarnaast heeft de raad de notitie "Advies beïnvloeding [appellant sub 1]bosje door realisatie nieuwbouwwijkje Leuriks-Oost" van Natuurbank Overijssel van 2 december 2021 ingebracht. Daarin staat dat het bos op het perceel van [appellant sub 1] niet fysiek wordt beïnvloed, maar dat er als gevolg van de bouwactiviteiten wel enig geluid waarneembaar is. Dit leidt volgens deze notitie echter niet tot het doden van beschermde dieren of het verstoren van de vaste rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde soorten waarvoor op grond van de Wnb geen vrijstelling van de verbodsbepaling in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling geldt. Daarvoor is het verstorend effect volgens de notitie te kortstondig, maar vooral ook te beperkt in volume.

4.8.    In hetgeen [appellant sub 1] daarover naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies in de quickscan en de aanvullende notities over de gevolgen van het plan en voor het oordeel dat de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime van de Wnb in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. De door [appellant sub 1] overgelegde second-opinion leidt niet tot een andersluidend oordeel. Uit dat onderzoek volgt dat de natuurwaarden op het perceel van [appellant sub 1] en in het plangebied nadelige gevolgen kunnen ondervinden als gevolg van verdroging. Deze verdroging is volgens de second-opinion onder meer het gevolg van eerdere ontwikkelingen, zoals de aanleg van de Oostweg en de daarnaast gelegen bermsloot. Ook het verleggen van enkele sloten aan de noord- en zuidzijde van het plangebied kan mogelijk tot verdrogingseffecten hebben geleid. Om deze effecten tegen te gaan worden in de second-opinion daarom diverse aanbevelingen gedaan om verdroging tegen te gaan, zoals het verondiepen van de bestaande bermsloot langs de Oostweg en de ophoging van de ontwateringshoogte van de in 2022 aangelegde sloten. Hiermee kan worden voorkomen dat zich verdere verdroging voordoet. Uit de second-opinion volgt echter niet dat als gevolg van het plan beschermde soorten worden gedood of dat de beschermde rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten worden verstoord, en dat het soortenbeschermingsregime dus in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Voor zover het plan al tot verdere verdrogingseffecten leidt, dient te worden opgemerkt dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de in de aanvullende notitie van 9 juni 2021 van Natuurbank Overijssel beschreven maatregelen inmiddels zijn uitgevoerd met inachtneming van de daarin beschreven voorwaarden. Ook zijn de voor de afwatering benodigde beken inmiddels aangelegd overeenkomstig het aan het plan ten grondslag gelegde Waterstructuurplan. Het betoog van [appellant sub 1] dat het soortenbeschermingsregime in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan wordt niet gevolgd.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 2]

Landschappelijke- en natuurlijke waarden

5.       [appellant sub 2] voert aan dat de ontwikkelingen waarin het plan voorziet leiden tot een verstoring van de landschappelijke originaliteit en tot een aantasting van de verbindingszone "Hoge Boekel en Aamsveen". Volgens [appellant sub 2] heeft de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van de toekomstige woonwijk voor het klassiek historische landschap.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de beoogde ontwikkeling, waarbij ook de effecten van de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling voor het landschap en de te beschermen natuurwaarden in beeld zijn gebracht. Als gevolg van het plan zal de inrichting en het beeld van het gebied veranderen. Om de originaliteit van het waardevolle landschap te behouden, wordt de nieuwbouw zorgvuldig ingepast met behoud van bestaande bospercelen en houtwallen. Ook wordt er landschap hersteld door het toevoegen van structuren zoals de aanleg van twee beeklopen en struweelhagen. De raad stelt zich daarnaast op het standpunt dat de ecologische verbindingszone tussen de Natura 2000-gebieden "Hoge Boekel" en "Aamsveen" gewaarborgd blijft, en dat het plan niet tot gevolg heeft dat deze zone zal worden aangetast. Het stedenbouwkundige plan voorziet juist in een groen raamwerk, dat relaties legt tussen het bos en de nieuwe kavels om zo de landschappelijke en ecologische kwaliteiten van het gebied te versterken.

