Uitspraak 202006551/1/R1


Volledige tekst

202006551/1/R1.
Datum uitspraak: 15 december 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, en tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Hengstdijk, gemeente Hulst,

2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beide wonend te Vogelwaarde, gemeente Hulst,

3.       [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te Vogelwaarde, gemeente Hulst,

appellanten,

en

1.       het college van burgemeester en wethouders van Hulst,

2.       de raad van de gemeente Hulst,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2020 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Landbouwweg Vogelwaarde, uitbreiding [hoefijzerfabriek] Vogelwaarde, wegbestemmen bedrijf Magdalenastraat Heikant" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) vastgesteld (hierna: het besluit hogere waarden).

Bij besluit van 1 oktober 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Landbouwweg Vogelwaarde, uitbreiding [hoefijzerfabriek] Vogelwaarde, wegbestemmen bedrijf Magdalenastraat Heikant" vastgesteld.

Tegen het besluit van 1 oktober 2020 hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] beroep ingesteld.

Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 4 oktober 2021, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.G. Hage, advocaat te Terneuzen, [appellant sub 2A], [appellanten sub 3], en de raad en het college, vertegenwoordigd door J. Markenhof en P. Verstraeten, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het bestemmingsplan "Landbouwweg Vogelwaarde, uitbreiding [hoefijzerfabriek] Vogelwaarde, wegbestemmen bedrijf Magdalenastraat Heikant" voorziet in de aanleg van een landbouwweg ten oosten van de kern Vogelwaarde. Ook voorziet het bestemmingsplan in de uitbreiding van de aanwezige [hoefijzerfabriek]. De ontsluiting van de hoefijzerfabriek zal met name via de landbouwweg plaatsvinden, waarmee zwaar vrachtverkeer van en naar de hoefijzerfabriek in de kern van Vogelwaarde wordt verminderd. Om de bedrijfsuitbreiding van de hoefijzerfabriek mogelijk te maken is het wegbestemmen van een bedrijfslocatie ergens anders noodzakelijk. Daarom maakt een locatie aan de Magdalenastraat in Heikant ook deel uit van het plan. Gelet hierop bestaat het plangebied uit twee deelgebieden, namelijk de landbouwweg en de hoefijzerfabriek aan de oostzijde van de kern Vogelwaarde en de Magdalenastraat aan de zuidzijde van de kern Heikant.

2.       Het college heeft hogere geluidgrenswaarden vastgesteld. Het besluit hogere waarden is vastgesteld in verband met de toename van de geluidbelasting op bestaande gevoelige gebouwen als gevolg van de aanleg van de landbouwweg. Het besluit hogere waarden heeft geen betrekking op de woningen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellanten sub 3]. Hun beroepsgronden zien ook niet op dit besluit, maar wat betreft het onderwerp geluid alleen op de vaststelling van het bestemmingsplan.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

Inleiding

4.       [appellant sub 1] en anderen wonen allen aan de Margaretsedijk, ten oosten van Vogelwaarde. De Margaretsedijk zal via een T-splitsing worden aangesloten op de landbouwweg. [appellant sub 1] en anderen zijn het niet eens met het plan. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat, omdat volgens hen het verkeer ter hoogte van hun woningen zal toenemen.

Verkeer

5.       [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare toename van de verkeersstromen ter hoogte van hun woningen. [appellant sub 1] en anderen stellen dat het bij het plan behorende verkeersonderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. De verkeerstellingen zijn volgens hen in een veel te korte periode uitgevoerd, namelijk van 16 april 2019 tot en met 29 april 2019. Hierdoor is er volgens [appellant sub 1] en anderen geen goed beeld ontstaan van de werkelijke verkeersbewegingen. Ook stellen zij dat het vakantieverkeer, de seizoensbewegingen van het landbouwverkeer en de komst van het plan "Perkpolder", dat voorziet in de aanleg van een jachthaven en een vakantiepark ten noorden van Hengstdijk, ten onrechte niet zijn meegenomen in het verkeersonderzoek. Daarnaast vrezen zij dat het verkeer op de landbouwweg toeneemt als gevolg van de uitbreiding van het grondoppervlak en de activiteiten van de hoefijzerfabriek.

5.1.    De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de aanleg van de landbouwweg geen sprake is van een onaanvaardbare toename van verkeer ter hoogte van de woningen van [appellant sub 1] en anderen. De raad heeft het rapport "Landbouwweg Vogelwaarde" van 24 maart 2020 van Juust B.V. (hierna: het verkeersonderzoek) aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegd. In het verkeersonderzoek staat aangegeven dat van 16 april 2019 tot en met 29 april 2019 een telling van het verkeer is uitgevoerd op vier locaties. In wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het verkeersonderzoek is uitgegaan van niet-representatieve uitgangspunten. Hierbij betrekt de Afdeling de toelichting van de raad dat de door Juust B.V. geschatte intensiteiten zijn verwerkt voor het prognosejaar 2030, waarbij rekening is gehouden met een autonome groei van het verkeer van 0.5% per jaar. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze toelichting van de raad te twijfelen. Ook betrekt de Afdeling hierbij dat het zwaar vrachtverkeer is meegenomen in het verkeersonderzoek. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, is wel met het vakantieverkeer rekening gehouden, omdat het verkeersonderzoek tijdens het paasweekend van 19 april 2019 tot en met 22 april 2019 en aan het begin van de meivakantie van 27 april 2019 is uitgevoerd. [appellant sub 1] en anderen hebben niet onderbouwd waarom deze vakantieperioden niet als representatief kunnen worden beschouwd. Wat betreft de stelling van [appellant sub 1] en anderen dat de uitbreiding van de hoefijzerfabriek zal leiden tot een toename van het verkeer op de landbouwweg, heeft de raad op de zitting toegelicht dat het zwaar vrachtverkeer van de hoefijzerfabriek richting het zuiden zal rijden en niet richting de woningen van [appellant sub 1] en anderen. [appellant sub 1] en anderen hebben daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de realisering van de in het plan "Perkpolder" voorziene ontwikkelingen van enige invloed is op het gebruik van de landbouwweg. De raad heeft toegelicht dat het plan "Perkpolder" zal worden aangesloten op de N689 die langs Kloosterzande, Kuitaart en Terhole loopt, op ongeveer 3,2 km van de kern Vogelwaarde. De Afdeling ziet, mede gezien de toelichting van de raad op de zitting dat het doorgaand verkeer van en naar Perkpolder voornamelijk via die weg zal rijden, wat door [appellant sub 1] en anderen niet is bestreden, geen aanleiding aan die toelichting te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

