Uitspraak 200301402/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:194
- Datum uitspraak
- 19 mei 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Buren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Buren van 14 mei 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Lutterveld, gedeeltelijke herziening H1".
- Voorlopige voorziening
- RO - Gelderland
Toon inhoud
200301402/2.
Datum uitspraak: 19 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [verzoekers sub 2], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Buren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Buren van 14 mei 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Lutterveld, gedeeltelijke herziening H1".
Bij besluit van 14 januari 2003, kenmerk RE2002.63061, heeft verweerder beslist omtrent de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit hebben verzoeker sub 1 bij brief van 5 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2003, en verzoekers sub 2 bij brief van 10 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 5 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2003, heeft verzoeker sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 10 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2003, hebben verzoekers sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 2 mei 2003, waar verzoeker sub 1 in persoon en bijgestaan door mr. H.J.P. van Erp, advocaat te Uden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Verzoekers sub 2 hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. H.J.P. van Erp, voornoemd.
Voorts zijn de gemeenteraad van Buren, vertegenwoordigd door J.G. van Doorn, ambtenaar der gemeente, en E. Witte, belanghebbende, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan voorziet in de bouw van twee vrijstaande woningen aan de Hucht te Kerk-Avezaath, op het achterterrein van het perceel [locatie].
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.
2.3. Verzoekers stellen dat verweerder het besluit ten onrechte heeft genomen.
Verzoeker sub 1 is van mening dat ten gevolge van het goedgekeurde plan een inbreuk wordt gemaakt op het landschappelijke karakter van Kerk-Avezaath, welke inbreuk niet door een voldoende ruimtelijk belang en onderbouwing wordt gerechtvaardigd en waardoor de belangen van de bewoners van Kerk-Avezaath en verzoeker in het bijzonder onevenredig worden aangetast zonder dat hiervoor voldoende stedenbouwkundige redenen aanwijsbaar zijn. Voorts is verzoeker van mening dat het goedkeuringsbesluit niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, aangezien in het voorgaande bestemmingsplan geen woon- en bebouwingsmogelijkheden waren opgenomen, terwijl verweerder is uitgegaan van een reeds geldende bestemming eengezinswoningen.
Verzoekers sub 2 hebben er in dit verband op gewezen dat indien verweerder van mening is dat het voorgaande bestemmingsplan als afronding van het gebied moest worden beschouwd, hij thans geen goedkeuring had kunnen verlenen aan het voorliggende plan.
Voorts zijn verzoekers van mening dat er onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de locatie van de op- en afritten.
2.4. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bouwlocatie de kenmerken bezit om geschikt te zijn als inbreidingslocatie, aangezien de woningen worden gesitueerd in een bestaande woonomgeving, de woningen zijn te beschouwen als een afronding van een in het verleden in gang gezette ontwikkeling en niet leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op de zich ter plaatse voordoende beeld- en karakterbepalende kwaliteiten.
Verweerder stemt in met het standpunt van de gemeenteraad en heeft gesteld dat, hoewel er aan het gebied kwaliteiten toegedicht kunnen worden, deze niet zozeer verband houden met landschappelijke of cultuurhistorische waarden, maar worden meer bepaald worden door de visuele openheid en de belevingswaarden van het perceel.
Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bestaande woonomgeving wordt gekenmerkt door bungalowachtige bebouwing waarbinnen de nu vastgestelde bestemmingsplanregeling goed aansluit.
Hierbij heeft verweerder er op gewezen dat in het voorgaande bestemmingsplan reeds de bestemming "Eengezinswoningen" (zonder bebouwingsvlak) was toegekend, terwijl in het voorliggende plan wordt voorzien in een bebouwingsvlak met bebouwingscategorie E1oA, waardoor de bouw van twee woningen mogelijk is.
2.5. Uit de stukken en het verhandelde is af te leiden dat het bebouwingsvlak een open terrein vormt tussen de woningen langs de Daver en de Hucht. Ter plaatse was een boomgaard aanwezig, die inmiddels is gerooid.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Voorzitter het standpunt van verweerder dat het plan goed aansluit bij de bestaande bebouwing, niet onredelijk. Hierbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat ten gevolge van het plan het uitzicht van verzoeker sub 1 op de boerderij zal verdwijnen doch hij is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de met de woningbouw gemoeide belangen.
In hetgeen van de zijde van verzoeker is aangevoerd heeft de Voorzitter geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het plan op een ernstige mate inbreuk maakt op de ter plaatse aanwezige waarden.
2.6. Hoewel de bewoordingen van verweerder dat het voorheen vigerende plan als een afronding van het gebied kan worden gezien, bij verzoekers wellicht enige onduidelijkheid heeft opgeroepen, ziet de Voorzitter hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.
2.7. Ter zitting is vast komen te staan dat de meest noordelijk gelegen woning zal worden georiënteerd op de Hucht en derhalve in de tweede lijn zal worden gebouwd. Voorts is van de zijde van het gemeentebestuur ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat deze woning niet op de Daver zal worden ontsloten in verband met de verkeersveiligheid, maar zal worden ontsloten op de Hucht.
De Voorzitter stelt vast dat het plan het niet mogelijk maakt de woning te ontsluiten op de Daver in verband met de goedgekeurde bestemming "Openbaar groen". Voorts stelt de Voorzitter vast dat het plan geen voorschriften bevat omtrent de ontsluiting van de meest noordelijk gelegen woning. Derhalve is het mogelijk dat deze woning zal worden ontsloten langs de erfgrens van het perceel van verzoeker sub 1, hetgeen naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter een onevenredig zware inbreuk op de belangen van verzoeker sub 1 met zich zou brengen.
Nu het plan onvoldoende inzicht geeft omtrent de wijze van ontsluiting van deze woning en de Voorzitter tevens twijfel heeft of de situering van de woning in de tweede lijn in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, ziet te Voorzitter aanleiding om in afwachting van de bodemprocedure, een voorlopige voorziening te treffen als hierna onder 3 is aangegeven.
2.8. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten van verzoeker sub 1 te worden veroordeeld. Van proceskosten van verzoekers sub 2 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 januari 2003, RE2002.63061, voorzover het betreft het plandeel zoals aangegeven op bij deze uitspraak behorende en gewaarmerkte kaart;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door verzoeker sub 1 in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 689,88, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan verzoeker;
III. gelast dat de provincie Gelderland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (elk afzonderlijk € 116,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. Steinebach-de Wit
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2003
328.