5.2.    Vastgesteld wordt dat het westelijke gedeelte van het plangebied ingevolge de bij de Omgevingsverordening Overijssel 2017 behorende kaart 7 "Natuurnetwerk Nederland", is aangewezen als "Bestaande natuur NNN". Gelet hierop ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of het plan in overeenstemming is met het bepaalde in de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (hierna: de Omgevingsverordening). In die verordening zijn namelijk regels opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen dat betrekking heeft op gronden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

5.3.    Artikel 2.7.3 van de Omgevingsverordening luidt:

" 1. Het beschermingsregime voor gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 Werkingsgebied zijn aangeduid als gebiedscategorie ‘Bestaand' wordt vastgelegd in een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige gebieden binnen het NNN geldt dat het beschermingsregime uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan.

2. Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.

[…]

4. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als NNN wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

5. De verplichtingen die voortvloeien uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.

[…]".

5.4.    In de plantoelichting, paragraaf 5.3.3, staat over de gevolgen van het plan voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) dat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt op gronden die zijn gelegen binnen het NNN. De woningbouwontwikkeling vindt alleen plaats op gronden waaraan ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan al de bestemming "Wonen - nader uit te werken" was toegekend. De aanwezige oppervlakte aan gronden binnen het NNN blijft gelijk en de bestemming "Groen" die ingevolge het voorheen geldende plan op deze gronden rustte, zal worden gehandhaafd. Hiermee is voldoende gewaarborgd dat de bestaande groenstructuren niet zullen worden aangetast, aldus de plantoelichting. Over de woningbouwontwikkeling vermeldt de plantoelichting verder dat nieuwe groenelementen en waterstructuren worden gerealiseerd die de wijk dooraderen en een raamwerk vormen tussen de verschillende woonclusters. Hiermee wordt een verbinding gevormd tussen het bestaande groen aan de oost- en westzijde van het plangebied, hetgeen leidt tot een versterking van het NNN.

5.5.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onder verwijzing naar de bovenstaande passage uit de plantoelichting genoegzaam uiteengezet dat de in het plan voorziene ontwikkelingen niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden die zijn aangeduid als NNN. Daarnaast leidt het plan ook niet tot een significante vermindering van de oppervlakte van de als NNN aangewezen gebieden of tot een vermindering van de samenhang tussen die gebieden. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plan niet voorziet in nieuwe woningbouw op gronden die zijn aangeduid als NNN en dat de bestemming "Groen", die reeds op grond van het voorheen geldende plan aan de als NNN aangeduide gronden was toegekend, wordt gehandhaafd. De raad heeft verder toegelicht dat het voornemen bestaat om de aanwezige natuurwaarden verder te versterken door in het plangebied nieuwe groenelementen en waterstructuren toe te voegen. In hetgeen [appellant sub 2] daarover heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de in het plan voorziene woningbouw zal leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de verbindingszone en dat het plan in zoverre in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 2.7.3, vierde lid, van de Omgevingsverordening.

Het betoog faalt.

5.6.    De vraag of het plan tot een aantasting van de landschappelijke originaliteit leidt, betrekt de Afdeling bij de bespreking van de hierna volgende beroepsgrond over de ophoging van het plangebied.

Ophoging van het terrein

6.       [appellant sub 2] voert aan dat de raad de nadelige gevolgen van de ophoging van het plangebied ten onrechte niet heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. Hij wijst er in dit verband op dat er voorafgaand aan de vaststelling van het plan en ook daarna, bij het bouwrijp maken van de grond, diverse ophogingen van de grond in het plangebied hebben plaatsgevonden. Als gevolg van de ophoging van het terrein worden de aanwezige landschappelijke structuren verstoord en ontstaat een bebouwingsbeeld dat stedenbouwkundig afsteekt tegen de omgeving, zo stelt [appellant sub 2]. De raad heeft met deze gevolgen onvoldoende rekening gehouden bij de vaststelling van het plan.

