Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200206832/1

Uitspraak 200206832/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AF8940
Datum uitspraak
21 mei 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 juni 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage een aanvraag van appellant om toevoeging in de zin van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Rechtsbijstand

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200206832/1.
Datum uitspraak: 21 mei 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 7 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage een aanvraag van appellant om toevoeging in de zin van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand
's-Gravenhage (hierna: de raad) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2002, verzonden op 14 november 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 januari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak behandeld ter zitting van 25 april 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.A. Molier, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het rechtsbelang, waarop het verzoek betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand.

2.2. Appellant is gedagvaard tot betaling van een gesubrogeerde geldvordering wegens het uit elkaar nemen van een door appellant gekochte oplegger op het terrein, waarop appellant zijn sloperij uitoefende. Deze oplegger was ontvreemd van een verzekeringnemer van eiseres tot betaling. Het verzoek om toevoeging betreft rechtsbijstand in deze procedure.

2.3. Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij, gelet op zijn gezondheid, de aard van de vordering en de gevolgen voor hem bij toewijzing daarvan, alsmede de redelijkheid en billijkheid, in aanmerking had moeten komen voor de gevraagde toevoeging.

2.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad op goede gronden heeft geconcludeerd dat de geldvordering betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig bedrijf, als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb en dat de bepaling aan verlening van de gevraagde toevoeging in de weg staat. De door appellant gestelde omstandigheden kunnen daaraan niet afdoen.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Sparreboom
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003

195-209.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon