Uitspraak 202005246/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2021:1041
- Datum uitspraak
- 16 maart 2021
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202005246/1/V3.
Datum uitspraak: 16 maart 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling] en [de moeder], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 augustus 2020 in zaak nr. 19/5629 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2019 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten.
Bij uitspraak van 31 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en moeder, vertegenwoordigd door mr. M. Dorgelo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Hoger beroep van de moeder
1. Het besluit van 18 juli 2019 heeft alleen betrekking op de vreemdeling. De moeder van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen zijn bij dat besluit niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De opdracht tot vertrek is zodanig met de persoon van de vreemdeling verweven, dat alleen hij bij een besluit daartoe als belanghebbende kan worden aangemerkt.
2. Het hoger beroep van de moeder is niet-ontvankelijk.
Hoger beroep van de vreemdeling
3. Het hoger beroep van de vreemdeling leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.1. Het hoger beroep bevat namelijk nauwelijks concrete kritiek op het oordeel van de rechtbank. Wat in hoger beroep is aangevoerd slaagt daarom evident niet.
4. Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [de moeder] niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Snijders
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2021
279.