6.1.    De raad heeft toegelicht dat er in het plangebied grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden die ertoe hebben geleid dat sommige delen van die gronden zijn opgehoogd, en dat sommige delen zijn verlaagd. Dit is nodig om te kunnen voldoen aan de ontwateringseisen, die worden gehanteerd door het Waterschap. De hoogte van het nieuwe bouwpeil is weloverwogen bepaald om de toekomstige woningen zo goed mogelijk te laten aansluiten op de omgeving. Om de nieuwe woonwijk zo goed mogelijk in te passen is daarnaast gekozen om grotere kavels te realiseren aan de zijde van de Keppelerdijk met een bebouwingsregeling die aansluit bij de bebouwingsregels in het buitengebied. Zodoende ontstaat er volgens de raad genoeg ruimte op deze kavels om de hoogte van het bouwpeil vloeiend te laten overgaan op de hoogte van de omgeving. Daarnaast zijn de in het plan neergelegde bouwhoogtes afgestemd op de bouwhoogtes van de bestaande bebouwing in de omgeving en wordt aansluiting gezocht bij de bestaande groenstroken en landschappelijke structuren, zodat de voorziene woningbouw zorgvuldig kan worden ingepast. In het Waterstructuurplan "Leuriks Oost ten Enschede" van Geofoxx van oktober 2020 (hierna: het Waterstructuurplan) staat verder dat door de ligging van het plangebied op de flanken van een stuwwal, aanzienlijke hoogteverschillen aanwezig zijn (tot ongeveer 0,5 m per bouwpeil aanliggend kavel), maar dat deze hoogteverschillen door de greppels aan weerszijden en achterzijde van de woningen en de ruime opzet van het plangebied relatief goed zijn op te vangen. De verschillen tussen het bepaalde bouwpeil en het huidige maaiveld zijn gemiddeld 0,3 tot 0,7 m, waarbij geldt dat de inrichting (achtertuinen, straatpeilen en greppels e.d.) minstens 0,2 m lager dan de bouwpeilen zal liggen. Besloten is om alleen een aantal kavels beperkt op te hogen (0,3 tot 0,4 m) Op deze manier kan worden voldaan aan de lokale ontwateringseisen, maar wordt niet onnodig veel opgehoogd, zo staat in het Waterstructuurplan.

6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad genoegzaam uiteengezet dat het plan, wat de ophoging van het plangebied en de daarin voorziene woningbouw betreft, niet zodanige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en de landschappelijke originaliteit dat hij dit plan niet heeft mogen vaststellen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het voorheen geldende bestemmingsplan op deze locatie ook al voorzag in de mogelijkheid om woningbouw mogelijk te maken. Daarnaast heeft de raad toegelicht dat, om te kunnen voldoen aan de geldende ontwateringseisen, het noodzakelijk is om gedeeltes van het plangebied op te hogen. Deze ophogingen zijn echter niet zodanig dat de raad de in het plan voorziene woningbouwontwikkeling op deze locatie niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Hierbij dient tevens te worden betrokken dat in de regels van het bestemmingsplan wat bouwhoogte betreft is aangesloten bij de bouwhoogtes van de bestaande bebouwing in de omgeving. Dit heeft erin geresulteerd dat een maximale bouwhoogte van 4,5 m is neergelegd in de planregels voor woningen met een plat dak en dat een maximale bouwhoogte van 9 m is neergelegd in de planregels voor woningen met kap. Ook zal de ten zuiden van het plangebied aanwezige houtwal in stand worden gelaten zodat een groene buffer aanwezig is tussen het plangebied en het perceel van [appellant sub 2]. Mede in aanmerking genomen dat de afstand tussen de in het plangebied voorziene woningen tot het perceel van [appellant sub 2] ongeveer 50 m bedraagt, heeft de raad de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en de landschappelijke originaliteit daarom aanvaardbaar mogen achten.

Het betoog faalt.

Waterstructuurplan

7.       [appellant sub 2] betoogt dat het Waterstructuurplan ten onrechte niet is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan. Als gevolg hiervan is de uitvoering van de in het Waterstructuurplan neergelegde eisen voor de afwatering niet verzekerd en kan er, gelet op de bodemgesteldheid van het plangebied, wateroverlast ontstaan in de omgeving. [appellant sub 2] voert verder aan dat de raad de nadelige gevolgen van het plan voor het grondwaterniveau ter plaatse van zijn woning onvoldoende heeft onderzocht. Hij stelt wateroverlast te kunnen ondervinden als gevolg van de ophoging van het plangebied en de daarin voorziene woningbouw.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de aanleg en instandhouding van waterbergende en afvoerende voorzieningen voldoende is gewaarborgd. In dit verband wijst de raad erop dat in de regels van het plan een koppeling is gemaakt tussen de aanleg en instandhouding van waterbergende voorzieningen op kavelniveau en de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen. Ook worden er op gemeentegrond waterbergende voorzieningen gerealiseerd bestaande uit een tweetal beken een daarop aansluitende slotenstructuur, waarmee kan worden voldaan aan de bergingseisen die worden beschreven in het Waterstructuurplan. Gelet hierop is een goede waterhuishouding verzekerd, aldus de raad.

7.2.    Ingevolge het voorliggende plan zijn onder meer de bestemmingen "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Groen" toegekend aan de gronden in het plangebied.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, en artikel 4.1, eerste lid, onder a, onder 1, van de planregels zijn deze gronden mede bestemd voor waterpartijen, -lopen, - bergingen, wadi’s, infiltratiestroken en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding/beheersing.

Ingevolge de artikelen 3.4 en 4.3 dienen waterpartijen, -lopen, -bergingen, wadi's, infiltratiestroken en andere voorzieningen in het kader van de waterbeheersing in stand gehouden en onderhouden te worden.

Ingevolge artikel 5.4, onder b, onder 4, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik met de bestemming "Wonen" in ieder geval gerekend het gebruik van gronden zonder dat is voldaan aan de vereisten met betrekking tot het bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater.

7.3.    Artikel 12.2 van de planregels luidt:

"a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de oppervlakte van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in voorzieningen voor het bergen en/of in de bodem infiltreren van hemelwater afkomstig van bebouwing, bij voorkeur in combinatie met drainage.

b. De onder a genoemde voorzieningen worden gerealiseerd en in stand gehouden op eigen terrein, in, op, aan of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

c. de minimum bergingsopgave als bedoeld onder a bedraagt 0,04 m

d. de onder a bedoelde berging of infiltratie van hemelwater dient het (teveel aan) water af te wateren op een voorziening voor de ontvangst van hemelwater in het openbaar toegankelijk gebied;

[…]"

7.4.    In de plantoelichting, paragraaf 5.2, wordt ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Daarin staat dat als uitgangspunt wordt gehanteerd het voorkomen van wateroverlast. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, wat tot problemen kan leiden bij de afwatering. Om die reden is in het plan als eis gesteld dat extra afstromend hemelwater op het eigen terrein moet worden verwerkt. Hiertoe is een regeling opgenomen in artikel 12 van de planregels die de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen koppelt aan de eis dat in voldoende mate moet worden voorzien in voorzieningen voor het bergen en/of in de bodem infiltreren van hemelwater. Daarnaast wordt ingevolge het bepaalde in artikel 5.4, onder b, onder 4, van de planregels tot een strijdig gebruik gerekend het gebruik van gronden zonder dat wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot het bergen, vasthouden en afvoeren van hemelwater. Verder wordt in de plantoelichting beschreven dat er in de nieuwe situatie waterbergende voorzieningen worden aangelegd in de vorm van kavelsloten, sloten en beken. De kavelsloten bevinden zich op particuliere grond en de sloten en beken worden in de openbare ruimte gerealiseerd. Verder is, om te bepalen wat de consequenties van de beoogde transformatie van het gebied voor de waterhuishouding in en rondom het plangebied is, een Waterstructuurplan opgesteld dat als bijlage 12 bij de plantoelichting is gevoegd. Daarin staat beschreven dat om het overtollige hemelwater te kunnen afvoeren 870 m3 aan waterberging moet worden gerealiseerd. Daarnaast worden daarin als ontwerpuitgangspunten voor de waterafvoer een bergingseis van 40 mm en een ontwateringsdiepte van 0,7 m ten opzichte van het toe te passen bouwpeil voorgesteld.

