Uitspraak 202006466/1/V3 en 202006467/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:3061
- Datum uitspraak
- 23 december 2020
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 26 augustus 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202006466/1/V3 en 202006467/1/V3.
Datum uitspraak: 23 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 september 2020 in zaak nr. NL20.16054 en van 24 november 2020 in zaak nr. NL20.16054 V in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 17 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 november 2020 heeft de rechtbank daartegen door de vreemdeling gedane verzet ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J van Veelen-de Hoop, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de uitspraak van 17 september 2020 heeft de rechtbank uitspraak gedaan zonder de zaak op zitting te behandelen (artikel 8:54, eerste lid, van de Awb). In de uitspraak van 24 november 2020 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het verzet van de vreemdeling tegen de uitspraak van 17 september 2020 (artikel 8:55, zevende lid, van de Awb). Tegen dergelijke uitspraken van de rechtbank kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 8:104, tweede lid, van de Awb).
2. Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3. De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Verheij w.g. Schippers
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020
765.