Uitspraak 200300925/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:AR3915
- Datum uitspraak
- 14 april 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200300925/1.
Datum uitspraak: 14 april 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 10 januari 2003 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 10 januari 2003, verzonden op 16 januari 2003, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 februari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt appellante dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat werkinstructie 31 geen gunstiger beleid bevat dan onderdeel C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).
2.2. De grief kan niet tot het ermee beoogde doel leiden, omdat geen grond bestaat om de staatssecretaris gehouden te achten aan ander beleid, dan hij ten tijde van het bestreden besluit voerde. Artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 biedt daarvoor geen grondslag, reeds omdat het niet van toepassing is op aanvragen om een verblijfsvergunning asiel. Werkinstructie 244a doet dat evenmin, reeds omdat de in deze werkinstructie beschreven handelwijze enkel ziet op werkinstructies die per 1 april 2001 zijn komen te vervallen en werkinstructie 31 per 1 februari 2001 vervangen is door het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2001/2.
De staatssecretaris heeft de aanvraag van appellante derhalve terecht beoordeeld aan de hand van het beleid, zoals dat werd gevoerd ten tijde van het nemen van de beslissing daarop, neergelegd in onderdeel C1/4.4 van de Vc 2000.
Nu de gebeurtenis, waarop appellante zich heeft beroepen, niet kan worden aangemerkt als een van de in dit onderdeel opgesomde gebeurtenissen, heeft de staatssecretaris aan dat beleid door de aanvraag af te wijzen geen onjuiste toepassing gegeven.
2.3. In grief 2 klaagt appellante dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).
2.4. Ingevolge het eerste lid van dat artikel houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
2.5. Dat appellante een alleenstaande moeder is met een kind, geboren op 14 november 1999, kan, gelet op de datum van het bestreden besluit, niet worden aangemerkt als feit of omstandigheid in de zin van die bepaling.
Het ontbreken van een officiële registratie in China van het kind, kan evenmin aangemerkt worden als zodanig feit of omstandigheid, nu de eis van registratie van kinderen en de eventuele sancties bij het ontbreken, elementen zijn van overheidsbeleid dat reeds lang in China wordt gevoerd. Appellante had dit derhalve eerder kunnen, en ingevolge het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 moeten, aanvoeren.
Reeds op grond van het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen toepassing aan artikel 83 van de Vw 2000 gegeven. De grief faalt.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb
Voorzitter
w.g. Van Gastel
Ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2003
261-434.