Uitspraak 202005241/2/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:2458
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2020
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 1 oktober 2018, 11 oktober 2018, 12 oktober 2018, 12 oktober 2018, 15 oktober 2018 en 16 oktober 2018, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, hun aanvragen om verlenging van die vergunningen afgewezen, bepaald dat zij Nederland onmiddellijk moeten verlaten en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
202005241/2/V3.
Datum uitspraak: 20 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3], [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5] en [vreemdeling 6],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 september 2020 in zaken nrs. NL18.21293, NL1821294, NL18.21295, NL 18.21296, NL18.21299 en NL18.21300 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 1 oktober 2018, 11 oktober 2018, 12 oktober 2018, 12 oktober 2018, 15 oktober 2018 en 16 oktober 2018, heeft de staatssecretaris de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, hun aanvragen om verlenging van die vergunningen afgewezen, bepaald dat zij Nederland onmiddellijk moeten verlaten en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 21 september 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Ook hebben de vreemdelingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdelingen niet worden uitgezet voordat op het door hen ingediende hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2020
638-907.