Uitspraak 201909307/1/R4


Volledige tekst

201909307/1/R4.
Datum uitspraak: 23 december 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant A]) en [appellant C] en [appellant C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant C]), allen wonend dan wel gevestigd te Scherpenzeel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Scherpenzeel,

verweerder.

Procesverloop

D

Bij besluit van 29 oktober 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]-[locatie 2]-[locatie 3]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant C] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant A] en [appellant C] hebben een zienswijze daarop naar voren gebracht.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2020, waar [appellant A] en [appellant C], vertegenwoordigd door mr. T.P. Grünbauer, advocaat te Ede, [gemachtigde A], [appellant C] en [gemachtigde B]. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde C], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Kolfschoterdijk is een weg door het buitengebied die ten noorden van de bebouwde kom van Scherpenzeel ligt. Bij besluit van 29 oktober 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]-[locatie 2]-[locatie 3]" gewijzigd vastgesteld. Het plangebied omvat het huidige agrarisch bouwperceel aan de [locatie 2]-[locatie 3] en de noodwoning op het perceel [locatie 1]. Met dit plan wordt het mogelijk gemaakt om vier nieuwbouwwoningen op de locatie [locatie 1]-[locatie 2]-[locatie 3] te realiseren. De voormalige veehouderij op deze locatie, inclusief drie bestaande woningen, zal worden gesloopt.

[appellant C] exploiteert een vleeskalverenbedrijf op het nabijgelegen perceel [locatie 4] en [appellant A] is eigenaar van een loonspuitbedrijf aan de [locatie 5]. Zij vrezen dat de bedrijfsvoering van [appellant C] zal worden aangetast omdat bij de nieuw te realiseren woningen geen goed woon- en leefklimaat zal ontstaan.

Ontvankelijkheid beroep [appellant C]

2.    [appellant C] heeft geen zienswijze ingediend tegen het ontwerpplan. Gelet op artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

3.    [appellant C] heeft zijn bezwaren geuit ten tijde van de ter inzage legging van het voorontwerp van het bestemmingsplan, maar heeft niet binnen de zienswijzentermijn zijn bezwaren geuit tegen het ontwerpplan. Volgens [appellant C] had de raad op de hoogte kunnen zijn van zijn bezwaren gericht tegen het ontwerpplan. Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen [appellant C] heeft aangevoerd niet leiden tot het oordeel dat hij verschoonbaar geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die het niet tijdig naar voren brengen van een zienswijze tegen het ontwerpplan door [appellant C] verschoonbaar maken. De kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan is op de wettelijk voorgeschreven wijze geschied. In het bij het besluit van 29 oktober 2019 vastgestelde plan zijn weliswaar wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp ervan, maar deze wijzigingen hebben niet tot gevolg dat [appellant C] in een nadeliger positie is komen te verkeren dan wanneer het plan ongewijzigd zou zijn vastgesteld. Zo is de verkaveling voor een van de woningen aangepast, zodat de afstand tussen de grens van het bouwvlak van de woning en die van het bouwvlak van de veehouderij van [appellant C] minimaal 50 meter bedraagt. Daarmee is rekening gehouden met de mogelijkheid dat binnen het agrarisch bouwvlak tot een andere bedrijfsvoering kan worden gekomen, waarmee voldaan kan worden aan de afstanden zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Op de verbeelding is tevens bij deze woning aangegeven dat in een deel van de zone waar bijgebouwen zijn toegestaan, geen geurgevoelige functies zijn toegelaten. In de regels zijn hiervoor de nodige bepalingen opgenomen.

Het beroep van [appellant C] is gelet hierop niet-ontvankelijk.

Beroep van [appellant A]

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

5.    Ter zitting heeft [appellant A] medegedeeld dat hetgeen hij naar voren heeft gebracht over het bouwvolume niet als beroepsgrond hoeft te worden beschouwd. De Afdeling gaat hierop dan ook niet in.

6.    [appellant A] betoogt dat weliswaar wordt voldaan aan de afstand van 50 m zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij maar na realisering van de woningen zal volgens hem, gelet op de te verwachten geuroverlast ten gevolge van het agrarische bedrijf van [appellant C], geen goed woon- en leefklimaat bestaan. De te realiseren woningen zijn burgerwoningen en geen agrarische bedrijfswoningen, zodat het woon- en leefklimaat wijzigt en bovendien sprake is van geurgevoelige objecten. Verder betoogt [appellant A] in zijn reactie op het StAB-verslag dat de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellant C] worden gebagatelliseerd.

6.1.    Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

6.2.    De Afdeling heeft in haar overzichtsuitspraak  van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, uiteengezet dat appellanten zich in rechte op de norm van een goede ruimtelijke ordening kunnen beroepen om een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te bewerkstelligen voor zover die norm betrekking of mede betrekking heeft op hun eigen belangen. In artikel 8:69a van de Awb ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen (zie onder 10.10).

Het bedrijf van [appellant A] is geen veehouderij die onder de werking van de in de Wgv opgenomen geurregels valt. Ook kan op grond van het bestemmingsplan op de gronden waarop het bedrijf van [appellant A] is gevestigd geen veehouderij gerealiseerd worden. De realisatie van de vier woningen binnen het plangebied zal, wat betreft het aspect geur, geen gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van [appellant A]. [appellant A] beroept zich op het niet bestaan van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het bestemmingsplan voorziene woningen vanwege de te verwachten gevolgen van geur ten gevolge van het bedrijf van [appellant C]. In zoverre beroept [appellant A] zich op een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn bedrijfsbelangen waarvoor hij opkomt. Het betoog kan gelet op artikel 8:69a van de Awb in zoverre niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. De Afdeling ziet daarin aanleiding het betoog buiten behandeling te laten.

7.    Het betoog van [appellant A] dat met het plan een bouwvlak dichter bij de weg is komen te liggen waardoor de ontsluiting van de voorziene woningen lastiger is geworden is ter zitting ingetrokken gelet op het ingediende inrichtingsplan.

8.    Ten slotte betoogt [appellant A] dat bij een zorgvuldig besluit rekening zou zijn gehouden met de ladder voor duurzame verstedelijking.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de toevoeging van een woning en het wijzigen van de bedrijfswoningen en noodwoning naar normale burgerwoningen niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling en dat daarom de ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen hoeft te worden.

8.2.    Artikel 1.1.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bro) luidt:

"In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[….]

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt:

" De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

8.3.    De Afdeling is van oordeel dat het plan, gelet op het aantal woningen dat het mogelijk maakt, niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is in dit geval dan ook niet van toepassing. Vergelijk ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, overweging 6.3.

Het betoog slaag niet.

Slot en conclusie

9.    Het beroep van [appellant C] is niet-ontvankelijk en dat van [appellant A] is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant C] en [appellant C] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant A] en [appellante B] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020

700.