Uitspraak 202006172/1/A3 en 202006172/2/A3


Volledige tekst

202006172/1/A3 en 202006172/2/A3.
Datum uitspraak: 18 december 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Zandvoort,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 5 november 2020 in zaak nrs. 20/4869 en 20/4870 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Zandvoort.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2020 heeft de burgemeester bevolen dat de woning op het adres [locatie] te Zandvoort met ingang van 10 februari 2020 voor een periode van drie maanden wordt gesloten.

Bij besluit van 10 september 2020 heeft de burgemeester het door [appellante] tegen het besluit van 28 januari 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat de woning met ingang van 17 september 2020 voor een periode van drie maanden wordt gesloten.

Bij uitspraak van 5 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 december 2020, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.W. Spanjer, advocaat te Heemstede, is verschenen en waaraan de burgemeester, vertegenwoordigd door S. El Jarroudi en H.M. van de Kamp, door middel van een videoverbinding heeft deelgenomen.

Overwegingen

Kortsluiten

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.    [appellante] woont in een bovenwoning op het adres [locatie] te Zandvoort. Op 3 december 2019 heeft de politie in een slaapkamer van die woning een hennepkwekerij met 225 planten aangetroffen. In een andere slaapkamer werden diverse zaken aangetroffen die verband hielden met het kweken van hennep, zoals meerdere lege plantenpotten met aarderesten, een niet aangesloten schakelbord, droogrekken en ventilatiebuizen. De stroom die voor de hennepkwekerij nodig was, werd illegaal afgetapt. De politie is de hennepkwekerij op het spoor gekomen na een melding van een makelaar. Deze makelaar had de woning op verzoek van [appellante] bezocht om deze te taxeren. De makelaar mocht een bepaalde ruimte niet betreden en rook een henneplucht.

3.    De politie heeft de burgemeester een rapportage gestuurd over het aantreffen van de hennepkwekerij. De burgemeester heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevolen dat de woning wordt gesloten. In overeenstemming met de Beleidsregels Damocles Zandvoort 2017 heeft hij de duur van de sluiting bepaald op drie maanden. Het tegen de sluiting gerichte bezwaar en beroep zijn ongegrond verklaard.

Gronden hoger beroep

4.    Net als in beroep is in hoger beroep niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten. In geschil is of hij in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Volgens [appellante] is dat niet het geval. Zij voert in dat verband drie punten aan.

Ten eerste was sluiting van de woning volgens [appellante] van meet af aan niet noodzakelijk. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van loop naar de woning. Dit is namelijk nooit vastgesteld door de politie of de burgemeester. [appellante] stelt dat alleen zij zelf en degenen die de hennepkwekerij onderhielden, enige loop naar het pand veroorzaakten. Afnemers of gebruikers zijn nooit in het pand geweest. Verder is de loop naar de woning ten onrechte gekoppeld aan de omvang van de hennepkwekerij. Daarnaast werd er weliswaar illegaal stroom afgetapt, maar bij de ontmanteling van de hennepkwekerij is de stroom afgesloten. Daarmee was het brandgevaar geweken.

Ten tweede was het volgens [appellante] ten tijde van het besluit van 10 september 2020 door tijdsverloop in elk geval niet meer noodzakelijk om de woning te sluiten. Zij voert in dat verband aan dat de burgemeester pas zeven maanden na de datum waarop de woning aanvankelijk zou worden gesloten, dat besluit op bezwaar heeft genomen.

Ten derde is sluiting van de woning volgens [appellante] onevenredig. Zij stelt dat zij de hennepkwekerij in haar woning heeft toegelaten omdat zij door drie personen werd bedreigd. Zij heeft dit tegen de politie gezegd, maar kon alleen een beschrijving geven en de voornamen noemen van de drie personen. De politie heeft er verder niets mee gedaan. Volgens [appellante] zijn er geen stukken beschikbaar waarmee zij aannemelijk kan maken dat zij bereid was om mee te werken aan onderzoek door de politie. Verder stelt zij dat sluiting van de woning hoge kosten voor haar tot gevolg heeft. Zij moet de hypotheek van haar woning blijven betalen. Vervangende woonruimte is alleen tegen hoge huren beschikbaar. De burgemeester heeft niet meegewerkt aan het verkrijgen van vervangende woonruimte.

Oordeel voorzieningenrechter

5.    In de eerste plaats moet aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Verder moet de sluiting ook evenredig zijn. Bij de beoordeling van de evenredigheid zijn in dit geval de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting van belang. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.

-    Noodzaak sluiting

6.    Als meer dan vijf hennepplanten zijn aangetroffen, wordt in beginsel aangenomen dat het om een handelshoeveelheid gaat. Dat wil zeggen dat dan in beginsel aannemelijk is dat de aangetroffen planten deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. In dit geval heeft de politie 225 planten aangetroffen. Dat is aanzienlijk meer dan de genoemde hoeveelheid van vijf planten. Het gaat dan ook om een betrekkelijk ernstige en omvangrijke overtreding.

Uitgangspunt is dat, als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Dat levert op zichzelf al een belang bij sluiting op, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de 'loop' naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken (vergelijk de eerder genoemde uitspraak van 28 augustus 2019). [appellante] heeft toegegeven dat er 'loop' was naar de woning, nu zij zelf heeft gesteld dat drie personen in de woning kwamen die de hennepkwekerij onderhielden. De rechtbank heeft in dit verband terecht de omvang van de hennepkwekerij in aanmerking genomen. Hoe groter een hennepkwekerij is, des te meer werk is er aan het opzetten en onderhouden ervan en des te meer 'loop' er dus is. Dat de hennep, zoals de burgemeester in het besluit van 10 september 2020 ook heeft aangenomen, niet in of vanuit de woning werd verhandeld en dat er dus geen drugsgebruikers in de woning kwamen, laat onverlet dat de woning een rol vervulde binnen de keten van drugshandel.

Bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting gaat de voorzieningenrechter voorbij aan de brandgevaarlijke situatie die door het illegaal aftappen van stroom was ontstaan, alleen al omdat het brandgevaar na de ontmanteling van de hennepkwekerij al was geweken.

Het tijdsverloop tussen de aanvankelijke sluitingsdatum van 10 februari 2020 en het besluit van 10 september 2020 is onvoldoende grond voor het oordeel dat de burgemeester de sluiting ten tijde van dat besluit niet langer noodzakelijk mocht achten. In dit verband is van belang dat de burgemeester uiteen heeft gezet dat de maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus ertoe hebben geleid dat de bezwaarschriftencommissie niet binnen de gebruikelijke termijn een advies heeft kunnen uitbrengen. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de sluiting gedurende de behandeling van het bezwaar op verzoek van en in het belang van [appellante] is geschorst door de rechtbank. De burgemeester mocht zich ten tijde van het in beroep bestreden besluit op het standpunt stellen dat een zichtbare sluiting van de woning nog steeds noodzakelijk was om de loop naar de woning definitief te doorbreken en de bekendheid van de woning als onderdeel van het drugscircuit weg te nemen.

-    Evenredigheid sluiting

7.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] slechts heeft gesteld, maar op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat zij werd bedreigd en dat zij wegens de bedreigingen heeft toegelaten dat een hennepkwekerij werd opgezet in haar woning. Het opzetten van een hennepkwekerij en het kweken van hennep vergt tijd. [appellante] heeft gesteld dat de hennepkwekerij ongeveer een half jaar in haar woning aanwezig was toen deze door de politie is ontdekt. Verder heeft zij gezegd dat zij heeft gehoord dat er in die periode één keer een mislukte oogst is geweest en dat een nieuwe oogst ophanden was toen de hennepkwekerij is ontdekt. Het valt [appellante] te verwijten dat zij al die tijd de aanwezigheid van de hennepkwekerij in haar woning heeft laten voortduren, terwijl zij wist dat zij daardoor medewerking verleende aan een illegale situatie. Ook al zou [appellante] zijn bedreigd door de telers, dan nog valt niet in te zien dat zij niet bij de politie heeft kunnen melden dat er een hennepkwekerij werd geëxploiteerd in haar woning. Desnoods had zij deze melding anoniem kunnen doen of iemand anders kunnen vragen om de melding te doen.

Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat [appellante] door de sluiting van de woning drie maanden dubbele woonlasten heeft, de sluiting van de woning niet onevenredig maakt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voor die periode geen vervangende woonruimte kan krijgen of dat zij door de kosten daarvan in financiële moeilijkheden komt. Onder deze omstandigheden was de burgemeester niet gehouden om te informeren naar de mogelijkheden voor vervangende woonruimte.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat sluiting van de woning niet onevenredig is.

-    Eindconclusie

8.    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de woning van [appellante] voor een periode van drie maanden te sluiten. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Slotoverwegingen

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11.    Dit betekent dat de burgemeester de woning alsnog mag sluiten. De burgemeester heeft toegezegd dat [appellante] in elk geval tot 1 januari 2021 de tijd heeft om andere woonruimte te zoeken.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Van Ettekoven
voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2020

640.