Uitspraak 202102567/1/A2


Volledige tekst

202102567/1/A2.
Datum uitspraak: 13 oktober 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2021 in zaak nr. 20/3141 en 20/6345 in het geding tussen:

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2019 heeft het CBR een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd aan [appellante] en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 19 maart 2020 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 april 2020 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 26 augustus 2020 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2021 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 19 maart 2020 en 26 augustus 2020 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2021, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op de avond van 23 oktober 2019 is [appellante] aangehouden door een politieagent van de politie-eenheid Den Haag. Volgens de agent heeft de aanhouding plaatsgevonden naar aanleiding van een snelheidsovertreding die [appellante] heeft begaan. De verklaringen van de agent en [appellante] over de aanhouding en de gebeurtenissen die daaraan voorafgingen lopen uiteen.

Wettelijk kader

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Besluitvorming

3.       Het CBR heeft aan zijn bij besluit van 19 maart 2020 gehandhaafde besluit van 2 december 2019 ten grondslag gelegd dat het op basis van informatie die de politie-eenheid Den Haag aan hem heeft verstrekt eraan twijfelt of [appellante] nog wel geschikt is om auto te rijden.

4.       Het CBR heeft aan zijn bij besluit van 26 augustus 2020 gehandhaafde besluit van 22 april 2020 een op 11 januari 2020 opgemaakt psychiatrisch rapport ten grondslag gelegd.

Beroep

5.       De rechtbank heeft overwogen dat de verklaring van de agent die [appellante] op 23 oktober 2019 heeft aangehouden voldoende nauwkeurig en uitgebreid beschreven is. De rechtbank ziet niet in waarom het CBR niet op deze verklaring mocht afgaan. Hierbij is volgens haar van belang dat politieagenten, als ervaringsdeskundigen bij het observeren en registreren, voldoende in staat zijn om waar te nemen wat er gebeurt en het (rij)gedrag van weggebruikers te beoordelen. Politieagenten hebben er geen belang bij om niet geconstateerde feiten aan politiestukken toe te voegen. De enkele - niet nader onderbouwde - betwisting van de juistheid van de informatie zoals opgenomen in de verklaring van de agent heeft het CBR terecht onvoldoende geacht om aan de juistheid van de conclusie van de agent te twijfelen. [appellante] heeft geen tegenbewijs overgelegd op grond waarvan om andere redenen geoordeeld moet worden dat het CBR niet van de juistheid van de verklaring had mogen uitgaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR kunnen aannemen dat er duidelijke aanwijzingen waren dat [appellante] geestelijk niet goed functioneerde.

6.       De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het CBR op basis van het rapport dat de keurend psychiater heeft opgemaakt ertoe moest overgaan het rijbewijs van [appellante] ongeldig te verklaren. In het rapport van 11 januari 2020 staat dat [appellante] bekend is met een posttraumatische stressstoornis, een borderline persoonlijkheidsstoornis en een verminderde begaafdheid. Volgens de psychiater zijn de kenmerken van deze stoornissen nog steeds aanwezig. De rechtbank heeft geen redenen gezien om te oordelen dat het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont of om te oordelen dat de gestelde diagnoses en conclusies niet worden gedragen door de daarin vermelde feiten en bevindingen. Het CBR heeft er terecht op gewezen dat de diagnoses en conclusies niet alleen zijn gebaseerd op de naar [appellante] stelt onjuiste informatie van de politie, maar dat die ook zijn gewogen in het licht van de overige bevindingen bij het onderzoek, waaronder informatie van de huisarts van [appellante], en in het licht van de medische specialistische kennis van de psychiater. De enkele stelling van [appellante] dat het CBR niet mocht uitgaan van de juistheid van de informatie van de politie leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [appellante], voor zover zij de bevindingen van de keurend psychiater met deze stelling inhoudelijk heeft willen weerleggen, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van een tweede onderzoek en dat zij evenmin een rapport van een medisch deskundige heeft overgelegd waarin de conclusies en de diagnose van de keurend psychiater worden weersproken.