Geluid

6.       [appellant sub 1] en anderen betogen verder dat de aanleg van de landbouwweg en de uitbreiding van de hoefijzerfabriek meer geluidoverlast zullen veroorzaken ter hoogte van hun woningen. Volgens hen had de raad de gevolgen van de landbouwweg en de uitbreiding van de hoefijzerfabriek cumulatief moeten bezien om de nadelige gevolgen voor de bewoners aan de oostelijke zijde van de voorziene landbouwweg te bepalen.

6.1.    Aan het bestemmingsplan ligt het akoestisch rapport "Geluid prognose onderzoek ruimtelijke inpassing uitbreiding [Hoefijzerfabriek] [locatie 1] Vogelwaarde" van oktober 2020 van Raadgevend Ingenieursbureau Metz B.V. (hierna: het akoestisch rapport ten aanzien van de hoefijzerfabriek) ten grondslag.

Ook ligt aan het bestemmingsplan het akoestisch rapport "Onderzoek wegverkeerslawaai aanleg landbouwweg Vogelwaarde" van oktober 2020 van het Raadgevend Ingenieursbureau Metz B.V. (hierna: het akoestisch rapport) ten grondslag.

6.2.    De raad stelt zich op het standpunt dat de geluidstoename als gevolg van de landbouwweg ter hoogte van de woningen van [appellant sub 1] en anderen niet onaanvaardbaar is. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de voorkeursgrenswaarde op de gevels van de woningen aan de Margaretsedijk niet wordt overschreden. Uit het akoestisch rapport is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB alleen bij het adres [locatie 2] wordt overschreden. Voor deze woning heeft het college een hogere waarde vanwege het wegverkeerslawaai vastgesteld. De raad heeft verder, onder verwijzing naar de reactie op de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen, toegelicht dat voor de berekening van het wegverkeerslawaai uitsluitend moet worden uitgegaan van de verkeersintensiteiten. Hierbij is de verkeersafwikkeling van en naar de hoefijzerfabriek, inclusief de uitbreiding van de hoefijzerfabriek, betrokken. In zoverre is de cumulatie vanwege de verkeersaantrekkende werking van de hoefijzerfabriek volgens de raad meegenomen in het akoestisch rapport. De geluidbelasting als gevolg van de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van de hoefijzerfabriek zijn volgens de raad niet meegenomen, omdat deze niet onder het wegverkeer vallen. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat ook als wel rekening wordt gehouden met geluid door de toekomstige uitbreiding van de hoefijzerfabriek, gezien de afstand tussen de fabriek en de woningen van [appellant sub 1] en anderen, bij hun woningen geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder.

6.3.    Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het aspect geluid onvoldoende is betrokken bij de vaststelling van dit plan. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de cumulatieve geluidseffecten van dit plan niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat volgens het akoestisch rapport bij de woningen van [appellant sub 1] en anderen geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat de woningen van [appellant sub 1] en anderen zich op een afstand van ongeveer 250 m van de hoefijzerfabriek en de voorziene landbouwweg bevinden. Verder acht de Afdeling van belang dat in artikel 4.3 van de planregels als voorwaarde voor de uitbreiding van de hoefijzerfabriek is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het realiseren van gebouwen alleen wordt verleend nadat uit onderzoek is gebleken dat aan de grenswaarden zoals genoemd in tabel 1 bij stap 3 volgens de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" wordt voldaan. Zodra de uitbreiding van de hoefijzerfabriek concreet is, moet de hoefijzerfabriek dus door middel van een akoestisch onderzoek aantonen dat aan de grenswaarden opgenomen in tabel 1 bij stap 3 van de VNG-brochure wordt voldaan. In het akoestisch rapport ten aanzien van de hoefijzerfabriek is geconcludeerd dat binnen het milieuspoor een verdubbeling van de productie van het bedrijf nauwelijks van invloed is op de fysieke omgeving, maar dat wel een aantal maatregelen zullen moeten worden getroffen, zoals bijvoorbeeld de periode waarin aan- en afvoerbewegingen plaats mogen vinden. In dit bestemmingsplan is al rekening gehouden met de voorwaarde dat een geluidsafscherming noodzakelijk is bij het parkeerterrein.

Het betoog slaagt niet.

