Uitspraak 201708385/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:2834
- Datum uitspraak
- 12 november 2020
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 augustus 2016 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201708385/1/V1.
Datum uitspraak: 12 november 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 september 2017 in zaak nr. 17/2293 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 10 januari 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Sarkisian, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben desgevraagd nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de vreemdeling tegengeworpen dat de politierechter hem voor bezit van harddrugs op 1 april 2011 onherroepelijk heeft veroordeeld. Vanaf die datum heeft de staatssecretaris hem hierom tien jaar lang aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde.
2. De tweede grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71; hierna: de richtlijn) niet van toepassing is en dat de staatssecretaris terecht niet heeft beoordeeld of hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.
3.1. Artikel 6, eerste lid, van de richtlijn vormt het kader voor de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde in artikel 3.77, eerste lid, van het Vb 2000, ongeacht of het om een door het Unierecht beheerste situatie of een zuiver interne situatie gaat (verwijzingsuitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1739, onder 8 en 9). De vreemdeling draagt de klacht in zoverre terecht voor. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2069, onder 9 en 12, volgt echter dat de grief, voor zover deze over het beoordelingscriterium gaat, faalt.
4. De vreemdeling betoogt in de schriftelijke zienswijze dat zijn enkele veroordeling niet zonder meer noodzakelijk maakt dat de staatssecretaris hem van het Nederlands grondgebied uitsluit. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2019, G.S. en V.G., ECLI:EU:C:2019:1072, punten 66-68, volgt dat artikel 6, eerste lid, van de richtlijn zich niet verzet tegen de afwijzing van een verzoek om toegang en verblijf van een gezinslid vanwege een veroordeling voor een strafbaar feit, zolang uit de motivering van het besluit van de staatssecretaris blijkt dat is voldaan aan het evenredigheidsbeginsel en dat de staatssecretaris daarbij een individuele beoordeling heeft verricht als bedoeld in artikel 17 van de richtlijn. In het besluit van 10 januari 2017 heeft de staatssecretaris er alleen op gewezen dat hij de vreemdeling drugsbezit uitdrukkelijk zwaar aanrekent volgens het in § B1/4.4 van de Vc 2000 neergelegde beleid voor drugsmisdrijven waarop een gevangenisstraf van zes jaar of minder staat. Weliswaar gelden drugsdelicten in het algemeen als ernstige strafbare feiten en duidt de hoge maximale strafmaat daar ook op, maar in het licht van een hoge maximale strafmaat kan een lage werkelijke straf juist duiden op een relatief lichtere ernst van het gepleegde misdrijf. Door in het besluit in het geheel niet in te gaan op de werkelijke straf en de overige individuele omstandigheden van het geval, heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd dat het strafbare feit waarvoor de vreemdeling in Nederland is veroordeeld, mede gelet op wat hij daarover heeft aangevoerd, zo ernstig is of van dien aard dat het noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde om zijn verblijf uit te sluiten.
De grief slaagt.
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 10 januari 2017 wordt vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden. Daarover overweegt de Afdeling het volgende.
5.1. De staatssecretaris stelt zich in zijn nader stuk op het standpunt dat de vreemdeling voor het bezit van harddrugs in 2011 is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf waarvan een maand onvoorwaardelijk, dat opiumdelicten wereldwijd als zeer ernstig worden aangemerkt gezien de grote schade die zij veroorzaken, en dat die voorkomen op de lijst misdrijven opgenomen bij het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Hieruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten voor ernst en aard van het strafbare feit, bedoeld in het arrest G.S. en V.G. Daarnaast stelt de staatssecretaris zich in het nader stuk op het standpunt dat hij bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ook is ingegaan op aard en hechtheid van de gezinsband en de duur van het verblijf van de vreemdeling, en het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. Hiermee heeft de staatssecretaris alsnog deugdelijk gemotiveerd dat hij een individuele beoordeling heeft verricht als bedoeld in artikel 17 van de richtlijn. Anders dan de vreemdeling aanvoert, heeft de staatssecretaris daarbij kenbaar betrokken dat hij sinds 2011 een duurzame en exclusieve relatie heeft en sinds 2012 is getrouwd. Daarom is de weigering een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen niet in strijd met de richtlijn.
6. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 september 2017 in zaak nr. 17/2293;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 10 januari 2017, V-nr. […];
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.G.M. Laarhoven, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Laarhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2020
282-862.