Uitspraak 200302306/1 en 200302306/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:191
- Datum uitspraak
- 20 mei 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Middelburg (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een cafetaria op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).
- Voorlopige voorziening
- Bouwen
Toon inhoud
200302306/1 en 200302306/2.
Datum uitspraak: 20 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Middelburg van 28 maart 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Middelburg.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Middelburg (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een cafetaria op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 18 juni 2002 herroepen en opnieuw met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van de cafetaria.
Bij uitspraak van 28 maart 2003, verzonden op 3 april 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Middelburg (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 8 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2003, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.A. Engelvaart, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Koole, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder] in persoon, bijgestaan door mr. J. Ossewaarde, advocaat te Middelburg.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.
2.2. Het project betreft de bouw van een cafetaria ter vervanging van een bestaande frietkraam op het perceel, waarvoor in 1989 met toepassing van artikel 19 van de WRO, zoals dat destijds luidde, vrijstelling en bouwvergunning is verleend. Tussen partijen is niet in geschil dat het project in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan “Dauwendaele IA” op het perceel rustende bestemming “Groenvoorzieningen”. Appellant exploiteert op het naastgelegen perceel een automobielbedrijf. Hij stelt dat de bouw van de cafetaria tot gevolg heeft dat de zijkant van zijn showroom vanaf het nabijgelegen kruispunt niet meer zichtbaar zal zijn en dat dit zal leiden tot een daling van zijn omzet.
2.3. Gebleken is dat de situatietekening waarover gedeputeerde staten van Zeeland bij de beoordeling van het project beschikten niet geheel overeenkomt met de situatietekening behorende bij de verleende bouwvergunning. Op deze laatste tekening is het bouwplan in vergelijking met de tekening die gedeputeerde staten hebben bezien 1,4 m dichter naar het perceel van appellant en 1 m naar achteren gesitueerd. Anders dan appellant betoogt, is de voorzieningenrechter er echter terecht van uit gegaan dat deze verschillen planologisch niet zodanig relevant zijn, dat moet worden gesproken van een ander bouwplan en om die reden van de verleende verklaring van geen bezwaar geen gebruik mocht worden gemaakt. Dit geldt te meer nu de verschuiving naar achteren voor appellant niet ongunstig is. Ook in de enkele omstandigheid dat de ruimtelijke onderbouwing van het project waarover gedeputeerde staten bij de beoordeling van het project hebben beschikt nadien in de bezwaarprocedure is aangevuld, heeft de voorzieningenrechter met juistheid geen grond gezien voor het oordeel dat het college van de verklaring van geen bezwaar geen gebruik mocht maken, althans niet dan nadat het zich opnieuw tot gedeputeerde staten had gewend. Laatstgenoemden hebben immers de eerste, beperktere ruimtelijke onderbouwing reeds voldoende geacht. Niet valt aan te nemen dat zij, na de aanvulling ervan, tot een ander oordeel over de aanvaardbaarheid van het project zouden komen.
2.4. Mede gelet op het feit dat de cafetaria in de plaats komt van voormelde frietkraam, moet worden geoordeeld dat geen sprake is van een grote inbreuk op de bestaande planologische situatie.
2.5. In het kader van de beslissing op bezwaar is het project voorzien van een aanvullende ruimtelijke onderbouwing in de vorm van een ambtelijke nota, waarin gemotiveerd op de verschillende ruimtelijke aspecten van het project en de daarbij betrokken belangen is ingegaan. Het college heeft deze nota als onderdeel van de beslissing op bezwaar volledig onderschreven. De voorzieningenrechter is op goede gronden tot de juiste slotsom gekomen dat deze ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Dat de cafetaria een groter oppervlak heeft dan de frietkraam die ter plekke aanwezig is, leidt niet tot een ander oordeel. Dit geldt ook voor het feit dat de huidige eigenaar van de frietkraam, naar appellant stelt, eerst in de zomer van 2000 de bedrijfsvoering heeft overgenomen.
2.6. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling heeft kunnen komen. Daarbij wordt nog overwogen dat, naar ter zitting is gebleken, de Meanderlaan en de Roozenburglaan geen verkeersaders zijn, maar hoofdzakelijk door bestemmingsverkeer worden gebruikt. Mede gelet hierop, is niet aannemelijk dat de aanwezigheid van de cafetaria een significante daling van de omzet van appellants bedrijf tot gevolg zal hebben. Voorts valt, anders dan appellant stelt, niet in te zien dat het college de ligging van de riolering niet in zijn belangenafweging mocht betrekken. Met betrekking tot het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat – kort weergegeven - het college zich onvoldoende moeite heeft getroost om een alternatieve situering van de cafetaria te bewerkstelligen, wordt overwogen dat het college heeft te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat bij hen is ingediend. Toen dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar bleek, kon het bestaan van alternatieven het college slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien door gebruikmaking van een alternatief een aanzienlijk beter resultaat kon worden bereikt met aanzienlijk minder bezwaren. Van dat laatste is in dit geval geen sprake. Het betoog leidt derhalve niet tot het daarmee beoogde doel.
2.7. Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van onvoldoende parkeergelegenheid slaagt evenmin. Gebleken is dat er wel parkeerplaatsen zijn, maar dat deze met name aan de achterzijde van de betrokken locatie zijn gelegen. Appellant vreest dat automobilisten om die reden hiervan niet altijd gebruik zullen maken. Het bestaan van deze vrees betekent niet dat de bouwvergunning dus had moeten worden geweigerd. Appellant heeft voorts niets naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de voorzieningenrechter inderdaad, zoals appellant betoogt, heeft miskend dat het project wat de brandveiligheid betreft niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
2.8. Tot slot ziet de Voorzitter, anders dan appellant, onvoldoende grond voor het oordeel dat het college in het besluit van 28 januari 2003 niet afdoende op de bezwaren van appellant is ingegaan en dit besluit om die reden moet worden geacht niet met de vereiste zorgvuldigheid te zijn voorbereid.
2.9. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2003
201.