Uitspraak 202104460/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2022:1708
- Datum uitspraak
- 16 juni 2022
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 25 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202104460/1/V1.
Datum uitspraak: 16 juni 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kind,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 juli 2021 in zaken nrs. NL20.13099 en NL20.13101 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 25 juni 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 5 juli 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Runhaar, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend waarop de vreemdelingen hebben gereageerd.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft het asielverzoek van de vreemdelingen niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling daarvan (artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening en artikel 12, eerste en vierde lid, van de Dublinverordening).
2. De vreemdelingen klagen in grief 1 terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op hun beroepsgrond dat de Italiaanse overheid slachtoffers van mensenhandel geen bescherming biedt tegen mensenhandelaren, maar de grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen de Italiaanse overheid niet om bescherming hebben gevraagd. Verder hebben zij in hun beroepsgrond tevergeefs aangevoerd dat zij met informatie van het Landelijk coördinatiecentrum tegen mensenhandel Comensha (hierna: Comensha) en Freedom House hebben onderbouwd dat de Italiaanse overheid geen bescherming biedt aan slachtoffers van mensenhandel.
In het internetartikel van Comensha (‘Bijna 1000 Nigeriaanse asielzoekers zijn vorig jaar uit opvang verdwenen. Signalen mensenhandel én babyhandel’), waar door de vreemdelingen in het beroepschrift op is gewezen, staat dat Nigeriaanse criminele organisaties in Europa meer voet aan de grond hebben gekregen en dat dit soort groepen in Italië langere tijd actief zijn. Ook staat in die informatie dat asielzoekers met de Nigeriaanse nationaliteit in Nederland worden bedreigd door mensenhandelaren in Italië. Hieruit volgt echter niet dat de Italiaanse overheid geen bescherming biedt tegen mensenhandelaren.
In het door de vreemdelingen in het beroepschrift geciteerde deel uit het jaarrapport 2019 van Freedom House van 4 maart 2020 staat weliswaar dat de Italiaanse autoriteiten niet voldoen aan de minimumnormen voor de uitbanning van mensenhandel, maar daarin staat ook dat de Italiaanse regering actief werkt aan het identificeren en vervolgen van mensenhandelaren en het financieren van diensten voor slachtoffers. Hieruit volgt dus ook niet dat de Italiaanse overheid geen bescherming biedt tegen mensenhandelaren. Dat de Italiaanse overheid volgens Freedom House geen acht heeft geslagen op de doorverwijzingen van slachtoffers van mensenhandel door internationale niet-gouvernementele organisaties en humanitaire organisaties en deze niet adequaat heeft beoordeeld, betekent ook niet dat de Italiaanse overheid in de opvangvoorzieningen geen bescherming biedt aan slachtoffers van mensenhandel.
3. Wat de vreemdelingen in grieven 2 en 3 aanvoeren, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2022
488-954.