Uitspraak 202002755/1/A2


Volledige tekst

202002755/1/A2.
Datum uitspraak: 15 december 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 25 maart 2020 in zaak nr. 19/190 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2018 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. van Kuijk, en het college, vertegenwoordigd door Y. Trienekens, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [appellant] is sinds 1999 eigenaar van een woning aan de [locatie 1] in Leende. Hij heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die hij in de vorm van waardevermindering van zijn woning heeft geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Kom Leende-Leenderstrijp 2015" op 16 maart 2016. Met dit plan is de bestemming van het naast zijn woning gelegen perceel [locatie 2] gewijzigd, waardoor op het perceel onder meer een café mag worden gevestigd. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of [appellant] door de inwerkingtreding van het nieuwe plan in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren.

2.       Bij besluit van 28 juni 2018, dat het college met het besluit van 5 december 2018 heeft gehandhaafd, heeft het college de aanvraag van [appellant] op basis van een advies van Antea Group van 20 juni 2018 afgewezen. In het advies is een vergelijking gemaakt tussen het gebruik van het perceel als cafetaria, zoals mogelijk op grond van het bestemmingsplan "Kom Leende", dat gold voorafgaand aan het nieuwe plan, en het gebruik van het perceel als café, zoals mogelijk gemaakt met het nieuwe plan. Volgens het advies zal de functie als café in het weekend redelijkerwijs meer hinder geven dan een cafetaria. Het effect van de wijze van gebruik en bijbehorende geluidhinder is bij een café enigszins sterker dan bij een cafetaria. Dit leidt volgens het advies in het weekend tot een planologisch nadeel. Anderzijds is volgens het advies van belang dat onder meer het gebruiksoppervlakte van de horecafunctie, waaronder het oppervlakte voor het terras, in de nieuwe situatie is afgenomen en dat is volgens het advies positief voor [appellant]. Voor wat betreft het aspect geluidhinder leidt het nieuwe plan volgens het advies per saldo daardoor niet tot een planologische verslechtering. Voor de aspecten geurhinder en privacy is er volgens het advies geen sprake van een wezenlijke planologische verslechtering. Ook de situeringswaarde wordt volgens het advies niet wezenlijk aangetast, aangezien de voordelen opwegen tegen de nadelen.

Op doordeweekse dagen zal de hinder van een cafetaria qua geur, geluid en privacy enigszins groter zijn dan bij een café aangezien het bezoek aan die functie op die dagen hoger ligt dan bij het gebruik van het perceel als café. Voor dat deel van de week ontstaat er voor [appellant] dan ook geen planologische verslechtering.

Het voorgaande maakt volgens het advies dat de planologische wijziging niet heeft geleid tot schade die voor vergoeding in aanmerking komt.

3.       De rechtbank heeft het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het advies van Antea Group, zodat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen.

Het hoger beroep

4.       [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de in het advies van Antea Group opgenomen planvergelijking voldoende inzichtelijk en begrijpelijk is. [appellant] betoogt dat in het advies ten onrechte niet is onderkend dat een cafetaria en een café wezenlijk van elkaar verschillen. Anders dan bij een cafetaria is bij een café kenmerkend dat het bezoek gericht is op het ter plaatse nuttigen van consumpties, waarbij het drinken van alcoholische dranken een belangrijke rol heeft. Dit geldt ook voor het afspelen van muziek. Bovendien is de verblijfsduur bij een café langer dan bij een cafetaria. Volgens [appellant] leidt dit tot meer geluidhinder en een grotere aantasting van zijn privacy, wat een negatief effect heeft op de situeringswaarde van zijn woning. Volgens [appellant] is in het advies verder ten onrechte geconcludeerd dat een café alleen in het weekend tot meer geluidhinder zal leiden. Hiermee is ten onrechte niet de maximale invulling van de nieuwe bestemming als uitgangspunt in de planvergelijking betrokken. Volgens [appellant] had van een zeven dagen per week drukbezocht café uitgegaan moeten worden.

In het advies is volgens [appellant] verder ten onrechte geconcludeerd dat een terras van een café aan de achterzijde van het pand minder hinder met zich brengt dan het eerder toegestane terras van een cafetaria. Verder duiden de in het bestemmingsplan opgenomen beperkingen voor het toegestane binnengeluidsniveau en het bronvermogen van de afzuiging, er volgens [appellant] op dat de nieuwe functie eerder aanleiding geeft om dergelijke beperkingen uitdrukkelijk in het plan te regelen dan bij de oude functie. Dit is dan ook ten onrechte als voordeel meegenomen in de beoordeling.

4.1.    Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Zie de overzichtsuitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 2.1.

4.2.    In het advies van Antea Group is een vergelijking gemaakt tussen de gevolgen voor [appellant] van het gebruik van het perceel als cafetaria, zoals toegestaan op grond van het oude plan, en van het gebruik van het perceel als café, zoals dat mogelijk is gemaakt met het nieuwe plan. Partijen zijn het er over eens dat met een vergelijking van deze twee functies een vergelijking is gemaakt tussen wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd en de voor [appellant] meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van het perceel op grond van het nieuwe plan. Partijen verschillen van mening over de vraag op welke wijze de als gevolg van deze functies te verwachten hinder moet worden beoordeeld.

4.3.    Wat betreft het aspect geluid is in het advies geconcludeerd dat de vestiging van een café op het perceel per saldo niet tot een planologische verslechtering leidt. Dat het gebruik van de gronden voor een café wezenlijk verschilt van het gebruik van de gronden voor een cafetaria, zoals [appellant] betoogt, is een aspect dat daarbij is betrokken. Dit verschil in gebruik leidt er volgens het advies immers toe dat in de nieuwe planologische situatie in het weekend meer geluidhinder te verwachten is.

4.4.    Voor het oordeel dat het planologische nadeel in het advies daarmee is onderschat, ziet de Afdeling geen aanleiding. Daarbij is ten eerste van belang dat bij de invulling van het op grond van het nieuwe regime toegestane gebruik wat betreft de te verwachten geluidhinder niet uit hoeft te worden gegaan van een maximale invulling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de overzichtsuitspraak onder 2.4, moet in het geval de gestelde schade te herleiden is tot een gestelde toename van geluidbelasting onder het nieuwe planologische regime, bij de planvergelijking in het kader van het onderzoek naar hetgeen op grond van het nieuwe planologische regime op de peildatum maximaal kan worden gerealiseerd, een reële prognose worden gemaakt van het gebruik van de bewuste gronden met de daaruit voortvloeiende redelijkerwijs te verwachten geluidbelasting. Anders dan [appellant] betoogt, hoefde in het advies daarmee niet uit te worden gegaan van een café dat zeven dagen in de week druk bezocht wordt, maar van een reële prognose van het gebruik. Het betoog biedt geen aanleiding om te twijfelen aan de aan de planvergelijking ten grondslag gelegde prognose. Aan het besluit van het college ligt de veronderstelling ten grondslag dat een café dat gevestigd is in een dorp in het weekend intensiever wordt bezocht dan op doordeweekse dagen. Deze veronderstelling is in overeenstemming met hoe cafés in dorpen, afgaande op de algemene ervaring, worden bezocht. [appellant] heeft niets aangevoerd waaruit de Afdeling zou kunnen afleiden dat het bezoekerspatroon op deze locatie van de algemene ervaring zal afwijken.

4.5.    De te verwachten geluidhinder in het weekend komt blijkens de in het advies opgenomen tabel voort uit de aanwezigheid van muziek en de duur van de aanwezigheid van personen. Weliswaar volgt uit het advies niet dat bij de vaststelling van dit verschil ook de rol die de consumptie van alcohol in een café en de daarmee mogelijk samenhangende hinder is betrokken, waarop [appellant] wijst, maar daarin ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat de te verwachten geluidhinder in de nieuwe situatie is onderschat. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat dit aspect in het advies wel is onderkend, aangezien dit volgens Antea Group zowel in de oude als in de nieuwe planologische situatie niet is gereguleerd en daarmee niet is uitgesloten. Bovendien moet volgens Antea Group bij de beoordeling van de geluidhinder van een cafetaria ook rekening worden gehouden met het bezoek van personen nadat zij een café hebben bezocht en de bijbehorende hinder, hetgeen de Afdeling aannemelijk acht aangezien het niet ongebruikelijk is dat een cafetaria, net als een café, ook in de avond- en nachturen open is, zodat de overlast in die periode niet wezenlijk van elkaar zal verschillen. [appellant] heeft niets aangevoerd waaruit de Afdeling zou kunnen afleiden dat het op deze locatie anders zal zijn.