Hoefijzerfabriek

7.       [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad niet heeft aangetoond dat de uitbreiding van de hoefijzerfabriek voldoet aan de maximale toegestane uitbreidingsoppervlakte die geldt op basis van artikel 2.3 van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 (hierna: de Omgevingsverordening). Zij voeren aan dat de hoefijzerfabriek verplaatst had moeten worden naar een bedrijventerrein, zodat het landelijke karakter van Hengstdijk behouden zal blijven en er geen negatieve impact op het landschap en het natuurgebied "Het Koegat" zal ontstaan. Volgens [appellant sub 1] en anderen heeft de raad ten onrechte geen onderzoek verricht naar een mogelijke verplaatsing naar een bedrijventerrein, zodat een belangenafweging volgens hen ten onrechte achterwege is gebleven.

7.1.    Artikel 2.1 van de Omgevingsverordening, vastgesteld door provinciale staten van de provincie Zeeland op 21 september 2018, luidt: "In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

[…];

h: bedrijventerrein: een terrein van ten minste een hectare dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie;

[…];

z: grootschalig bedrijventerrein: een als zodanig in bijlage 2 aangegeven bedrijventerrein;

[…];

gg: kleinschalige bedrijventerreinen: bedrijventerreinen niet zijnde een grootschalig bedrijventerrein;

[…]."

Artikel 2.3 luidt:

"1. In een bestemmingsplan worden bedrijven uitsluitend toegelaten op gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening daartoe zijn bestemd alsmede op bedrijventerreinen.

[…].

4. In een bestemmingsplan wordt uitbreiding van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande kleinschalige bedrijventerreinen niet toegelaten, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert.

5. In afwijking van het vierde lid kan een verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein worden toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert en de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd."

7.2.    De Afdeling stelt vast dat in artikel 2.3 van de Omgevingsverordening de uitbreiding van bedrijventerreinen aan regels is gebonden. De Afdeling stelt op grond van de stukken verder vast dat het bedrijventerrein van de hoefijzerfabriek aan de Rapenburg in Hulst groter is dan 1 ha. Dit bedrijventerrein is niet opgenomen in de lijst met grootschalige bedrijventerreinen zoals bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder z, in samenhang bezien met bijlage 2 van de Omgevingsverordening. Dit betekent dat het bedrijventerrein van de hoefijzerfabriek wordt aangemerkt als kleinschalig bedrijventerrein. In artikel 2.3 van de Omgevingsverordening staat dat bestaande kleinschalige bedrijventerreinen mogen uitbreiden, mits het een eenmalige uitbreiding is met een maximum van 20% of 0,5 ha. Verder moet aangetoond worden dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbeterd wordt.

De raad heeft in dit verband op de zitting toegelicht dat het plan voorziet in een groene buffer tussen de hoefijzerfabriek en de woningen aan de Rapenburg. Ook zal de hoefijzerfabriek moeten voldoen aan de eisen van de huidige tijd, waaronder bijvoorbeeld een goede geluidwering. Hiermee is volgens de raad sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is een berekening opgenomen waaruit blijkt wat de gewenste en maximaal toegestane uitbreidingsoppervlakte van de hoefijzerfabriek is. De maximale toegestane uitbreidingsoppervlakte is berekend op basis van artikel 2.3, vierde en vijfde lid, van de Omgevingsverordening. In dit kader heeft de raad toegelicht dat een toevoeging van 20% aan het huidige bedrijfsterrein betekent dat de hoefijzerfabriek kan groeien naar een oppervlakte van 19.067 m². Aan de Magdalenastraat in Heikant wordt daarnaast een bedrijfsterrein gesaneerd met een oppervlakte van 5.250 m². In totaal bedraagt de maximaal toegestane uitbreidingsoppervlakte daarmee 24.317 m². De hoefijzerfabriek wenst op de huidige locatie minimaal uit te breiden naar 24.636 m² voor een duurzame bedrijfsvoering. Daarmee is er een verschil van 319 m² tussen de gewenste uitbreiding van de hoefijzerfabriek en de maximaal toegestane uitbreidingsoppervlakte.

De raad is in de plantoelichting niet ingegaan op de in artikel 2.3 van de Omgevingsverordening opgenomen voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit door het plan aantoonbaar verbetert. De raad is in de plantoelichting ook niet ingegaan op waar de extra 319 m² aan uitbreidingsoppervlakte wordt gesaneerd. Dit betekent dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. Ook heeft hij niet aangetoond dat de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven ergens anders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd. De toelichting van de raad op de zitting dat de provincie Zeeland akkoord is met 319 m² aan extra uitbreidingsoppervlakte, omdat er in de toekomst nog meer bedrijventerreinen gesaneerd zullen worden, is onvoldoende voor het oordeel dat het plan in zoverre voldoet aan artikel 2.3 van de Omgevingsverordening. Met alleen die stelling dat in de toekomst nog meer bedrijventerreinen zullen worden gesaneerd heeft de raad namelijk niet aannemelijk gemaakt dat gewaarborgd wordt dat de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven ergens anders in de provincie Zeeland met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding plaatsvindt. Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met artikel 2.3 van de Omgevingsverordening.

Het betoog slaagt.

7.3.    De Afdeling overweegt verder dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging moet maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

De raad heeft aangegeven dat de verplaatsing van de hoefijzerfabriek naar een bedrijventerrein op een andere locatie in de gemeente financieel niet haalbaar is. Dit zou inhouden dat de volledige bedrijfslocatie aan de Rapenburg moet worden gesloopt en in Hulst opnieuw moet worden gebouwd. Dat is volgens de raad niet wenselijk. Verder heeft de raad toegelicht dat de impact op natuurgebied "Het Koegat" onderzocht is in het "Onderzoek beschermde natuurwaarden Landbouwweg Vogelwaarde" van 24 augustus 2020 van Adviesbureau Wieland. Volgens de raad wordt er voldaan aan de eisen uit de Wet natuurbescherming. Verder zijn er privaatrechtelijke afspraken gemaakt tussen Staatsbosbeheer, de provincie Zeeland en de gemeente Hulst, zodat de verloren omvang aan Natuurnetwerk Zeeland ergens anders wordt gecompenseerd. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Daarom heeft de raad het door [appellant sub 1] en anderen voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en in redelijkheid dat alternatief kunnen afwijzen.