7.5.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad genoegzaam uiteengezet dat de aanleg en instandhouding van waterbergende en afvoerende voorzieningen is verzekerd. Hierbij is van belang dat in artikel 12.2 van de regels van het bestemmingsplan is bepaald dat een omgevingsvergunning voor bouwen alleen wordt verleend wanneer bij de aanvraag wordt aangetoond dat er op het eigen terrein in voldoende mate wordt voorzien waterbergende voorzieningen voor het bergen en/of in de bodem infiltreren van hemelwater. Verder is daarin bepaald dat het teveel aan water dient te worden afgewaterd op een voorziening voor de ontvangst van hemelwater in het openbaar toegankelijk gebied. Ook zijn specifieke gebruiksregels opgenomen in het plan voor de instandhouding van algemene waterbergende voorzieningen die zijn toegestaan binnen de bestemmingen "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Groen". De raad heeft toegelicht dat het hierbij om wadi’s en waterlopen gaat die worden aangesloten op de bestaande slotenstructuur ten oosten van het plangebied. Deze voorzieningen liggen op gemeentegrond, en ter zitting is gebleken dat deze voorzieningen ook al zijn aangelegd conform de uitgangspunten van het Waterstructuurplan, zodat is verzekerd dat het overtollige hemelwater op deze wijze kan worden verwerkt. Gelet hierop acht de Afdeling voldoende verzekerd dat de aan te leggen waterbergende voorzieningen worden uitgevoerd en in stand gehouden.

Het betoog faalt.

7.6.    Over het betoog van [appellant sub 2], dat het plan tot vernattingseffecten leidt ter plaatse van zijn perceel, en dat deze effecten onvoldoende zijn onderzocht in het kader van de vaststelling van het plan, overweegt de Afdeling het volgende.

[appellant sub 2] stelt dat de samenstelling van de grond in het plangebied horizontaal is omdat deze gronden kunstmatig zijn opgehoogd. Volgens hem kan deze ophoging negatieve gevolgen hebben voor de grondwaterstanden aan de andere zijde van de Keppelerdijk, waar zijn woning zich bevindt. Uit het Waterstructuurplan volgt echter dat bij het bepalen van de ontwerpeisen van de hemelwaterafvoer en bij de aanleg van de riolering rekening is gehouden met de hoogte van het grondwater. Dit blijkt onder meer uit paragraaf 3.5, waarin aan de hand van kaartmateriaal en grondwatermeetreeksen inzicht wordt verschaft in de grondwaterstanden.

Hieruit volgt dat sprake is van een stroming van het grondwater in het eerste watervoerende pakket in oostelijke richting. Verder volgt uit paragraaf 4.1 dat bij het bepalen van de ontwerpeisen voor het hemelwatersysteem op basis van de doorlatendheid van de bodem en de dikte van onverzadigde zone een afweging is gemaakt of de locatie geschikt is voor het infiltreren van hemelwater in de bodem. Hierbij zijn ook de grondwaterstanden in aanmerking genomen. Uiteindelijk wordt geconcludeerd dat, ondanks de hoge grondwaterstanden, het mogelijk is om het overtollige hemelwater te bergen door dit tijdelijk vast te houden in waterbergende voorzieningen. Deze waterbergende voorzieningen zijn toegestaan binnen de bestemmingen "Verkeer - Verblijfsgebied en "Groen" en zijn inmiddels ook aangelegd, zo heeft de raad ter zitting toegelicht. In de artikelen 3.4 en 4.3 van de planregels is daarnaast bepaald dat deze voorzieningen ook in stand gehouden en onderhouden dienen te worden.

