Uitspraak 200301693/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:AN7482
- Datum uitspraak
- 19 mei 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 4 februari 2003, kenmerk BA/2002/3307, heeft verweerder in overeenstemming met artikel 18.12, derde lid, van de Wet milieubeheer vergunninghoudster gewaarschuwd dat de overtreding van de voorschriften A2.1 en A2.2 die aan de krachtens de Hinderwet verleende vergunning van 1992 zijn verbonden en van voorschrift B6 dat aan de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning van 1994 is verbonden vóór 1 september 2003 moet zijn beëindigd, en dat tot volledige intrekking van die vergunningen zal worden overgegaan indien uit een na afloop van die termijn uitgevoerd deskundigenonderzoek blijkt dat de overtreding van die voorschriften niet is beëindigd.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Overige
Toon inhoud
200301693/1.
Datum uitspraak: 19 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij brief van 4 februari 2003, kenmerk BA/2002/3307, heeft verweerder in overeenstemming met artikel 18.12, derde lid, van de Wet milieubeheer vergunninghoudster gewaarschuwd dat de overtreding van de voorschriften A2.1 en A2.2 die aan de krachtens de Hinderwet verleende vergunning van 1992 zijn verbonden en van voorschrift B6 dat aan de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning van 1994 is verbonden vóór 1 september 2003 moet zijn beëindigd, en dat tot volledige intrekking van die vergunningen zal worden overgegaan indien uit een na afloop van die termijn uitgevoerd deskundigenonderzoek blijkt dat de overtreding van die voorschriften niet is beëindigd.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 17 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 april 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. van Dijk-Prakken, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de stichting “Stichting Wel En Wee”, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, gemachtigde, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter overweegt allereerst dat deze procedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of de brief van 4 februari 2003 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht en of verweerder in het onderhavige geval het bevoegd gezag is. De Voorzitter gaat daar in deze procedure voorshands vanuit, omdat hij het niet onwaarschijnlijk acht dat de Afdeling beide vragen bevestigend zal beantwoorden.
2.2. Verzoekster betoogt, kort samengevat, dat de rapportages met betrekking tot geurhinder die zijn opgesteld door TNO Milieu Energie en Procesinnovatie (hierna: TNO) en de rapportages met betrekking tot geluidhinder die zijn opgesteld door VKS Deventer bv (hierna: VKS) niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Verzoekster voert in dit verband onder meer aan dat de onderzoeken en rapportages van TNO niet betrouwbaar zijn en, evenals de onderzoeken en rapportages van VKS, geen representatief beeld geven van de vanwege de inrichting veroorzaakte geur- en geluidhinder. Verzoekster betoogt verder dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Zij voert in dit verband onder meer aan dat intrekking van de vergunning ongerechtvaardigd is, omdat ten aanzien van de gestelde geluidhinder en geuroverlast niet eerder bestuurlijke handhavingsmiddelen zijn toegepast of, wat betreft geuroverlast, zijn geëffectueerd. Verzoekster vreest vanwege het bestreden besluit onevenredige nadelige gevolgen onder meer omdat de lopende procedure ter verkrijging van een revisievergunning hierdoor wordt doorkruist. Voorzover er al sprake mocht zijn van een onrechtmatige situatie, is legalisatie volgens haar mogelijk. In dit kader merkt zij op dat de gestelde termijn om aan de in geding zijnde voorschriften te voldoen te kort is vanwege de benodigde vergunningprocedures.
2.3. Verweerder heeft onder meer de rapporten van TNO van augustus 2001 en mei 2002 en van VKS van 21 november 2001 en 3 april 2002 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, waarin is gesteld dat de voorschriften A2.1 en A2.2 die aan de krachtens de Hinderwet verleende vergunning zijn verbonden en voorschrift B6 dat aan de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning is verbonden bij het in werking zijn van de inrichting worden overtreden. De Voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van die rapporten heeft kunnen uitgaan. Zo is de Voorzitter niet gebleken dat de rapporten geen representatief beeld geven van de geuremissie en geluidbelasting vanwege de inrichting. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Voorzitter voldoende aannemelijk dat voornoemde voorschriften ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werden overtreden, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.
Mede gelet op het feit dat eind 2002 een aanvraag om een revisievergunning is ingediend, is de Voorzitter echter van oordeel dat verweerder had moeten onderzoeken of in het onderhavige geval met minder vergaande handhavingsmiddelen had kunnen worden volstaan. Nu niet afdoende is gebleken dat verweerder dit heeft onderzocht, is het bestreden besluit derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid. Voorts is de Voorzitter van oordeel dat onvoldoende is onderzocht of verzoekster binnen de gestelde termijn de overtreding van voornoemde voorschriften kan beëindigen. In zoverre is het bestreden besluit eveneens strijdig met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Aan bespreking van de overige gronden van het verzoek komt de Voorzitter niet toe.
2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 4 februari 2003, kenmerk BA/2002/3307, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Overijssel te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de provincie Overijssel aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2003
255-415.