Dit betoog slaagt niet.

Uitzicht en lichthinder

8.       [appellant sub 1] en anderen betogen dat de aanleg van de landbouwweg zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun uitzicht, omdat volgens hen het bestaande uitzicht op het natuurgebied "Het Koegat" verloren zal gaan. [appellant sub 1] en anderen betogen daarnaast dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare lichthinder.

8.1.    Niet is uitgesloten dat het plan tot enige beïnvloeding van het uitzicht van [appellant sub 1] en anderen leidt. De Afdeling is echter van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar verlies van uitzicht. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de afstand tussen de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 4] tot de landbouwweg ongeveer respectievelijk 90 en 160 m bedraagt en de afstand tussen de woningen aan de [locatie 5] en [locatie 6] tot de landbouwweg respectievelijk 315 en 425 m bedraagt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellant sub 1] en anderen in de huidige situatie al uitkijken op de Rapenburg. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2512). Natuurgebied "Het Koegat" bevindt zich bovendien op een afstand van ongeveer 500 m van de woningen van [appellant sub 1] en anderen.

Daarnaast is niet uitgesloten dat sprake zal zijn van enig lichtschijnsel dat vanuit de woningen aan de Margaretsedijk kan worden waargenomen in verband met het verkeer van de landbouwweg. Maar naar het oordeel van de Afdeling hoeft gezien de afstand van minimaal 90 m niet voor onaanvaardbare lichthinder te worden gevreesd.

De raad acht het op basis van het akoestisch rapport uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk om grondwallen aan te leggen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op dit standpunt mogen stellen. Daarom hoefde de raad de aanleg van de grondwallen niet met een voorwaardelijke verplichting in het plan te regelen. De raad heeft wel op de zitting toegezegd dat de grondwallen zullen worden aangelegd om tegemoet te komen aan de wensen van de bewoners van de Rapenburg en de Margaretsedijk. De raad heeft op de zitting toegelicht dat de gronden die nodig zijn voor de aanleg van de grondwallen verworven gaan worden op het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden en de benodigde gelden daarvoor beschikbaar zijn gesteld. De aanleg van de grondwal aan de oostzijde van de landbouwweg voorkomt volgens de raad het directe zicht op de weg vanuit de woningen van [appellant sub 1] en anderen. De raad heeft verder toegelicht dat deze grondwal direct lichtinval van koplampen in de woningen aan de Margaretsedijk tegen zal houden. De raad heeft in dit verband gesteld dat de aanplant van jaarronde begroeiing op de grondwal aan de oostzijde van de landbouwweg de lichthinder nog verder kan beperken.

Het betoog slaagt niet.

Financiële uitvoerbaarheid

9.       [appellant sub 1] en anderen betogen tot slot dat het plan financieel-economisch niet-uitvoerbaar is. Zij wijzen erop dat geen exploitatieplan is vastgesteld, waardoor zij vrezen dat de aanleg van een grondwal financieel niet mogelijk is.

9.1.    Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad in redelijkheid had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen zonder meer niet uitvoerbaar is.

9.2.    De raad heeft toegelicht dat de gemeente de schone vrijkomende grond uit de afgravingen voor de landbouwweg zoveel mogelijk binnen het plangebied wenst te gebruiken ten behoeve van de grondwallen. Volgens de raad werkt het aanleggen van grondwallen kostenbesparend, omdat de kosten voor transportbewegingen lager zijn en de grond niet afgevoerd hoeft te worden. De kosten voor grondafvoer zijn volgens de raad namelijk erg hoog. De raad heeft verder toegelicht dat er geen exploitatieplan is vastgesteld, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Met de hoefijzerfabriek is een koop- en exploitatieovereenkomst gesloten. Verder heeft de raad voor dit gemeentelijke initiatief dat de voorziene landbouwweg is, in de raadsvergadering van 18 april 2019 budget beschikbaar gesteld op de begroting om het plan mogelijk te maken.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan niet uitvoerbaar is.

Dit betoog slaagt niet.

Bestuurlijke lus

10.     Op grond van artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

11.     Gelet op wat onder 7.2 is overwogen, is het besluit van 1 oktober 2020 in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen om het in overweging 7.2 geconstateerde gebrek in het besluit van 1 oktober 2020 binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak te herstellen. De raad moet daarvoor, met inachtneming van wat in die overweging is vermeld, het besluit van 1 oktober 2020 alsnog deugdelijk motiveren. De Afdeling geeft de raad mee dat hij zou kunnen aangeven waar de extra 319 m² aan bedrijfsterrein wordt gesaneerd. Ook zou hij de toegestane uitbreidingsoppervlakte voor de hoefijzerfabriek tot maximaal 24.317 m² kunnen beperken. De raad hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd besluit niet opnieuw afdeling 3.4 van de Awb toe te passen. De raad moet een eventueel gewijzigd besluit wel op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen.

Het beroep van [appellant sub 2]

Inleiding

12.     [appellant sub 2] is eigenaar van een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 7] in Vogelwaarde, dat zich op ongeveer 60 m afstand van de landbouwweg bevindt. [appellant sub 2] pacht daarnaast van Staatsbosbeheer het perceel kadastraal bekend als Hontenisse, sectie O, nummer 589 gelegen aan de zuidzijde van de watergang van natuurgebied "Het Koegat". [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het plan, omdat hij onder meer vreest voor een belemmering van de waterafvoer van zijn perceel en het perceel dat hij pacht.