Gelet op het vorenstaande, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 7.5 is overwogen over de aanleg en instandhouding van waterbergende voorzieningen, bestaat naar het oordeel van de Afdeling voor de vrees van [appellant sub 2], dat het plan tot vernattingseffecten zal leiden ter plaatse van zijn perceel, onvoldoende grond. De Afdeling acht het gelet op de conclusies uit het Waterstructuurplan onvoldoende aannemelijk dat zich buiten het plangebied ter hoogte van het perceel van [appellant sub 2] aanzienlijke vernattingseffecten zullen voordoen als gevolg van de ophogingen die daar hebben plaatsgevonden. Hierbij moet worden aangetekend dat uit het Waterstructuurplan blijkt dat het grondwater zich veelal in oostelijke en zuidoostelijke richting zal begeven, omdat de maaiveldhoogtes daar gemiddeld lager liggen dan in het plangebied. Met deze omstandigheden is rekening gehouden bij het ontwerp en de aanleg van de afwatering.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 3]

Ontsluiting

8.       [appellant sub 3] betoogt dat er ten onrechte voor is gekozen om het plangebied voor autoverkeer te ontsluiten via de Keppelerdijk. Deze keuze is volgens hem strijdig met de gemeentelijke Mobiliteitsvisie, waarin staat  dat er zoveel mogelijk op wordt ingezet om de aantrekkelijkheid van bestaande fietsroutes te vergroten. Daarnaast levert de gekozen ontsluitingsroute volgens [appellant sub 3] verkeersonveilige situaties op omdat de Keppelerdijk een populaire fietsroute is, die ook door veel scholieren wordt gebruikt. Ten slotte levert de gekozen ontsluitingsroute een extra knelpunt op bij de rotonde op de Oostweg. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het plangebied niet kan worden ontsloten via de Gronausestraat. Dat dit lastig is, wordt niet gevolgd omdat in het verleden zelfs de drukbezochte sportvereniging Avanti een eigen ontsluitingsweg heeft gekregen op de Gronausestraat.

8.1.    In paragraaf 4.1 van de plantoelichting wordt ingegaan op het onderdeel verkeer. Daarin staat dat de keuze om het plangebied te ontsluiten via de Keppelerdijk is ingegeven door de verkeersveiligheid. Door de op de Gronausestraat aanwezige busbaan en parallelwegen is een aansluiting op deze weg, waar een 50 km/h-regime geldt, complex, zo staat in de plantoelichting. Vanwege de verkeersveiligheid is daarom gekozen voor een ontsluiting via de Keppelerdijk en de bestaande rotonde op de Oostweg. Om te beoordelen of de ontsluiting van het plangebied via de Keppelerdijk naar de Oostweg kan plaatsvinden is ook gekeken naar de doorstroming van het verkeer op de Oostweg. Uit de Mobiliteitsvisie volgt namelijk dat op de Oostweg in de toekomst problemen te verwachten zijn met de doorstroming en dat aanpassingen nodig zijn om de doorstroming te verbeteren. Een van de knelpunten is de rotonde met de Keppelerdijk waar fietsers voorrang hebben op het autoverkeer en daarmee de doorstroming belemmeren. Uit een eerste onderzoek is echter gebleken dat Leuriks Oost ontwikkeld kan worden en kan worden aangesloten op het bestaande wegennet zonder dat dit significante invloed heeft op de doorstroming of de verkeersveiligheid. Het aantal extra voertuigen is namelijk zeer gering ten opzichte van het aantal dat nu al over de Oostweg rijdt. Gemiddeld genomen staan er zo’n zes auto’s te wachten bij de rotonde en bestaat er op zijn langst een wachttijd van 27 seconden voordat de rotonde doorkruist kan worden. Wanneer de extra auto's vanuit het plangebied worden meegerekend, betekent dit in de praktijk dat er gemiddeld genomen zeven auto's staan te wachten en dat er op z'n langst een wachttijd van 30 seconden zal zijn voor dat de rotonde doorkruist kan worden. Verkeerskundig gezien is deze iets langere wachttijd geen probleem en dit zal geen invloed hebben op de algehele verkeersveiligheid, aldus de plantoelichting.

