Uitspraak 202106170/1/V1


Volledige tekst

202106170/1/V1.
Datum uitspraak: 30 juni 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juni 2021 en haar einduitspraak van 27 augustus 2021, beide in zaak nr. 20/8323 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 29 juni 2021 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om het in de uitspraak geconstateerde gebrek aan dat besluit te herstellen.

Bij brief van 8 juli 2021 heeft de staatssecretaris de rechtbank meegedeeld geen gebruik te maken van voormelde in de tussenuitspraak geboden gelegenheid.

Bij einduitspraak van 27 augustus 2021 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 15 oktober 2020 door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak.

Tegen de einduitspraak en de tussenuitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Ross, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 6 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 11 september 2017 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De vreemdeling heeft daartegen beroepsgronden ingediend.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 28 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1260, over de toepassing van het jongvolwassenenbeleid). Het hoger beroep geeft geen aanleiding hierover in dit geval anders te oordelen.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank worden bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Het beroep van de vreemdeling tegen het nieuw genomen besluit

3.       De staatssecretaris heeft het besluit van 6 oktober 2021 genomen ter uitvoering van de einduitspraak. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

4.       De staatssecretaris heeft aan het besluit van 6 oktober 2021 ten grondslag gelegd wat hij heeft aangevoerd in hoger beroep.

4.1.    Uit de uitspraak van 28 april 2022, onder 4, volgt dat de staatssecretaris ten onrechte een beleid hanteert waarin hij alleen personen tot ongeveer 25 jaar beschouwt als jongvolwassene. Ook personen ouder dan ongeveer 25 jaar kunnen onder omstandigheden als jongvolwassene worden gezien. De staatssecretaris heeft daarom ten onrechte aangenomen dat de vreemdeling geen jongvolwassene is alleen al omdat zij op het peilmoment ruim 26 jaar oud was, en daarmee ouder dan ongeveer 25 jaar. Bij de beoordeling of het jongvolwassenbeleid van toepassing is, moet de staatssecretaris een op het geval toegespitste kenbare beoordeling maken door alle van belang zijnde aspecten kenbaar mee te wegen, waarbij hij dus niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de leeftijd van een vreemdeling als die hoger is dan 25 jaar. Als de staatssecretaris vervolgens een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM maakt, zal hij onder meer de door de rechtbank in de tussenuitspraak genoemde individuele omstandigheden moeten meewegen.

4.2.    Omdat de staatssecretaris ook in het besluit van 6 oktober 2021 niet alle voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid van belang zijnde aspecten kenbaar heeft meegewogen, heeft de vreemdeling terecht aangevoerd dat dat besluit, net als het besluit van 15 oktober 2020, ondeugdelijk is gemotiveerd.

5.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 6 oktober 2021 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraken;

II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2021, V-[…], gegrond;

III.      vernietigt dat besluit;

IV.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.       bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schuurman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022

382-958