Hoger beroep

7.       [appellante] kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en heeft daarom hoger beroep ingesteld.

8.       In hoger beroep betoogt [appellante] dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de mededeling die op grond van artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 door een daartoe bevoegde agent is gedaan. [appellante] voert hiertoe aan dat de mededeling over haar rijgeschiktheid is gedaan door een agent die in het door het CBR overgelegde mandaatbesluit niet wordt genoemd. Het CBR had zijn besluitvorming daarom niet mogen baseren op de door deze agent gedane mededeling. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellante].

8.1.    Uit de artikelen 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet en 131, aanhef en onder a, van het Reglement rijbewijzen volgt dat de bevoegdheid tot het doen van een schriftelijke mededeling aan het CBR van het vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid of de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van bepaalde motorrijtuigen kan worden overgedragen aan door de korpschef aangewezen plaatsvervangers. In het door het CBR overgelegde besluit van de korpschef van politie van 30 maart 2017 wordt de bevoegdheid tot het doen van een mededeling aan het CBR gemandateerd aan de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar standpunt dat het mandaatbesluit te algemeen is opgesteld. Omdat [appellante] niet bestrijdt dat de agent die de mededeling over haar rijgeschiktheid heeft gedaan een opsporingsambtenaar is als hiervoor bedoeld, mocht het CBR deze mededeling in beginsel ten grondslag leggen aan zijn besluitvorming.

Het betoog slaagt niet.

9.       [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR mocht afgaan op de inhoud van de aan hem gedane mededeling. Hiertoe voert [appellante] in de eerste plaats aan dat zij door het CBR ten onrechte niet is gehoord of in de gelegenheid is gesteld tegenbewijs te leveren. Het CBR heeft zijn besluit waarbij het de geldigheid van het rijbewijs heeft geschorst gebaseerd op de mededeling van één agent, zonder haar reactie hierop te vragen. Zo is een burger weerloos tegenover de machtige overheid. [appellante] voert in de tweede plaats aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij haar betwisting van de mededeling van de agent niet nader heeft onderbouwd. [appellante] wijst erop dat zij het proces-verbaal van de verklaring die zij op de avond van de aanhouding op het politiebureau heeft afgelegd en het verslag van een gesprek dat zij die avond met alarmnummer 112 had heeft overgelegd - twee bewijsmiddelen die het CBR niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Verder heeft [appellante] het CBR verzocht de gegevens van de trajectcontrole over te leggen van de snelweg waar zij volgens de agent een snelheidsovertreding zou hebben begaan. Het CBR heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. [appellante] stelt dat zij niet is beboet voor de snelheidsovertreding, waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat zij op het betreffende traject niet te hard heeft gereden. De rechtbank is aan dit alles ten onrechte voorbijgegaan en had de besluitvorming die ziet op de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs niet in stand mogen laten, aldus [appellante].

9.1.    Zoals de rechtbank terecht voorop heeft gesteld, behoeft voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:646). De verkeersveiligheid is erbij gediend dat in het geval het vermoeden bestaat dat een bestuurder van een motorrijtuig niet geschikt is om deel te nemen aan het verkeer het rijbewijs van de betreffende bestuurder zo spoedig mogelijk wordt geschorst. Dat dit gebeurt zonder dat eerst de bestuurder wordt gehoord is dan ook te billijken. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de mededeling waarin een vermoeden van ongeschiktheid wordt gedaan aan het CBR is opgesteld door een agent die, zo is het uitgangspunt, zelf geen belang heeft bij het verstrekken van onjuiste informatie. Verder heeft de bestuurder van wie het rijbewijs is geschorst de gelegenheid om in de bezwaarfase de observaties van de agent die de mededeling heeft gedaan te bestrijden, zoals [appellante] ook heeft gedaan. Het is naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet zo dat [appellante] machteloos stond toen aan haar een onderzoek naar de rijgeschiktheid werd opgelegd en haar rijbewijs werd geschorst.

9.2.    De agent die [appellante] de avond van 23 oktober 2019 heeft aangehouden heeft zijn observaties en ervaringen van die avond in een mutatierapport verwerkt. De mededeling die op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is gedaan is gebaseerd op dit mutatierapport. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het CBR aan de mededeling in redelijkheid het vermoeden kon ontlenen dat [appellante] niet langer beschikte over de geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen staan in de mededeling de feitelijke gedragingen van [appellante] voldoende nauwkeurig en uitgebreid beschreven en is in het mutatierapport niet volstaan met een interpretatie of een waardeoordeel. [appellante] heeft in de bezwaarfase naar voren kunnen brengen hoe zij de avond van de aanhouding heeft beleefd. In deze verklaring en ook in de verklaringen die zij later heeft afgelegd en de bewijsstukken die zij heeft overgelegd ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de mededeling die de agent heeft gedaan. Naar het oordeel van de Afdeling verschillen de verklaringen van de agent en [appellante] niet op wezenlijke punten van elkaar en komen de verschillen die er zijn vooral voort uit een verschil in beleving. De Afdeling is ervan overtuigd dat de agent en [appellante] dezelfde gebeurtenissen anders hebben beleefd. Zo staat vast dat de agent, nadat hij een snelheidsovertreding had waargenomen, [appellante] heeft achtervolgd in een auto die niet te herkennen was als politieauto. Dat [appellante] heeft deze gedraging geïnterpreteerd als bumperkleven en vond dit vervelend. De agent heeft [appellante] vervolgens ingehaald. Volgens de agent heeft hij direct het volgteken - oplichtende letters "politie volgen" op de achterzijde van zijn auto - gegeven. [appellante] weerspreekt dit. Dat zij het volgteken niet heeft gezien, wil echter niet zeggen dat dit teken niet gegeven is. Mogelijk is het teken haar ontgaan. [appellante] heeft de agent vervolgens weer ingehaald, omdat de agent langzamer ging rijden. De Afdeling begrijpt dat de agent [appellante] er door voor haar auto langzamer te gaan rijden zonder succes toe heeft proberen te bewegen de auto tot stilstand te brengen. Toen de agent zijn zwaailicht aanzette, heeft [appellante] haar auto stilgezet op de vluchtstrook. [appellante] heeft de agent op deze plek naar eigen zeggen herhaaldelijk gevraagd waarom zij was aangehouden, terwijl de agent haar toeriep dat zij was aangehouden en dat zij haar handen op het dak van haar auto moest leggen. De agent beschrijft in zijn mutatierapport de worsteling die plaatsvond omdat [appellante] weigerde mee te werken. [appellante] heeft ter zitting verklaard dat zij anders op de agent had gereageerd als hij haar rustig had benaderd. Op de vluchtstrook heeft de agent [appellante] horen zeggen dat zij zich van het leven wilde beroven. [appellante] heeft later verklaard dat zij zich afvroeg of ze moest meewerken of dat ze voor een vrachtwagen moest springen. Ook hier wijken beide verklaringen niet af van elkaar. [appellante] heeft zich weten los te worstelen en heeft weer plaatsgenomen in haar auto. De agent heeft verklaard vervolgens pepperspray in het gezicht van [appellante] te hebben gespoten, volgens [appellante] kwam de pepperspray in haar nek terecht. Toen [appellante] wegreed heeft zij 112 gebeld. Uit het verslag van dit telefoongesprek blijkt dat [appellante] hevig in paniek was en zich bedreigd voelde. In overleg met de medewerker van de alarmlijn die [appellante] te woord stond heeft [appellante] haar auto geparkeerd op de parkeerplaats van een hotel. Hier is zij alsnog gearresteerd door de agent, die haar was blijven achtervolgen. Als de verklaring van [appellante] wordt betrokken bij de reconstructie van de avond van 23 oktober 2019, levert dit een completer beeld van wat er die avond moet zijn gebeurd. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen reden te twijfelen aan de weergave van de verbalisant dat [appellante] een stopteken heeft genegeerd. Verder heeft zij zich verzet tegen aanhouding terwijl haar op dat moment duidelijk moet zijn geweest dat ze door de politie werd aangehouden. Daarom was het gedrag van [appellante] die avond voldoende voor een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

9.3.    Naar het oordeel van de Afdeling bestond er voor het CBR geen aanleiding gegevens van de trajectcontrole op te vragen. Hiertoe is vooral van belang dat [appellante] te kennen heeft gegeven dat zij in elk geval voor de trajectcontrole begon te hard heeft gereden. Dat [appellante] geen boete heeft ontvangen, terwijl verschillende mensen in de omgeving van [appellante] die op dit traject te hard hebben gereden wel boetes hebben ontvangen, zoals [appellante] naar voren heeft gebracht, doet naar het oordeel van de Afdeling daarom ook niet direct ter zake.

9.4.    Het betoog slaagt niet.

10.     Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ook de besluitvorming die ziet op de ongeldigverklaring van haar rijbewijs niet in stand had mogen laten slaagt evenmin. [appellante] heeft ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat het aan het CBR uitgebrachte psychiatrisch rapport is gebaseerd op de onjuiste informatie die de agent aan het CBR heeft verstrekt. Zoals hierboven is overwogen bestaat er onvoldoende aanleiding te oordelen dat de informatie die de agent in de mededeling aan het CBR heeft verwerkt onjuist is. De Afdeling volgt [appellante] dan ook niet in haar standpunt dat de keurend psychiater deze informatie niet in zijn onderzoek mocht betrekken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de keurend psychiater bij zijn analyse niet alleen de melding van de agent maar ook haar eigen weergave van de feiten betrokken. Daarnaast heeft de psychiater door de huisarts van [appellante] verstrekte informatie betrokken. Verder leest de Afdeling - anders dan [appellante] - in het psychiatrisch rapport niet dat de keurend psychiater stelt dat [appellante] een posttraumatische stress stoornis heeft verzwegen en uit deze verzwijging conclusies trekt over haar psychiatrische toestand. De Afdeling leest in het rapport ook niet dat een verband wordt gelegd tussen de persoonlijkheidsstoornissen en de weerspreking van de verklaringen van de agent tijdens het gesprek met de psychiater. Ook verder ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat het CBR het psychiatrisch rapport niet aan het besluit om het rijbewijs van [appellante] ongeldig te verklaren ten grondslag mocht leggen.

11.     [appellante] voert ten slotte tevergeefs aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgrond dat zij het als gevolg van het onzorgvuldig handelen van het CBR een tijdlang zonder rijbewijs heeft moeten stellen en dat dit erg onpraktisch was voor haar. Omdat uit haar uitspraak duidelijk blijkt dat het CBR niet onzorgvuldig heeft gehandeld, bestond er voor de rechtbank geen aanleiding nog expliciet op deze grond in te gaan.

Slotsom

12.     Het hoger beroep is ongegrond.

13.     Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Steendijk
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dijkshoorn

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021

Verzonden: 13 oktober 2021

Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: […]

b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. […]

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a.in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt; […]

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 134

1. Het CBR stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene. Indien een of meer deskundigen bij hun bevindingen hebben aangetekend dat inzage daarvan naar hun oordeel kennelijk ernstig nadeel voor betrokkene zou opleveren, deelt het CBR de bevindingen schriftelijk mede aan de door betrokkene aangewezen vertrouwensarts.

2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. De artikelen 132 en 133 alsmede het eerste en het vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. De in de eerste volzin bedoelde mededeling wordt niet gedaan, indien het rijbewijs van de houder inmiddels op grond van artikel 123b ongeldig is geworden. […]

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.

2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, Drogerende stoffen, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Artikel 5

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen: […]

c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige; […]

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.

Artikel 23

3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid: […]

b.in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II, […]

Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

B. Geschiktheid […]

II. Geestelijke geschiktheid

[…]

b. ernstig gestoord inzicht of gedrag;

c. ernstig onaangepast rijgedrag; […]

f. abnormale opwindingstoestanden […]

Reglement rijbewijzen

Artikel 131

Tot het doen van de schriftelijke mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet zijn bevoegd:

a.de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, en de door hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers; […]