8.2.    De raad heeft toegelicht dat hij, om een keuze te maken met betrekking tot de ontsluitingsroute van het plangebied, vooral heeft gekeken naar de verkeersveiligheid. Hiervoor heeft de raad het van belang geacht op hoeveel punten weggebruikers met elkaar in conflict kunnen komen. Door de aanwezige busbaan en parallelwegen is een aansluiting op de Gronauseweg volgens de raad verkeersonveiliger dan een aansluiting op de Keppelerdijk. Ontsluiten op de Gronauseweg zou betekenen dat een extra conflictsituatie zou worden toegevoegd aan een nu al drukke verkeersader. Om die reden heeft de raad er voor gekozen om het plangebied te ontsluiten via de Keppelerdijk. Daar kan volgens de raad een verkeersveilige ontsluiting worden gerealiseerd omdat dit een relatief rustige straat betreft, terwijl van het plan ook maar een relatief beperkte verkeersgeneratie uitgaat. Het feit dat de Keppelerdijk ook een populaire fietsroute is die in de gemeentelijke Mobiliteitsvisie en de Fietsvisie als "doorfietsroute" is aangewezen, staat hier niet aan in de weg, aldus de raad. Hierbij heeft de raad het van belang geacht dat in het verleden aan de westzijde van de Keppelerdijk een knip is gemaakt, waardoor doorgaand autoverkeer onmogelijk is gemaakt. Daarnaast staat de beoogde ontwikkeling de functie van de Keppelerdijk als "doorfietsroute" niet in de weg, gelet op de beperkte verkeersgeneratie die daarvan uitgaat. In dit verband heeft de raad toegelicht dat de Keppelerdijk in het verleden - voordat daarin een knip werd gemaakt - een verkeersgeneratie van ongeveer 3.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal kende, en dat het plan een verkeersgeneratie van ongeveer 625 lichte motorvoertuigbewegingen, en ongeveer 10 zware motorvoertuigbewegingen per etmaal tot gevolg heeft. Daarnaast volgt uit de bijlagen bij het akoestisch onderzoek dat op het traject "Keppelerdijk (Leuriks Oost) - Oostweg" op het drukste moment van de dag maar ongeveer 34 motorvoertuigbewegingen per uur zijn te verwachten gedurende een werkdag. Dit aantal is niet zodanig dat de functie van de Keppelerdijk als "doorfietsroute" onder druk zal komen te staan, aldus de raad.

8.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in dit geval mogen kiezen voor een ontsluiting van het plangebied via de Keppelerdijk. Daarbij heeft de raad het van belang mogen achten dat zich op deze ontsluitingsroute minder conflictsituaties voordoen dan het geval zou zijn bij een ontsluitingsroute via de Gronausestraat. Op deze weg bevinden zich namelijk een busbaan en enkele parallelwegen, en ter zitting is gebleken dat er ook een fietspad langs de Gronausestraat loopt. Dit gegeven, in combinatie met het feit dat de Gronausestraat een veel hogere verkeersintensiteit heeft dan de Keppelerdijk, heeft de raad ertoe doen besluiten om het plangebied te ontsluiten via de Keppelerdijk. Deze keuze acht de Afdeling niet onredelijk. De omstandigheid dat in het verleden bij de sportvereniging Avanti Wilskracht wel is meegewerkt aan een ontsluiting op de Gronausestraat, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad in dit geval ook moest kiezen voor ontsluiting op de Gronausestraat. In dit verband is van belang dat de raad heeft toegelicht dat hij voor de ontsluitingsroute heeft willen kiezen die de minste conflictsituaties tot gevolg heeft met kruisend verkeer, en dus voor veiligste optie. De omstandigheid dat de Keppelerdijk in enkele gemeentelijke beleidsstukken is aangewezen als "doorfietsroute" maakt evenmin dat de raad niet heeft mogen kiezen voor ontsluiting aan de Keppelerdijk. Hierbij betrekt de Afdeling dat op de Keppelerdijk in de bestaande situatie sprake is van een zeer beperkte verkeersintensiteit van ongeveer 100 motorvoertuigbewegingen per etmaal en dat deze als gevolg van de planontwikkeling toeneemt met ongeveer 500 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een weekdag. Een dergelijk aantal verkeersbewegingen heeft de raad  gelet op de functie van de weg verkeerskundig niet onaanvaardbaar mogen achten.

