Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302785/1 en 200302785/2

Uitspraak 200302785/1 en 200302785/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:186
Datum uitspraak
22 mei 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de op diens perceel [locatie] opgerichte paardenstallen (hierna: de paardenstallen) te verwijderen en verwijderd te houden binnen een termijn van zes weken.
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302785/1 en 200302785/2.
Datum uitspraak: 22 mei 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de op diens perceel [locatie] opgerichte paardenstallen (hierna: de paardenstallen) te verwijderen en verwijderd te houden binnen een termijn van zes weken.

Bij besluit van 7 maart 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften, ongegrond verklaard. Tevens heeft het college een nieuwe begunstigingstermijn van één week aan het besluit verbonden.

Bij uitspraak van 18 april 2003, verzonden op die dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 mei 2003. Deze brieven zijn aangehecht. Tevens heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2003 , waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.H. van der Ster, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen in hoofdzaak.

2.2. Vast staat dat de paardenstallen zonder de vereiste bouwvergunning zijn opgericht. Mitsdien was het college bevoegd ter zake handhavend op te treden.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisering.

2.4. Met de voorzieningenrechter is de Voorzitter van oordeel dat er geen zicht op legalisering is, omdat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een bouwvergunning – indien deze gevraagd zou worden – wegens strijd met het ter plaatse geldend bestemmingsplan “Landelijk gebied Leidschendam” van 1987 geweigerd zou moeten worden. Niet betwist is dat de oppervlakte van de bijgebouwen aanzienlijk meer is dan ingevolge artikel 13 van de bij evengenoemd bestemmingsplan behorende voorschriften onder verlening van vrijstelling mogelijk is. Bovendien heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het oprichten van de paardenstallen in strijd is met de op het perceel rustende bestemming “Woondoeleinden, eengezinshuis”, aangezien het (beoogde bedrijfsmatige) gebruik ten behoeve van een paardenfokkerij niet ten dienste staat van deze woonfunctie. Ook heeft de voorzieningenrechter terecht en op juiste gronden het beroep op het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel 34 van de planvoorschriften, verworpen. Hetgeen appellant in dit verband heeft betoogd, treft geen doel.

2.5. Van concreet zicht op legalisering met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake. Uit de stukken is gebleken dat het college niet bereid is om mee te werken aan het verlenen van vrijstelling krachtens die bepaling en dat ligt ook niet voor de hand, nu de paardenstallen ook niet passen in het in procedure zijnde bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2001”. Niet betwist is dat ruimschoots meer bebouwing aanwezig is dat ingevolge artikel 15, lid B I, aanhef en onder d, van de bij evengenoemd bestemmingsplan behorende voorschriften mogelijk is. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht en op juiste gronden overwogen dat de in artikel 15, lid B II, aanhef en onder d, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid niet kan worden aangewend om de paardenstallen te legaliseren. Ook het aanwenden van de vrijstellingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 15, Lid B II, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, ter legalisering van de paardenstallen, waar appellant eveneens een beroep op heeft gedaan, is niet mogelijk, reeds omdat het oprichten van de paardenstallen eveneens in strijd is met de op het perceel rustende bestemming “Woningen –W-“ aangezien het (beoogde bedrijfsmatige) gebruik ten behoeve van een paardenfokkerij zich niet verdraagt met deze woonfunctie. Ook de overige vrijstellingsbepalingen waar appellant een beroep op heeft gedaan kunnen appellant niet baten, aangezien niet aan de daaraan te stellen voorwaarden wordt voldaan.

2.6. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht niet tot het oordeel leidt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee geoordeeld moet worden dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen nalaten om af te zien van het aangekondigde handhavend optreden.

2.7. Verder overweegt de Voorzitter dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging en dat geen sprake is van een onredelijke begunstigingstermijn. De voorzieningenrechter is tot een gelijkluidend oordeel gekomen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Ouwehand
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2003

224.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon