Uitspraak 202004413/1/R2


Volledige tekst

202004413/1/R2.
Datum uitspraak: 24 maart 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vught,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2020 in zaak nr. 19/3327 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2019 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’ krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor het uitbreiden van de eerste verdieping van de woning aan de [locatie 1] te Vught.

Bij besluit van 31 oktober 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 mei 2020 heeft het college het besluit van 28 mei 2019 gewijzigd, in die zin dat naast een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ ook een omgevingsvergunning wordt verleend voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Bij uitspraak van 14 juli 2020 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 31 oktober 2019 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 mei 2020 ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[vergunninghouder] en [belanghebbende] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] gegrond is.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[vergunninghouder] en [belanghebbende] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. Kirpestein, rechtsbijstandsverlener te Leusden, het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Verhulst, en [vergunninghouder] en [belanghebbende], bijgestaan door mr. H.P. Wiersema, advocaat te Den Bosch, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Deze zaak gaat over de woning van [vergunninghouder] en [belanghebbende] aan de [locatie 1] in Vught. [vergunninghouder] en [belanghebbende] willen de eerste verdieping van hun woning uitbreiden. Volgens de bouwtekeningen wordt de goothoogte van de verdieping 5,60 meter en de nokhoogte 9,42 meter. [appellant] is eigenaar van het aangrenzende perceel. Op dat perceel staat de woning waar [appellant] woont, met [locatie 2], en de zorgwoning waar de ouders van [appellant] wonen, met [locatie 3]. [appellant] kan zich niet verenigen met de uitbreiding van de woning van zijn buren. Volgens [appellant] maakt de uitbreiding een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat van hem en zijn ouders.

Besluitvorming

2.       [vergunninghouder] en [belanghebbende] hebben een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van hun woning. Het college heeft bij besluit van 28 mei 2019 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’ krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Het college heeft het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 31 oktober 2019 ongegrond verklaard en het besluit van 28 mei 2019 in stand gelaten.

2.1.    Nadat [appellant] bij de rechtbank beroep had ingesteld tegen het besluit op zijn bezwaar, heeft het college bij besluit van 28 mei 2020 het besluit van 28 mei 2019 gewijzigd. In het gewijzigde besluit staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Koepel", dat bij besluit van 20 december 2012 is vastgesteld door de raad van de gemeente Vught. Volgens het college moet de uitbreiding van de verdieping bij nader inzien niet worden getoetst aan de planregels voor hoofdgebouwen, maar aan de planregels voor bijbehorende bouwwerken. De verdieping wordt hoger dan op grond van artikel 8.2.3 is toegestaan. Daarom is volgens het college niet alleen een omgevingsvergunning nodig voor de activiteit ‘bouwen’, maar ook voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’.

2.2.    Het college heeft de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alsnog verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a, 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. Het college heeft als motivering daaraan ten grondslag gelegd dat de uitbreiding één architectonisch geheel vormt met de bestaande woning, die past binnen de stedenbouwkundige en planologische doelstellingen van het bestemmingsplan. Het college heeft ook in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan bij recht voorziet in het in één keer bouwen van de woning inclusief de uitbreiding van de verdieping, omdat het geheel past binnen de planregels voor hoofdgebouwen. Ten slotte heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit het rapport ‘Ruimtelijke motivatie [locatie 1]’, dat op 12 mei 2020 in opdracht van [vergunninghouder] en [belanghebbende] is uitgebracht door BRO (hierna: BRO-rapport), volgt dat de uitbreiding van de woning de belangen van omwonenden niet onevenredig schaadt.

De aangevallen uitspraak

3.       De rechtbank overweegt dat het besluit van 28 mei 2020 geen besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat het college daarmee niet het besluit van 31 oktober 2019 maar het besluit van 28 mei 2019 heeft gewijzigd. De rechtbank heeft daarom aan [appellant] gevraagd of zijn reactie op het besluit van 28 mei 2020 moet worden aangemerkt als rechtstreeks beroep tegen dat besluit. [appellant] heeft dat beaamd en de andere partijen hebben ingestemd met het rechtstreekse beroep.

3.1.    De rechtbank beoordeelt eerst het beroep van [appellant] tegen het besluit van 31 oktober 2019. De rechtbank overweegt dat [appellant] geen belang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over dit beroep, omdat het besluit van 28 mei 2019, waartegen het bezwaar was gericht, geheel is vervangen door het besluit van 28 mei 2020. De rechtbank verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 31 oktober 2019 daarom niet-ontvankelijk.

3.2.    De rechtbank beoordeelt vervolgens het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 mei 2020. De rechtbank oordeelt dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding van de woning valt onder de definitie van ‘bijbehorend bouwwerk’ die in artikel 1.11 van de planregels staat. De rechtbank overweegt vervolgens dat het college het bouwplan niet kon vergunnen zonder ook een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan te verlenen, omdat het bouwplan niet voldoet aan de maximaal toegestane bouw- en goothoogten voor bijbehorende bouwwerken die in artikel 8.2.3 staan. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken. De rechtbank verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 mei 2020 ongegrond.

Beoordelingskader

4.       De relevante regels uit de Awb, Wabo en het bestemmingsplan staan in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het hoger beroep van [appellant]

5.       [appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken. [appellant] betoogt dat het college geen redelijke belangenafweging heeft verricht. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college voorbij is gegaan aan zijn bestaande rechten. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij de bebouwing op zijn eigen perceel conform het geldende bestemmingsplan heeft gerealiseerd en dat hij het ontwerp daarvan heeft afgestemd op de toentertijd vergunde bebouwing op de naastgelegen percelen. Volgens [appellant] doet het college hem tekort door nu op het naastgelegen perceel een bouwplan toe te staan dat afwijkt van het bestemmingsplan. Als hij van dit bouwplan had geweten, dan had hij namelijk andere keuzes gemaakt bij het ontwerp van de bebouwing op zijn eigen perceel. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het BRO-rapport een vrij eenzijdig beeld schetst van de impact van het bouwplan op zijn perceel en met name de zorgwoning. Op de zitting heeft [appellant] verduidelijkt dat in het BRO-rapport onderbelicht blijft dat het uitzicht vanuit de zorgwoning en de hoofdwoning en de bijbehorende tuin en terrassen aanzienlijk zal verminderen. Hij heeft benadrukt dat het bouwplan een grote bouwmassa betreft, die op korte afstand van de perceelsgrens wordt gerealiseerd en 9 meter hoog wordt. Ook heeft hij erop gewezen dat aan de zuidkant van de zorgwoning en bij de keuken van de hoofdwoning glazen puien aanwezig zijn. Met name de zorgwoning raakt ingesloten door het bouwplan, aldus [appellant]. Ten slotte heeft [appellant] op de zitting naar voren gebracht dat het feit dat het college het besluit van 28 mei 2020 heeft genomen op een laat moment in de beroepsprocedure, illustreert dat het college te eenvoudig over zijn belangen heen stapt ten gunste van de initiatiefnemers.

5.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de rechtbank tot een juiste conclusie is gekomen. De gevolgen van de uitbreiding van de woning zijn volgens het college niet zodanig dat het belang van [appellant] zwaarder weegt dan het belang van de initiatiefnemers. Het college neemt daarbij in aanmerking dat door het bouwplan weliswaar de omgeving van [appellant] wijzigt, maar dat deze wijziging niet de normale ontwikkeling in een bebouwde omgeving van een woonwijk te buiten gaat. Ook wijst het college erop dat het bestemmingsplan ter plaatse bij recht in omvangrijkere bebouwing voorziet. Het college heeft er begrip voor dat het op [appellant] oneerlijk overkomt dat het tijdens de procedure het besluit van 28 mei 2020 heeft genomen. Het college heeft toegelicht dat het hiervoor heeft gekozen omdat hierdoor zo snel mogelijk definitief kan worden beslist over de inhoud van het geschil.

5.2.    [vergunninghouder] en [belanghebbende] hebben op de zitting de voorgeschiedenis van het geschil geschetst. Zij hebben toegelicht dat zij hebben geprobeerd tot overeenstemming te komen met [appellant]. De Afdeling zal hier in de uitspraak verder niet op ingaan, omdat dit niet gaat over de beoordeling van de rechtbank van de belangenafweging die het college heeft gemaakt. En de door de rechtbank verrichte beoordeling van die belangenafweging is wat nu voorligt.

5.3.    De rechtbank heeft op goede gronden aangenomen dat in dit geval geen sprake is van bestaande rechten van [appellant] die het college in aanmerking had moeten nemen bij de belangenafweging. Dat [appellant] het ontwerp van de bebouwing op zijn eigen perceel heeft afgestemd op het bestemmingsplan en de op een bepaald moment vergunde bebouwing op het perceel van zijn buren, maakt niet dat hij er recht op heeft dat de woning van zijn buren niet wordt uitgebreid - ook als dat relatief korte tijd later is. De omstandigheid dat het bestemmingsplan niet direct voorziet in het bouwplan maakt evenmin dat [appellant] er recht op heeft dat geen uitbreiding wordt gerealiseerd. Een bestemmingsplan biedt in dit opzicht niet de zekerheid die [appellant] heeft verondersteld. Zoals op de zitting is besproken, voorziet de wet namelijk onder meer erin dat het college een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van een bestemmingsplan.

5.4.    Over de inbreuk die het bouwplan maakt op het woon- en leefklimaat van [appellant] en diens ouders, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling stelt vast dat in het BRO-rapport onder meer aandacht is voor de gevolgen die het bouwplan heeft voor schaduwhinder en inkijk vanuit de woning met [locatie 1] naar de woning met [locatie 3]. In het BRO-rapport staat echter niet wat de gevolgen zijn van het bouwplan voor het uitzicht vanuit de woningen met [locatie 2] en [locatie 3], met name gelet op de glazen puien in die woningen, en de bij die woningen horende tuin en terrassen. [appellant] heeft er gelijk in dat het BRO-rapport in dit opzicht geen volledig beeld schetst van de gevolgen die het bouwplan voor hem heeft.

De Afdeling stelt ook vast dat, hoewel dit aspect in het BRO-rapport buiten beschouwing blijft, het college wel degelijk heeft onderkend dat het bouwplan ertoe leidt dat een bouwmassa dichterbij de woningen met [locatie 2] en [locatie 3] komt en dat hierdoor het bestaande uitzicht vanuit die woningen en de bijbehorende tuin en terrassen zal verminderen.

Het college heeft aan de inbreuk op dit belang van [appellant] geen doorslaggevend gewicht toegekend. De reden daarvoor is in de kern dat het bestemmingsplan weliswaar niet bij recht voorziet in het bouwplan, omdat het valt onder de definitie van ‘bijbehorend bouwwerk’ in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan en niet voldoet aan de daarvoor geldende bouwregels, maar wel bij recht voorziet in het in één keer realiseren van de woning [locatie 1] inclusief de uitgebreide verdieping, omdat dit valt onder de definitie van ‘hoofdgebouw’ en het geheel wel voldoet aan de daarvoor geldende bouwregels. De Afdeling stelt vast dat het juist is dat het bestemmingsplan bij recht voorziet in hoofdgebouwen met een bouwhoogte van 12 meter op 3 meter van de afstand van de zijdelingse perceelsgrens en dat de woning [locatie 1] na de uitbreiding van de verdieping binnen deze grenzen blijft. Dat het college bij de afweging van de betrokken belangen het bouwplan aanvaardbaar heeft geacht omdat de inbreuk die het bouwplan op de belangen van [appellant] maakt niet groter is dan de inbreuk die kan worden gemaakt door de bebouwing waarin het bestemmingsplan bij recht al voorziet, is naar het oordeel van de Afdeling redelijk.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande terecht tot de conclusie gekomen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de uitbreiding van de woning het woon- en leefklimaat van [appellant] niet onaanvaardbaar aantast en dat de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is. Het betoog slaagt niet.

Het incidenteel hoger beroep van [vergunninghouder] en [belanghebbende]

6.       [vergunninghouder] en [belanghebbende] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] gegrond is. Deze voorwaarde is niet vervuld, omdat het hoger beroep van [appellant], gelet op wat hiervoor staat, ongegrond zal worden verklaard. Het incidenteel hoger beroep van [vergunninghouder] en [belanghebbende] is daarom vervallen. De Afdeling komt daarom niet toe aan een inhoudelijke bespreking ervan.

Conclusies

7.       Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. Het door [vergunninghouder] en [belanghebbende] ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

7.1.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.M.J. Stolk, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2021

743.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

[…]

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. […],

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […],

[…]

Artikel 2.1

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

[…];

c.de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan […], tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

[…];

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan [...]:

1°. […],

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht

Artikel 1

1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

[…]

- bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

[…].

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan […] wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan […]

Regels van het bestemmingsplan "De Koepel"

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.11 Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw of woning dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw of woning verbonden bijgebouw, daar al dan niet tegen aangebouwd, met een dak, daaronder begrepen:

-        aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt;

-        bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

-        uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt;

-        carport/overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met tenminste een dak en niet of slechts aan één zijde voorzien van een wand, bestaande wanden van overige gebouwen meegerekend.

1.26 Hoofdgebouw

Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Artikel 8 Wonen - 2

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       Wonen in de vorm van woningen -niet zijnde woonwagens-, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, al dan niet in combinatie met een bedrijf of beroep aan huis;

b.       Aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen.

8.2 Bouwregels

8.2.1 Algemeen

a.       De oppervlakte van een bouwperceel bedraagt minimaal 750 m².

b.       De totale oppervlakte van de bebouwing mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel.

c.       Kelders zijn uitsluitend toegestaan onder het hoofdgebouw (woning).

d.       Parkeervoorzieningen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gerealiseerd, met dien verstande dat per woning minimaal twee parkeervoorzieningen aanwezig dienen te zijn.

e.       Per bouwperceel mag maximaal één, niet overdekte tennisbaan aanwezig zijn.

8.2.2 Woningen

Als hoofdgebouw mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.       Het maximum aantal woningen zoals aangegeven op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'.

b.       Vrijstaande woningen, welke voldoen aan de volgende bepalingen:

1.       de woning wordt gesitueerd binnen het bouwvlak;

2.       de voorgevel van de woning wordt gebouwd evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens;

3.       de breedte van de voorgevel van de woning bedraagt minimaal 8 meter;

4.       de diepte van de woning bedraagt maximaal 20 meter;

5.       de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelsgrens(zen) bedraagt minimaal 3 meter;

6.       de afstand van de woning tot de achterste perceelsgrens bedraagt minimaal 10 meter;

7.       de goothoogte bedraagt maximaal 7 meter, waarbij een dakkapel voor de bepaling van de goothoogte buiten beschouwing wordt gelaten;

8.       de bouwhoogte bedraagt maximaal 12 meter;

9.       de ondergrondse bouwdiepte bedraag maximaal 3 meter.

8.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a.       De bijbehorende bouwwerken worden gesitueerd binnen het bouwvlak en ten minste 3 meter achter de voorgevel van de op hetzelfde bouwperceel gelegen woning.

b.       De oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 100% van de oppervlakte van de op hetzelfde bouwperceel gelegen woning, zulks tot een maximum van 300 m².

c.       De goothoogte bedraagt maximaal 3,25 meter.

d.       De bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter.