Uitspraak 202004325/1/R4


Volledige tekst

202004325/1/R4.
Datum uitspraak: 18 november 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2020 heeft het college zijn beslissing om op 7 mei 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 30 juli 2020 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2020, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door D. Khougiani en mr. A.M. Buijs, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 7 mei 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) ter hoogte van de Gedempte Sloot 31 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

2.    [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar stelt dat hij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet. Hij stelt dat de doos en een huisvuilzak in zijn portiek stonden, omdat de ORAC's al twee dagen niet waren geleegd. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij zijn huisvuil altijd 's avonds in zijn portiek zet om het de volgende dag weg te brengen. Hij zet zijn huisvuil niet op het balkon, omdat het daar ongedierte aantrekt. Volgens hem is de huisvuilzak in zijn portiek blijven staan, maar was de doos verdwenen. Hij gaat ervan uit dat iemand anders de doos heeft meegenomen en naast de ORAC heeft gezet. Verder wijst hij erop dat de doos is aangetroffen bij de ORAC die het verst weg van zijn huis staat en dat er ORAC's dichter bij zijn huis staan.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

De overtreder is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt.

2.2.    Door het adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. Met zijn stelling dat de doos in zijn portiek stond en dat iemand anders de doos naast de ORAC heeft gezet, heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt, omdat hij deze stelling niet met bewijsstukken heeft onderbouwd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt. De omstandigheid dat de doos is aangetroffen naast een ORAC op ongeveer 150 m afstand van zijn huis, terwijl er andere ORAC's dichterbij zijn huis staan, maakt op zichzelf ook niet aannemelijk dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden.

Ook als ervan wordt uitgegaan dat [appellant] de doos in zijn portiek heeft gezet en dat iemand anders de doos heeft meegenomen en naast de ORAC heeft gezet, dan kan dat aan hem worden toegerekend en kan hij verantwoordelijk worden gehouden voor het verkeerd aanbieden van de doos. Door de doos daar neer te zetten, heeft hij het risico genomen dat de doos door een ander zou worden meegenomen en verkeerd ter inzameling zou worden aangeboden. Zijn toelichting dat hij geen huisvuil op het balkon zet omdat dat ongedierte aantrekt, maakt overigens niet duidelijk waarom hij deze lege kartonnen doos daar niet neer had kunnen zetten.

Gelet op het voorgaande heeft het college [appellant] terecht als overtreder aangemerkt.

Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020

687.