Water

13.     [appellant sub 2] betoogt dat door de aanleg van de landbouwweg de waterafvoer van het perceel dat hij pacht, zal worden belemmerd. Hij stelt dat door de aanleg van de landbouwweg de bestaande sloot richting de watergang zal worden afgesloten door het verlengen van de duiker met 17 m. [appellant sub 2] vreest dat hij als pachter samen met de eigenaar van het perceel, zijnde Staatsbosbeheer, zal moeten bijdragen aan de kosten voor het uitvoeren van de benodigde bodemonderzoeken en de aanleg van een alternatieve waterafvoer. Volgens [appellant sub 2] wordt alleen gekeken naar technische oplossingen voor de waterafvoer en blijft het onduidelijk of deze oplossingen ook op grond van het bestemmingsplan mogelijk zijn. Verder stelt [appellant sub 2] dat de raad ten onrechte geen schriftelijk advies heeft ingewonnen bij het Waterschap Scheldestromen (hierna: het waterschap) over het verlengen van de duiker en het ontstaan van mogelijke wateroverlast rond de duiker. Volgens [appellant sub 2] moet de raad alsnog advies inwinnen bij het waterschap.

13.1.  Artikel 9.1 van de planregels van het bestemmingsplan luidt:

"De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals niet-permanente vent- en standplaatsen voor ambulante handel, reclame-uitingen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, voorwerpen van beeldende kunst of kunstuitingen, gedenktekens, terrassen, speelvoorzieningen, ontmoetingsplaatsen, voet- en fietspaden, toegangswegen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen."

13.2.  De raad heeft toegelicht dat er maatregelen zullen worden getroffen om de hemelwaterafvoer van het perceel van [appellant sub 2] niet te laten verslechteren als gevolg van de aanleg van de landbouwweg. Volgens de raad is het op basis van het bestemmingsplan mogelijk om de sloot te verlengen met een duiker. Daarbij kan de duiker worden aangesloten op de aan te leggen nieuwe verlengde duiker die onder de Rapenburg van oost naar west loopt. De raad heeft verder toegelicht dat het waterschap betrokken is bij het voorliggende bestemmingsplan, omdat de raad in het kader van artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening een vooroverlegprocedure heeft gevoerd met het waterschap. Naar aanleiding van het beroepschrift van [appellant sub 2] heeft de raad nogmaals advies gevraagd aan het waterschap, waarna het waterschap een akkoord heeft gegeven op het bestemmingsplan, zo stelt de raad.

13.3.  De Afdeling stelt vast dat het aanleggen van een duiker mogelijk is op grond van artikel 9.1 van de planregels, omdat binnen de bestemming "Verkeer" water en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn toegestaan. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de hiervoor onder 14.2 gegeven toelichting van de raad dat de aangedragen oplossing op grond van het bestemmingsplan haalbaar is en voldoende is om de waterafvoer van het perceel dat [appellant sub 2] pacht niet te laten verslechteren als gevolg van de aanleg van de landbouwweg. De stelling van [appellant sub 2] dat de raad nog advies moet inwinnen bij het waterschap, mist gelet op de toelichting van de raad feitelijke grondslag. Bovendien is de eventuele feitelijke aanleg van een duiker een uitvoeringsaspect dat niet in een bestemmingsplan kan worden geregeld (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7428).

Het betoog slaagt niet.

Wijzigingsbevoegdheid

14.     [appellant sub 2] voert verder aan dat de raad volgens hem een onjuiste uitvoering heeft gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 19.4.1 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Hulst". Daarin is de mogelijkheid opgenomen om ter plaatse van het verlengen van de duiker de bestemming "Water" te wijzigen naar "Verkeer".

14.1.  Artikel 19.4.1 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Hulst" luidt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming Water te wijzigen in de bestemmingen Groen of Verkeer, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. aangetoond wordt dat wijziging noodzakelijk is voor de realisering van het gemeentelijk beleid inzake groenstructuur, verkeersstructuur en / of de aanpassing van de ondergrondse infrastructuur alsmede voor versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte;

b. wijziging mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de waterhuishouding van het gebied: vooraf wordt hierover door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij het waterschap."

14.2.  De Afdeling stelt voorop dat er in het voorliggende plan geen gebruik is gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Hulst". De wijzigingsprocedure is niet toegepast, omdat de bestemming "Water" niet met een wijzigingsplan is omgezet naar een andere bestemming. De raad heeft er in plaats daarvan voor gekozen om een nieuw bestemmingplan vast te stellen. De stelling van [appellant sub 2] dat de raad geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 19.4.1 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Hulst" mist dan ook feitelijke grondslag.

Het betoog slaagt niet.

Bergingscapaciteit

15.     [appellant sub 2] betoogt dat de aanleg van de landbouwweg niet binnen het geldende waterbergingsbeleid van het waterschap past. Volgens hem heeft de raad ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat het natuurgebied "Het Koegat" in de toekomst als waterbergingsgebied zal worden gebruikt. [appellant sub 2] stelt dat zowel het zomer- als winterpeil zal stijgen bij toekomstige peilbesluiten. Hierdoor zullen lager gelegen gebieden geschikt zijn voor eventuele waterberging, zo ook het gebied waar de landbouwweg komt te liggen. [appellant sub 2] wijst erop dat in het bestemmingsplan is uitgegaan van de situatie in 2017. Daarom moet de raad een nieuwe analyse van de verwachte bergingscapaciteit opvragen, zo stelt [appellant sub 2].

15.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat alleen het feit dat het natuurgebied "Het Koegat" mogelijk geschikt is voor toekomstige waterberging, niet wil zeggen dat dit gebied ook voor waterberging zal worden gebruikt. De raad heeft toegelicht dat bij een volgende actualisatie van het peilbesluit, met een herberekening van het oppervlaktewatersysteem, eventuele gewijzigde streefpeilen, waterbergingsopgaven en compenserende maatregelen opnieuw worden vastgelegd. De raad heeft verder toegelicht dat het waterschap rekening houdt met eventuele gewijzigde peilen bij de toetsing van nieuwe watervergunningen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de voorziene landbouwweg binnen het bestaande waterbergingsbeleid past.

Het betoog slaagt niet.

Geschiktheid terrein

16.     [appellant sub 2] betoogt verder dat de percelen waar de landbouwweg op zijn voorzien, niet geschikt zijn voor de aanleg van de landbouwweg. Hij voert aan dat die percelen grotendeels uit veengrond bestaan, waardoor het draagvermogen volgens hem gering is. Hij verwacht dan ook dat de kosten voor de aanleg van de landbouwweg veel hoger zullen zijn dan begroot. Ook vreest [appellant sub 2] dat de landbouwweg onder water zal komen te staan bij hevige regenval, omdat de stuw het water in dat geval niet kan afvoeren. Daarom moet volgens Cock een aanvullend bodemonderzoek worden gedaan.

16.1.  De Afdeling stelt vast dat er ten behoeve van het plan een funderingsanalyse "Verhardingsavies Vogelwaarde te Hulst" van 13 augustus 2019 door Fugro NL Land B.V. is uitgevoerd. In deze funderingsanalyse is geconcludeerd dat de aanleg van de voorziene landbouwweg haalbaar is door middel van grondverbetering. Verder staat in de funderingsanalyse dat gezien de grote variatie in bodemopbouw en het toekomstig wegpeil wordt geadviseerd om aanvullend bodemonderzoek uit te voeren, zodat overgangsgebieden tussen de te treffen maatregelen beter inzichtelijk kunnen worden gemaakt. De gegevens en resultaten van het "Verkennend bodemonderzoek Toekomstige Randweg Vogelwaarde" en het "Aanvullend grondonderzoek PFAS Toekomstige Randweg Vogelwaarde" van het bureau Colsen van 23 december 2019 en 24 juni 2020 zijn mede betrokken bij het opstellen van de funderingsanalyse. De raad heeft tijdens de zitting toegelicht dat zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is, er nader bodemonderzoek zal worden uitgevoerd. In de raming van de kosten is volgens de raad al rekening gehouden met de kosten voor grondverbetering. Over de vrees voor overstroming van de landbouwweg heeft de raad toegelicht dat de landbouwweg met name in het natuurgebied "Het Koegat" verhoogd wordt aangelegd. Daarvoor wordt eerst een gedeelte van de grond afgegraven. In het afgegraven gedeelte worden vervolgens ondergronden aangelegd. De weg zal boven het maaiveldniveau komen te liggen, waardoor de weg niet onder water zal komen te staan bij hevige regenval, zo stelt de raad.

In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de funderingsanalyse zulke gebreken bevat dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren. De raad heeft zich, onder verwijzing naar de funderingsanalyse, daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de uitgevoerde bodemonderzoeken niet is gebleken dat de bodemgesteldheid van de gronden in de weg staat aan de aanleg van de landbouwweg.

Het betoog slaagt niet.

Geluid

17.     [appellant sub 2] betoogt dat de aanleg van de landbouwweg leidt tot onaanvaardbare geluidhinder bij zijn woning. Volgens [appellant sub 2] vertoont het "Onderzoek wegverkeerslawaai aanleg landbouwweg Vogelwaarde" van oktober 2020 van het Raadgevend Ingenieursbureau Metz B.V. (hierna: het akoestisch rapport) gebreken. Hij stelt dat zijn perceel ten onrechte niet is betrokken bij het akoestisch rapport dat ten grondslag is gelegd aan het ontwerpplan. Volgens [appellant sub 2] is zijn perceel pas bij de vaststelling van het definitieve plan aan het akoestisch rapport toegevoegd. Ook is het volgens [appellant sub 2] niet duidelijk waar de toetspunten uit het akoestisch rapport zich bevinden. In het akoestisch rapport is daarnaast geen rekening gehouden met de hoogte van de nieuwe weg ten opzichte van de omliggende woningen, zo stelt [appellant sub 2]. Ook is volgens [appellant sub 2] onduidelijk welke bodemfactor is gebruikt in het akoestisch rapport. Verder betoogt [appellant sub 2] dat zijn woning ten onrechte niet is meegenomen bij de reconstructie van cluster 3. Tot slot stelt hij dat aan de zuidzijde van de landbouwweg ten onrechte geen geluidwal wordt aangelegd.

17.1.  Aan het bestemmingsplan ligt het akoestisch rapport ten grondslag.

17.2.  De Afdeling stelt vast dat de woning van [appellant sub 2] niet is opgenomen in de tabellen behorende bij het akoestisch rapport zoals dat aan het ontwerpplan ten grondslag is gelegd. Hierover heeft de raad op de zitting toegelicht dat een aantal adressen later aan de uitdraaitabellen is toegevoegd, omdat bij een controle opviel dat enkele adressen niet in de uitdraaitabellen waren opgenomen. De Afdeling zal hierna inhoudelijk ingaan op het akoestisch rapport dat aan het vastgestelde plan ten grondslag is gelegd. gaan. De woning van [appellant sub 2] is daarin namelijk wel opgenomen.