Het betoog faalt.

Fietsbrug

9.       [appellant sub 3] wijst erop dat er wordt nagedacht om een fietsbrug aan te leggen over de Oostweg om bestaande verkeersknelpunten op te lossen in Enschede Oost. Hij kan zich niet verenigen met deze mogelijk te realiseren fietsbrug.

9.1.    De Afdeling stelt vast dat de door [appellant sub 3] genoemde fietsbrug geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende bestemmingsplan. Dit betreft een mogelijke toekomstige ontwikkeling, waarover nog besluitvorming moet volgen. Hetgeen [appellant sub 3] hierover naar voren brengt kan, wat daar ook van zij, dan ook niet tot gevolg hebben dat het bestreden bestemmingsplan moet worden vernietigd. Om deze reden laat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing.

Inspraak

10.     [appellant sub 3] betoogt dat het bestemmingsplan op het punt van de gekozen ontsluiting onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de weggebruikers van de Keppelerdijk. Volgens [appellant sub 3] raakt de verkeersveiligheid op de Keppelerdijk aan het belang van velen, waaronder aan dat van de Fietsersbond. De belangen van de gebruikers van de Keppelerdijk zijn volgens hem echter onvoldoende opgehaald voorafgaand aan het opstellen van het bestemmingsplan. Doordat betrokkenen alleen op deelaspecten over de planvorming zijn geïnformeerd en om input zijn gevraagd, is het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld, aldus [appellant sub 3].

10.1.  Het voeren van overleg en het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het gestelde gebrekkig bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

10.2.  Overigens is de Afdeling niet gebleken dat de informatievoorziening en inspraakmogelijkheden onder de maat zijn geweest. Daarbij is van belang dat in de periode tussen oktober 2019 en januari 2021 een participatietraject heeft plaatsgevonden bestaande uit diverse informatiebijeenkomsten, waarbij ook de mogelijkheid is geboden om te reageren op de concept-stukken van het bestemmingsplan en het verkavelingsplan. Daarna heeft in de periode van 25 februari 2021 tot en met 7 april 2021 het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen, waarover betrokkenen hun zienswijzen naar voren konden brengen. Een aantal betrokkenen heeft van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt; een aantal anderen niet. Aan de hand van de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken en de door betrokkenen gegeven inspraak, waaronder ook die van de bewoners van de Keppelerdijk, heeft vervolgens een belangenafweging plaatsgevonden. Ook  het belang van de verkeersdeelnemers die gebruik maken van de Keppelerdijk is daarbij betrokken. Dat de belangenafweging anders is uitgevallen dan sommige betrokkenen hadden gewild en dat uiteindelijk is gekozen voor een ontsluiting aan de zijde van de Keppelerdijk, betekent niet dat de raad de belangen van de gebruikers van de Keppelerdijk onvoldoende bij de vaststelling van het plan heeft betrokken. Hiervoor is reeds geoordeeld dat de gemaakte keuze de rechterlijke toets kan doorstaan.

Het betoog faalt.

Conclusie

11.     De beroepen zijn ongegrond.

12.     De raad hoeft de proceskosten niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Sommer, griffier.

w.g. Van Ettekoven
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sommer
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2022

901