Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202002017/1/V2

Uitspraak 202002017/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:2335
Datum uitspraak
2 oktober 2020
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 februari 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202002017/1/V2.
Datum uitspraak: 2 oktober 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 februari 2020 in zaak nr. 19/851 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    De Surinaamse vreemdeling is 82 jaar oud en weduwe. Ze heeft een aanvraag ingediend om haar een mvv te verlenen met als verblijfsdoel 'wedertoelating buiten Nederland geboren oud Nederlander'. Deze uitspraak gaat over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn besluitvorming heeft afgewogen en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering om aan de vreemdeling een mvv verlenen, niet in strijd is met het recht op eerbieding van het privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

1.1.    De vreemdeling klaagt in haar enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering de vreemdeling verblijf toe te staan niet in strijd is met het recht op eerbieding van het privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

1.2.    Deze grief slaagt. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het privéleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Hierbij is van belang dat de (hoogbejaarde) vreemdeling langer in het bezit is geweest van de Nederlandse dan van de Surinaamse nationaliteit. Ze is 42 jaar Nederlandse geweest. Verder heeft ze een opleiding gevolgd die op Nederland was gericht, is de vreemdeling 22 jaar als Nederlands ambtenaar werkzaam geweest, is ze in Nederland belastingplichtig en ontvangt ze een Nederlands ABP-pensioen. Ook zijn drie van haar vier kinderen Nederlander en wonen zij net als haar kleinkinderen en achterkleinkinderen in Nederland. Verder heeft de vreemdeling, ook nadat ze voor de Surinaamse nationaliteit opteerde in 1982, langdurige perioden in Nederland verbleven bij haar toen nog levende moeder en haar kinderen. Tussen 1982 en 2012 heeft ze 9 jaar rechtmatig in Nederland verbleven op basis van tijdelijke verblijfsvergunningen. Dit alles onderstreept de sterke banden die de vreemdeling nog steeds met Nederland heeft. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris in dit geval niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het feit dat de vreemdeling volgens hem ook sterke banden met Suriname heeft. Het standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdeling het grootste gedeelte van haar leven in Suriname heeft doorgebracht en dat niet valt in te zien dat zij geen vriendschappen kan opbouwen met andere mensen dan haar overleden vriendinnen of nichtje met wie de vreemdeling tot voor kort haar voornaamste sociale banden in Suriname had, maakt namelijk nog niet dat deze banden de banden die de vreemdeling met haar drie in Nederland verblijvende kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen heeft, overstijgen. Bovendien betoogt de vreemdeling terecht dat het, gelet op haar leeftijd, steeds moeilijker wordt zelfstandig op en neer te (blijven) reizen om haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen te (blijven) bezoeken.

1.3.    De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 31 januari 2019 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 februari 2020 in zaak nr. 19/851;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 31 januari 2019, […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Prins
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2020

572-939.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon