Uitspraak 202104309/1/A3


Volledige tekst

202104309/1/A3.
Datum uitspraak: 11 mei 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Utrecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 20 mei 2021 in zaak nr. 19/5080 en 19/5081 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de burgemeester van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2019 heeft de burgemeester een exploitatievergunning verleend voor [restaurant A] aan de [locatie 1] in Utrecht.

Bij besluit van 17 oktober 2019 heeft de burgemeester het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2021 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2022, waar [appellanten], vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, rechtsbijstandverlener te Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door L. Sluiter, via videoverbinding zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Aan de [locatie 1] was [restaurant B] gevestigd. [partij] heeft die horecazaak overgenomen. Op 29 december 2018 heeft hij een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor [restaurant A]. De burgemeester heeft de exploitatievergunning verleend en de vergunningverlening in bezwaar gehandhaafd. De exploitatievergunning geldt ook voor het terras bij het restaurant. Daarbij heeft de burgemeester onderdeel III van het Besluit wijziging regelgeving horecabedrijven toegepast. Daaruit volgt dat bij een ongewijzigde overname van een horecabedrijf dat een terras had, vergunning wordt verleend voor dat terras als de aanvrager hierom verzoekt. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met het terras. Zij wonen in de nabijheid van het restaurant en stellen van het gebruik van de terrassen aan dit deel van de Oudegracht overlast te ondervinden.

1.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de aanvraag niet hoefde te toetsen aan het Ontwikkelingskader Horeca Utrecht 2018 (hierna: OHU 2018). Het OHU 2018 vormt voor de aanvraag geen toetsingskader. Het OHU 2018 is alleen van toepassing bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een nieuwe horecazaak die niet in het ter plaatse geldende bestemmingsplan past. Uit de exploitatievergunning voor [restaurant B] kan niet worden afgeleid dat de burgemeester geen exploitatievergunning zou verlenen. Dat het onderhavige terras onaanvaardbare overlast veroorzaakt, hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

2.       [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester de aanvraag aan het OHU 2018 had moeten toetsen. In de procedure over de verlening van een exploitatievergunning voor de vorige horecazaak, [restaurant B], vond de burgemeester nog dat de aanvraag aan het OHU van 2007 en 2012 moest worden getoetst. Bovendien heeft de burgemeester bij de beoordeling van de aanvraag van [restaurant C], dat gevestigd is aan de [locatie 2], voor een exploitatievergunning voor een terras bij haar horecazaak aan het OHU 2012 getoetst. Ook op die locatie staat het bestemmingsplan een terras ter plaatse toe. Bij de verlening van de exploitatievergunning voor [restaurant B] is afgeweken van het OHU 2012 en in die vergunning stond dat een ander geen rechten kan ontlenen aan die afwijking. Hieruit volgt volgens [appellanten] dat er geen terras bij een [restaurant B] opvolgende horecaonderneming zou worden toegestaan. Dat zij geen specifieke overlast van het restaurant ervaren, neemt verder niet weg dat zij overlast ervaren van de vele horecazaken aan de Oudegracht. Dat die overlast er is, heeft de burgemeester erkend, aldus [appellanten].

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.    Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Horecaverordening gemeente Utrecht 2018 luidt: "De burgemeester weigert de exploitatievergunning indien naar zijn oordeel de openbare orde, veiligheid of de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf."