4.6.    Voor zover [appellant] wijst op de in de planregels opgenomen bepalingen waarmee het binnengeluidsniveau en het bronvermogen van de afzuiginstallatie zijn gereguleerd teneinde aan de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer te kunnen voldoen, wordt er in de tekst van het advies weliswaar op gewezen dat dergelijke beperkingen niet in het oude plan waren opgenomen, maar dat doet er niet aan af dat, zoals ook is geconstateerd in het advies, in beide situaties aan de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet worden voldaan. Uit de in het advies opgenomen tabel volgt dan ook in lijn daarmee dat dit aspect niet als voordeel bij de beoordeling van de geluidhinder in de nieuwe situatie is betrokken. Dit betoog biedt daarmee evenmin grond voor het oordeel dat de geluidhinder in de nieuwe planologische situatie is onderschat.

4.7.    Volgens het advies leidt het nieuwe plan per saldo wat betreft de te verwachten geluidhinder niet tot een nadeliger situatie omdat de omvang van het bij de inrichting toegestane terras en de daarmee gepaard gaande hinder in de nieuwe situatie is afgenomen. Dat het terrasgebruik zich aan de achterzijde van het pand zal concentreren als gevolg van het vervallen van de mogelijkheid om aan de voorzijde van het pand een terras te realiseren, zoals [appellant] betoogt, is op zichzelf juist, maar dat doet er niet aan af dat dit gebruik op grond van het oude plan ook al toegestaan. Hoewel aannemelijk is dat het gebruik van een terras door gasten van een café op zichzelf tot meer overlast leidt dan het gebruik van een terras door gasten van een cafetaria, hetgeen ook volgt uit de constatering in het advies dat in het weekend meer overlast te verwachten is, heeft de rechtbank de conclusie in het advies dat per saldo geen sprake is van een nadeel terecht niet onbegrijpelijk geacht. Daarbij is van belang dat de omvang van de gronden aan de achterkant van het pand die als terras kunnen worden gebruikt aanzienlijk is verkleind en de gronden aan de voorzijde in zijn geheel niet meer als terras mogen worden gebruikt.

4.8.    Voor zover [appellant] verder wijst op de aspecten privacy, geur en situeringswaarde, biedt zijn betoog evenmin aanleiding voor het oordeel dat deze schadeaspecten in het advies onjuist zijn beoordeeld of dat de gevolgen van het nieuwe plan in zoverre zijn onderschat. In het advies is over geurhinder en de aantasting van de privacy van [appellant] uiteengezet dat dit zowel bij een cafetaria als bij een café aan de orde is, zodat het nieuwe plan voor deze aspecten geen groter nadeel met zich brengt. Het betoog dat het gebruik van het perceel voor een cafetaria en voor een café wezenlijk van elkaar verschillen, zoals [appellant] betoogt, biedt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.3 en 4.4, geen grond voor het oordeel dat de aantasting van de privacy als gevolg van een café is onderschat. Ook wat betreft het aspect geurhinder biedt het betoog geen aanknopingspunt voor het oordeel dat dit aspect onjuist is beoordeeld. Wat betreft de situeringswaarde is in het nadere advies van 19 september 2018 toegelicht dat de situeringswaarde van de woning van [appellant] volgens Antea Group niet is gedaald omdat slechts sprake is van een beperkte gebruikswijziging in een bestaande en bebouwde stedelijke omgeving. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over de geluidhinder, geurhinder en aantasting van de privacy, is deze stelling navolgbaar. De stelling van [appellant] dat een koper bereid zal zijn om meer te betalen voor een woning naast een cafetaria dan naast een café, heeft hij niet onderbouwd.

4.9.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college in het hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten heeft hoeven zien om aan de juistheid of volledigheid van het onderzoek te twijfelen. Het voorgaande maakt dat het college zich op grond van het advies terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan voor [appellant] niet tot een planologisch nadeliger situatie heeft geleid, zodat het betoog faalt.

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2021

674