17.3.  Voor zover het volgens [appellant sub 2] onduidelijk is waar de toetspunten voor zijn woning zich bevinden, stelt de Afdeling vast dat het perceel [locatie 7] zich volgens het akoestisch rapport op de toetspunten Oxtr 20 tot en met 22 bevindt. Voor zover [appellant sub 2] verder stelt dat onduidelijk is welke bodemfactor is gebruikt in het akoestisch rapport, stelt de Afdeling vast dat volgens het akoestisch rapport de geluidswaarden met een bodemfactor van 0,9 zijn berekend. Er bestaat verder geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch rapport onvoldoende rekening is gehouden met het peil van de landbouwweg ten opzichte van de woning van [appellant sub 2]. De raad heeft tijdens de zitting toegelicht dat bij de berekening van het geluid op de gevel van de woning van [appellant sub 2] gebruik is gemaakt van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Geografische gegevens, zoals de hoogteligging van de weg en de woning van [appellant sub 2], worden meegenomen in het rekenmodel dat wordt gebruikt in het kader van het akoestisch onderzoek. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Dat de woning volgens [appellant sub 2] bestaat uit enkel glas en deels uit houten platen is voor de bepaling van de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 2] niet relevant.

Volgens het akoestisch rapport bedraagt de hoogst berekende waarde op de gevel van de woning [locatie 7] op 4,5 m hoogte 36 dB. Die waarde ligt ruim 12 dB onder de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop heeft de raad zich op de zitting op het standpunt gesteld dat het plan bij de woning van [appellant sub 2] niet leidt tot een reconstructiesituatie als bedoeld in de Wgh, zodat een verdere toetsing aan de Wgh niet nodig is. [appellant sub 2] heeft dat niet weersproken.

Voor zover [appellant sub 2] meent dat zijn woning betrokken had moeten worden binnen de reconstructie van cluster 3 bij Rapenburg Zuid, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat de woning [locatie 7] op ongeveer 103 m uit de as van de weg Rapenburg ligt en ongeveer 129 m uit de as van de voorziene landbouwweg. De woning ligt op een grotere afstand van het te reconstrueren wegdeel dan de woning [locatie 2]. Voor deze woning is de geluidtoename ruim minder dan 2 dB, waardoor er geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. De raad heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen aannemen dat ook ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] geen sprake is van een reconstructiesituatie.

Voor zover [appellant sub 2] heeft betoogd dat er ten onrechte aan de zuidzijde van de landbouwweg geen geluidswal wordt aangelegd, heeft de raad toegelicht dat een grondwal niet noodzakelijk is om het geluidsniveau te beperken. Er wordt namelijk aan de voorkeursgrenswaarde bij onder meer de woning van [appellant sub 2] voldaan. Omdat enkele bewoners van de Rapenburg en de Margaretsedijk hebben aangegeven dat zij een grondwal wenselijk vinden om het zicht op de weg te beperken, heeft de raad ervoor gekozen wel een grondwal aan te leggen. De raad heeft in dit verband toegelicht dat wanneer er ook ten zuiden van de landbouwweg een grondwal wordt aangelegd, ongeveer 16 m aan extra grond verworven moet worden, wat volgens de raad ten koste gaat van de waterloop van natuurgebied "Het Koegat".

17.4.  Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat het akoestisch rapport zulke gebreken vertoont dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren bij het vaststellen van het plan. De raad heeft zich dan ook op basis van het akoestisch rapport in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de woning van [appellant sub 2] geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder door de landbouwweg.

Het betoog slaagt niet.

Alternatief traject voor landbouwweg

18.     [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte het alternatieve traject aan de oostzijde van Vogelwaarde niet heeft onderzocht. Volgens hem was de aanpassing van de Zuidweg richting de N689 in combinatie met het noordelijke deel van de landbouwweg tot aan de hoefijzerfabriek een beter alternatief geweest.

18.1.  De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

18.2.  Over het door [appellant sub 2] voorgestelde alternatief heeft de raad toegelicht dat dat alternatief niet geschikt is, omdat daarmee de Rapenburg in Vogelwaarde niet wordt ontlast van zwaar (landbouw-)verkeer. Door de Zuidweg aan te passen ontstaat geen alternatieve doorgaande route langs de kern Vogelwaarde. Doorgaand zwaar verkeer vanaf de N290 naar Hengstdijk/Kloosterzande zal op die manier nog steeds via de Rapenburg moeten rijden. De raad heeft verder toegelicht dat de landbouwweg ook niet is aangelegd met als hoofddoel om de hoefijzerfabriek te ontsluiten. Daarom is het alternatief van de hand is gewezen. Daarom heeft de raad het door [appellant sub 2] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en in redelijkheid dat alternatief kunnen afwijzen.

Het betoog slaagt niet.

Herhalen en inlassen zienswijze

19.     Voor zover [appellant sub 2] voor het overige verzoekt de inhoud van zijn zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de nota van zienswijzen is ingegaan op zijn zienswijze. [appellant sub 2] heeft in zijn beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze overigens nog onjuist of onvolledig zou zijn.

Conclusie

20.     Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 3]

Inleiding

21.     [appellanten sub 3] wonen op het perceel [locatie 8], op een afstand van ongeveer 35 m van de landbouwweg. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat in de vorm van geluidhinder.

Geluid

22.     [appellanten sub 3] vrezen dat de aanleg van de voorziene landbouwweg geluidoverlast zal veroorzaken ter hoogte van hun woning. Volgens hen zal op de gevel van hun woning meer geluidoverlast optreden dan op de gevel van de woning aan het [locatie 2] waarvoor een hogere grenswaarde is vastgesteld, omdat hun woning dichterbij de landbouwweg is gelegen.

22.1.  De Afdeling stelt vast dat de gevel van de woning van [appellanten sub 3] op het adres [locatie 8] dichterbij de landbouwweg ligt dan de woning op het adres [locatie 2], waarvoor een hogere grenswaarde is vastgesteld. De woning van [appellanten sub 3] ligt namelijk op een afstand van 35 m van de landbouwweg en de woning [locatie 2] op een afstand van 57 m van de landbouwweg. De Afdeling stelt verder vast dat bij besluit van 1 september 2020 voor de woning van [appellanten sub 3] geen hogere waarde is vastgesteld. De Afdeling stelt verder vast dat voor de woning [locatie 2] een hogere waarde is vastgesteld. Deze is niet vastgesteld vanwege het wegverkeerslawaai van de nieuw aan te leggen landbouwweg, maar vanwege de geluidstoename van het wegverkeerslawaai op de Rapenburg zuidzijde.

22.2.  Aan het bestemmingsplan ligt het akoestisch rapport ten grondslag.

22.3.  De raad heeft toegelicht dat bij de berekeningen in het akoestisch rapport van het jaar 2019 is uitgegaan voor de berekeningen van de etmaalintensiteiten. Op basis van verkeerstellingen is voor de dag-, avond- en nachtsituatie een voertuigverdeling per uur berekend. Wanneer de geluidbelasting op de dichtstbij gelegen gevel als uitgangspunt wordt genomen, dan bedraagt de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Rapenburg (doorgaande route) bij de woning op het adres [locatie 8] op 1,5 m hoogte 67 dB en bij de woning op het adres [locatie 2] op 1,5 m hoogte 61 dB. Dit verschil ontstaat volgens de raad door de grotere afstand tot de landbouwweg in combinatie met de overdrachtsdemping. De raad heeft verder toegelicht dat met het plan de route door het centrum van Vogelwaarde wordt ontlast en gereduceerd tot ongeveer 2.640 motorvoertuigen per etmaal. Dit heeft volgens de raad tot gevolg dat bij de woning op het adres [locatie 8] de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Rapenburg (doorgaande route) met ongeveer 3 dB afneemt. Door de aanleg van de grondwal zal de geluidbelasting op het adres [locatie 8] nog verder afnemen volgens de raad. Daarentegen neemt de geluidbelasting bij de woning op het adres [locatie 2] met maximaal 1.57 dB toe volgens de raad. Dit komt door het wegverkeerslawaai op de Rapenburg (zuidzijde). Het verkeer van de nieuwe landbouwweg wordt richting het zuiden namelijk via de Rapenburg zuidzijde afgewikkeld. Dat verkeer rijdt niet langs de woning [locatie 8], maar wel langs de woning [locatie 2]. Voor zowel de woning [locatie 8] als voor de woning [locatie 2] geldt dat het wegverkeerslawaai van het verkeer op de nieuw aan te leggen landbouwweg geen aanleiding geeft voor het vaststellen van hogere waarden. Voor beide woningen is de geluidbelasting niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, zo volgt uit bijlage 5, blad 1, van het akoestisch rapport. Doordat ter plaatse van de woning van [appellanten sub 3] het wegverkeerslawaai van de Rapenburg (doorgaande route) afneemt, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het plan bij de woning van [appellanten sub 3] niet leidt tot een reconstructiesituatie als bedoeld in de Wgh, zodat een verdere toetsing aan de Wgh niet nodig is. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ook voor de woning van [appellanten sub 3] vanwege de reconstructie een hogere waarde had moeten vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Grondwal

23.     [appellanten sub 3] betogen verder dat de aanleg van de grondwallen financieel niet mogelijk is. Volgens hen heeft de raad onvoldoende duidelijkheid gegeven over de aanleg en de hoogte van de aan te leggen grondwallen als ook over de financiële haalbaarheid van de aanleg van de grondwallen. Zij wijzen erop dat de kosten van de aan te kopen grond volgens [appellanten sub 3] ook nog niet bekend is.

23.1.  Hoewel de raad het op basis van het akoestisch rapport uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk acht om een voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen voor de aanleg van grondwallen, heeft de raad op de zitting toegezegd dat de in het plan voorziene grondwallen zullen worden aangelegd om tegemoet te komen aan de wensen van de bewoners van de Rapenburg en de Margaretsedijk. Met de aanleg van de grondwallen zal het geluid ter hoogte van de woningen van [appellanten sub 3] afnemen ten opzichte van de situatie waarin er geen grondwallen worden aangelegd. Gelet op wat hiervoor onder overweging 9.2 is overwogen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan niet uitvoerbaar is. Dit betoog slaagt niet.

Conclusie

24.     Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

25.     Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden.

26.     Voor wat betreft het beroep van [appellant sub 1] en anderen is deze uitspraak een tussenuitspraak. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen wordt in de einduitspraak beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Hulst van 1 oktober 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landbouwweg Vogelwaarde, uitbreiding [hoefijzerfabriek] Vogelwaarde, wegbestemmen bedrijf Magdalenastraat Heikant", ongegrond;

II.       draagt de raad van de gemeente Hulst naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] en anderen op:

- om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak het in overweging 7.2 geconstateerde gebrek te herstellen:

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van Altena


voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2021

374-928