2.2.    In het OHU 2018 staat op welke wijze de gemeente om wil gaan met de vestiging van horeca in de stad. In paragraaf 5 staat dat bestaande horecazaken in bestemmingsplannen als zodanig worden bestemd. Nieuwe horecazaken worden daarin niet opgenomen, tenzij ze voldoende concreet of gewenst zijn. Voor nieuwe horecazaken die niet in het bestemmingsplan passen, bestaat de mogelijkheid om een omgevingsvergunning aan te vragen ter afwijking van het bestemmingsplan. In het OHU 2018 is het beleid neergelegd voor het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning, aldus het OHU 2018. Voor [restaurant A] is geen aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning, maar voor een exploitatievergunning. Omdat op het perceel [locatie 1] een horecazaak was gevestigd die op grond van het bestemmingsplan "Binnenstad" was toegestaan, is er ook geen omgevingsvergunning nodig. Omdat in het OHU 2018 het beleid is neergelegd voor het verlenen van een omgevingsvergunning, stelt de burgemeester terecht dat het OHU 2018 niet van toepassing is op de aanvraag. [appellanten] wijzen erop dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen van [restaurant B] en [restaurant C], dat in de nabijheid van [restaurant A] is gevestigd aan de [locatie 2], is getoetst aan het OHU. De Afdeling overweegt dat het daarbij niet om vergelijkbare gevallen gaat. In die zaken ging het om de uitbreiding van een horecazaak met een nieuw terras. De burgemeester heeft voor die beoordeling van die aanvragen aangesloten bij het OHU, zoals dat toen luidde. In de voorliggende zaak gaat het om een bestaand terras waarvoor reeds op 26 juli 2012 een exploitatievergunning is verleend.

2.3.    Over de exploitatievergunning voor het terras van [restaurant B] stond in het besluit op bezwaar van 26 juli 2012 dat de burgemeester die vergunning zou moeten weigeren, omdat aan de Oudegracht, ten zuiden van de Hamburgerstraat, volgens het OHU 2012 geen terrassen zijn toegestaan. In het geval van [restaurant B] zag de burgemeester aanleiding om af te wijken van het OHU 2012. Aan twee horecazaken in de directe nabijheid van dat restaurant waren namelijk exploitatievergunningen verleend voor een nieuw terras, hoewel die daarvoor ook niet in aanmerking kwamen. In het besluit op bezwaar stond dat een ander geen rechten kan ontlenen aan deze specifieke afwijking van het OHU 2012. De Afdeling begrijpt deze zin, net als de rechtbank, aldus dat daarmee werd beoogd te voorkomen dat omliggende horecabedrijven die een nieuw terras willen waar dat op grond van het OHU 2012 niet is toegestaan onder verwijzing naar de vergunningverlening aan [restaurant B] aanspraak zouden kunnen maken op vergunningverlening voor dat nieuwe terras. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, kan uit voormelde zin niet worden afgeleid dat een exploitatievergunning voor het terras bij [restaurant B] zou worden geweigerd indien een opvolgend horecaexploitant de exploitatie, inclusief die van het terras, zou willen voortzetten.

2.4.    Volgens onderdeel III van het Besluit wijziging regelgeving horecabedrijven wordt bij ongewijzigde overname van een horecabedrijf het terras vergund conform de vorige vergunning indien de aanvrager hierom verzoekt. Uit de toelichting op dit besluit volgt dat met deze keuze beoogd wordt te voorkomen dat de nieuwe exploitant, die bij de aankoopsom en exploitatie rekening heeft gehouden met het terras, wordt benadeeld. In de toelichting staat dat een ondernemer in het algemeen ervan kan uitgaan dat voor een bestaand terras opnieuw een vergunning wordt verleend. Wel is het mogelijk dat een terras om verschillende redenen op lange termijn niet meer wenselijk is op een bepaalde locatie. De burgemeester kan in dat geval besluiten geen vergunning te verlenen, aldus de toelichting. In de voorliggende zaak stelt de burgemeester dat de laatste klacht over het terras van [restaurant B] in 2014 is ingediend en dat deze niet tot een sanctie heeft geleid. Tussen de vergunningverlening voor [restaurant A] op 27 februari 2019 en de sluiting van horecazaken als coronamaatregel begin 2020 zijn ook geen klachten ontvangen. De burgemeester heeft het levensgedrag van [partij] betrokken bij de beoordeling van de vergunningverlening. Gelet hierop en op de toelichting op het Besluit wijziging regelgeving horecabedrijven, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunning, voor zover die betrekking heeft op het terras, had moeten weigeren.

2.5.    Het betoog slaagt niet.

Slotsom

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.       De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. A. Kuijer, en mr. C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Drop
voorzitter

w.g. Man
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022

629.