Uitspraak 202102575/1/V2


Volledige tekst

202102575/1/V2.
Datum uitspraak: 9 augustus 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 maart 2021 in zaak nr. NL19.22787 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2019 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 25 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J. Paffen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling en de staatssecretaris hebben een nader stuk ingediend.

De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven, waarop de vreemdeling heeft gereageerd.

Overwegingen

Inleiding

1.       De vreemdeling stelt dat zij afkomstig is uit Syrië en alleen over de Syrische nationaliteit beschikt. De staatssecretaris heeft de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, omdat de vreemdeling bij haar aanvraag gegevens heeft achtergehouden over een verblijfsmogelijkheid in Armenië, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid. De vreemdeling betoogt onder meer dat de intrekking in strijd is met artikel 8 van het EVRM en dat de rechtbank ten onrechte een aantal stukken niet heeft betrokken in haar oordeel.

1.1.    De vreemdeling is samen met haar partner naar Nederland gereisd. De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de partner om dezelfde redenen ingetrokken en geweigerd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van vandaag heeft de Afdeling ook uitspraak gedaan in de zaak van de partner (ECLI:NL:RVS:2022:2274).

Bespreking van de grieven

2.       De vreemdeling klaagt in de tweede grief terecht dat de rechtbank de in beroep ingebrachte stukken had moeten meenemen in haar beoordeling van de beroepsgrond over het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Deze beoordeling vindt namelijk plaats in het kader van een intrekking van een asielvergunning voor bepaalde tijd. Bij een dergelijke intrekking moet de rechter op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, ook rekening houden met nieuwe feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De memorie van toelichting op artikel 83 van de Vw 2000 (Kamerstukken II 2008/09, 31 994, nr. 3) beschrijft op p. 16:

"De rechtbank kan op grond van het tweede lid alleen met nieuwe gegevens rekening houden die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag om een vergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd, de ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning dan wel het achterwege laten van de uitzetting op grond van artikel 64. […]

Zodra het echter gaat om gegevens die van belang kunnen zijn, is de rechter gehouden daarmee bij de beoordeling van het beroep rekening te houden. […]"

2.1.    Dat heeft de rechtbank in deze zaak niet gedaan. De rechtbank had de staatssecretaris in beroep de gelegenheid moeten bieden een standpunt over de in beroep ingebrachte stukken in te nemen. Omdat de rechtbank alleen overweegt dat, gelet op de zogeheten ex-tunctoets van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging, zij de stukken niet in haar beoordeling meeneemt, is de aangevallen uitspraak niet juist. In zoverre slaagt de grief.

3.       Wat de vreemdeling in de eerste grief en verder in de tweede grief heeft aangevoerd, over de confrontatie met informatie uit Vision, mogelijke identiteitsfraude en het gelijkheidsbeginsel, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De reden daarvoor is dat deze grieven in zoverre geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Conclusie

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb). Wat de vreemdeling verder in hoger beroep nog heeft aangevoerd over de nieuwe verklaring van de Armeense autoriteiten waaruit zou blijken dat zij de Armeense nationaliteit niet of niet meer bezit en het evenredigheidsbeginsel moet de rechtbank namelijk ook in haar oordeel betrekken en behoeft daarom nu geen verdere bespreking. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 maart 2021 in zaak nr. NL.19.22787;

III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.138,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Verburg
voorzitter

w.g. Van de Sluis
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2022

314-992