Uitspraak 201907138/1/A2


Volledige tekst

201907138/1/A2.
Datum uitspraak: 26 augustus 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 augustus 2019 in zaak nr. 18/1274 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2017 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2018 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2019 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 april 2018 vernietigd, het besluit van 4 oktober 2017 herroepen en bepaald dat aan [wederpartij] een tegemoetkoming in planschade van € 2.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, wordt toegekend en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2020, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.G. Nielen, advocaat te Den Haag, en mr. K. Kloth, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [wederpartij] is eigenaar van de woning met bijbehorend perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning). Op 10 mei 2016 heeft hij het college verzocht om tegemoetkoming in de planschade, bestaande uit een vermindering van de waarde van de woning, die hij heeft geleden als gevolg van het provinciale inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg 2012 (hierna: het inpassingsplan). Het inpassingsplan, dat bij besluit van provinciale staten van Limburg van 29 juni 2012 is vastgesteld en op 11 maart 2015 in werking is getreden, is de planologische grondslag voor het realiseren van de zogenoemde Buitenring Parkstad Limburg (hierna: de BPL) op een ten oosten van de woning gelegen gebied (hierna: het plangebied).

standpunt van het college

2.    Het college heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan de schadecommissie Buitenring Parkstad Limburg (hierna: de schadecommissie).

In een advies van 14 juli 2017 heeft de schadecommissie een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden in het plangebied onder het regime van het inpassingsplan en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime (hierna: het oude planologische regime). Volgens de schadecommissie heeft de planologische verandering voor [wederpartij] geleid tot een toename van de geluidoverlast, een verslechtering van de luchtkwaliteit en een aantasting van de situeringswaarde van de woning, maar niet tot een verslechtering van het uitzicht. Uit de vergelijking is de conclusie getrokken dat [wederpartij] in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren en dat de waarde van de woning ten tijde van de inwerkingtreding van het inpassingsplan is gedaald van € 130.000,00 naar € 124.000,00. Volgens de schadecommissie is de schade geheel toe te schrijven aan de aanleg van een rotonde op een kortste afstand van ongeveer 80 m van de woning en was deze ontwikkeling voor [wederpartij] ten tijde van de aankoop van de woning op 11 mei 2006 niet voorzienbaar. Ter toelichting hiervan heeft de schadecommissie uiteengezet dat uit een bij het Provinciaal Omgevingsplan Limburg van 29 juni 2001 (hierna: het POL) behorende kaart niet valt af te leiden dat ook het terrein van het voormalige volkstuinencomplex onderdeel zou gaan uitmaken van de BPL en dat aldaar een rotonde zou komen.

Verder is in het advies vermeld dat de omvang van het normale maatschappelijke risico, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), niet groter is dan het wettelijk forfait van artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van deze wet, omdat het gaat om de aanleg van een nieuwe rotonde en het voormalige volkstuinencomplex totaal heringericht is. Dat betekent dat een gedeelte van de schade, gelijk aan 2 procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het opkomen ervan (€ 2.600,00), voor rekening van [wederpartij] blijft, zodat een tegemoetkoming van € 3.400,00 resteert, aldus het advies.

3.    In het besluit van 4 oktober 2017 heeft het college zich, in afwijking van het advies van de schadecommissie, op het standpunt gesteld dat de aanleg van de rotonde voor [wederpartij] ten tijde van de aankoop van de woning op grond van de Startnotitie voor de tracé/m.e.r.-studie Buitenring Parkstad van 7 september 1999 (hierna: de Startnotitie) en het POL voorzienbaar was, zodat [wederpartij] het risico van deze ontwikkeling heeft aanvaard en de schade voor zijn rekening blijft. Ter toelichting hiervan heeft het college in dat besluit onder meer het volgende vermeld.

In de tekst van het POL en de bijbehorende kaart zijn corridors aangeduid voor het bepalen van het precieze tracé van de BPL in een later stadium. Ook is in de tekst van het POL vermeld dat aanvullende maatregelen op het lokale wegennet nodig zijn om de beoogde afname van de verkeersdruk te realiseren. Daarvan uitgaande, had een redelijk handelend koper rekening gehouden met het risico van het realiseren van infrastructurele maatregelen in de nabijheid van de woning, te meer nu direct ten zuiden van de woning de Kerkradersteenweg is gelegen en direct ten noorden van de woning een bedrijventerrein en de door middel van het inpassingsplan mogelijk gemaakte rotonde de logische resultante is van de noodzakelijke aansluiting van de Kerkradersteenweg en het bedrijventerrein op de BPL. Daarbij is van belang dat het volgens vaste jurisprudentie niet is vereist dat ten tijde van de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak de schadeveroorzakende overheidsmaatregel tot in detail was uitgewerkt of dat het mogelijk was de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid te bepalen. Voor een redelijk denkend en handelend koper was er aanleiding om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse van de woning in ongunstige zin zou veranderen. [wederpartij] wordt derhalve geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de woning te hebben aanvaard.

4.     Voor het geval de aanleg van de rotonde voor [wederpartij] ten tijde van de aankoop van de woning niet voorzienbaar was, heeft het college voorts in het besluit van 4 oktober 2017, in afwijking van het advies van de schadecommissie, de omvang van het normale maatschappelijke risico, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, vastgesteld op 4 procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het opkomen van de schade. Ter toelichting hiervan heeft het college in dat besluit onder meer het volgende vermeld.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling valt af te leiden dat de aanleg van nieuwe infrastructuur en uitbreiding van bestaande infrastructuur in beginsel een normale maatschappelijke ontwikkeling is. Het voornemen tot het realiseren van de BPL blijkt al geruime tijd uit provinciaal beleid. Het was gedurende een periode van vele jaren te verwachten dat het plangebied vroeg of laat een andere bestemming zou krijgen. Dit geldt ook voor de rotonde ten noordoosten van de woning. De rotonde maakt onderdeel uit van de parallelstructuur die noodzakelijk is voor de ontsluiting van het noordelijk gelegen bedrijventerrein op de Kerkradersteenweg en de BPL. De Dentgenbachweg voorzag in die ontsluiting. Het is logisch te veronderstellen dat als die weg wordt vervangen door de BPL, zoals voorzien in het beleid, een bepaalde parallelstructuur noodzakelijk is om het bedrijventerrein te blijven ontsluiten. De BPL wordt voor het overgrote deel van dit wegvak aangelegd op de locatie van de Dentgenbachweg. De ontwikkeling houdt een uitbreiding van de bestaande weg in en past binnen de structuur van de omgeving. De BPL ligt direct langs het bedrijventerrein en volgt de rand van de bestaande bebouwing. Ook voor de aanleg van de aansluitingen op het bestaande wegennet is ervoor gekozen om zo veel als mogelijk aan te sluiten op de bestaande infrastructuur en de BPL landschappelijk in te passen. De rotonde past niet volledig binnen de structuur van de omgeving. De rotonde is echter een noodzakelijk en logisch uitvloeisel van de reconstructie van de Dentgenbachweg en past wat dat betreft in de ruimtelijke structuur. Tegelijkertijd wordt ook de rotonde landschappelijk ingepast. De afwijking van de structuur van de omgeving is daarmee uitermate gering.

5.    In het besluit van 24 april 2018 heeft het college het besluit van 4 oktober 2017 in stand gelaten.

oordeel van de rechtbank

6.    In de uitspraak van 15 augustus 2019 heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de voorzienbaarheid van de schade en de omvang van het normale maatschappelijke risico en heeft zij, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil, zelf in de zaak voorzien.

voorzienbaarheid van de schade

7.    De rechtbank heeft overwogen dat zij het college niet volgt in het standpunt dat de aanleg van de rotonde ten noordoosten van de woning voor [wederpartij] op basis van de Startnotitie en het POL voorzienbaar was. Dat, zoals het college heeft gesteld, in de tekst van het POL is vermeld dat de ten zuiden van de woning gelegen Kerkradersteenweg moest aansluiten op de BPL en de aanleg van de BPL gevolgen zou kunnen hebben voor de aansluitingen daarop, is daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor de vermelding dat overige aanvullende maatregelen nodig zullen zijn om de beoogde afname van de verkeersdruk op het lokale wegennet te realiseren. Daaruit blijkt niet van een concreet aanknopingspunt dat ter plaatse van de woning een aansluiting zou kunnen komen. Verder valt niet in te zien dat de omstandigheid dat de BPL voor een deel de Dentgenbachweg heeft vervangen er noodzakelijk en logischerwijs toe zou leiden dat de aanleg van een aansluiting ter hoogte van de woning zou kunnen gaan plaatsvinden. Dat geldt eveneens voor de omstandigheid dat een aansluiting van de BPL op het bedrijventerrein noodzakelijk was. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat [wederpartij] ten tijde van de aankoop van de woning rekening moest houden met de kans dat deze aansluiting ter plaatse van de woning zou worden gerealiseerd.

omvang van het normale maatschappelijke risico

8.    De rechtbank heeft verder overwogen dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de aanleg van infrastructurele werken, zoals de BPL en daarbij behorende aan- en afritten en rotondes, een normale maatschappelijke ontwikkeling is en dat de ontwikkeling ook in zoverre in de lijn der verwachtingen lag, dat deze binnen het door de provincie gevoerde beleid paste. De ontwikkeling paste echter niet in de ruimtelijke structuur van de omgeving. Daarom wordt het college niet gevolgd in de conclusie dat de ontwikkeling zodanig in de lijn der verwachtingen lag dat een aftrek van 4 procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het opkomen van de schade redelijk is. De locatie van de rotonde had onder het oude planologische regime een groenbestemming en het lag op zich niet in de lijn der verwachtingen dat de ontwikkeling juist op die gronden zou plaatsvinden. De ontwikkeling paste verder, ondanks de landschappelijke inpassing, ook naar haar aard en omvang niet in de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving, zoals het college ook heeft gesteld. Het college wordt niet gevolgd in de stelling dat de rotonde een noodzakelijk en logisch uitvloeisel is van het vervallen van een deel van de Dentgenbachweg. Daarnaast is deze stelling geen steekhoudend argument om de ontwikkeling passend in de feitelijk bestaande ruimtelijke structuur te achten. Qua afstand tot de woning en omvang van de schade past de ontwikkeling ook niet geheel in de lijn der verwachtingen, zodat deze factoren in elk geval geen aanleiding geven om de aftrek wegens het normale maatschappelijke risico om die redenen, afgezet tegen het wettelijk forfait, naar boven bij te stellen. Omdat de aanleg van de rotonde een normale maatschappelijke ontwikkeling is, die binnen het door het provinciebestuur gevoerde beleid past, maar wat betreft haar aard niet In de ruimtelijke structuur past en in zoverre niet in de lijn der verwachtingen lag, is - ook gezien de afstand tot de woning en de omvang van de schade - in dit geval een aftrek wegens het normale maatschappelijke risico van 3 procent van de waarde van de woning aangewezen. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit percentage ook past bij de overigens door het college gehanteerde lijn. Bij een nieuwe ontwikkeling hanteert het college in dit soort gevallen in beginsel immers een aftrek wegens het normale maatschappelijke risico van 3 procent. Bij een reconstructie van een bestaande weg hanteert het college in beginsel een aftrek van 4 procent.

zelf in de zaak voorzien

9.    De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het college ten onrechte geen tegemoetkoming in planschade aan [wederpartij] heeft toegekend. Zij heeft, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil, de omvang van het normale maatschappelijke risico vastgesteld op 3 procent van de waarde van de woning, onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de schade (€ 3.900,00), en bepaald dat het college aan [wederpartij] een tegemoetkoming in planschade van € 2.100,00 toekent, te vermeerderen met de wettelijke rente.

hoger beroep

10.    Het college is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de door [wederpartij] als gevolg van de aanleg van de rotonde geleden schade ten tijde van de aankoop van de woning op 11 mei 2006 niet voorzienbaar was. Het college stelt zich op het standpunt dat [wederpartij] op basis van de Startnotitie en het POL rekening moest houden met aansluitingen van de buitenring op het lokale wegennet, in dit geval een rotonde, en voert daartoe het volgende aan.

Uit de startnotitie blijkt dat de N299 via de Dentgenbachweg wordt verbonden met de N300. Deze verbinding wijst op mogelijke aansluitingen op lokale infrastructuur. Deze verbinding is ook aangeduid op de kaarten bij de startnotitie.

Op kaart 3 bij het POL 2001 is een globaal zoekgebied aangeduid voor het tracé van een provinciale weg nabij de woning. Uit de tekst van het POL blijkt dat de bestaande Kerkradersteenweg op de BPL moest gaan aansluiten en dat het nemen van aanvullende maatregelen op het lokale wegennet noodzakelijk was om de beoogde afname van de verkeersdruk te realiseren. De bedoelde aansluiting op de Kerkradersteenweg is de huidige rotonde aan de oostelijke zijde van de BPL, maar een aansluiting aan de westelijke zijde van de BPL, in de buurt van de woning, was ook voorzienbaar. Op kaart 3 is verder zichtbaar dat het tracé langs het direct ten noorden van de woning gelegen bedrijventerrein loopt. Het bedrijventerrein had in de oude situatie een ontsluiting op de Dentgenbachweg. Voorzienbaar was dat het bedrijventerrein een nieuwe aansluiting zou krijgen op de BPL. Uit de startnotitie en het POL blijkt immers dat de N299 via de Dentgenbachweg wordt verbonden met de N300. Dat het terrein, waarop de rotonde bij de woning uiteindelijk is gerealiseerd, niet binnen het zoekgebied van kaart 3 lag, doet daaraan niet af. Het zoekgebied was alleen bedoeld voor het hoofdtracé en niet voor de aansluitingen op het onderliggende wegennet. Dat het uiteindelijke tracé in het POL nog niet was vastgesteld en dat nog niet was gepreciseerd dat er een rotonde zou komen, laat onverlet dat [wederpartij], ten tijde van de aankoop van de woning, rekening moest houden met het risico van deze invulling. Uit een uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3023) volgt dat aansluitingen, zoals toe- en afritten, net zo voorzienbaar kunnen zijn als het tracé zelf, wanneer die aansluitingen noodzakelijk zijn voor het realiseren van het tracé. Dat is ook hier het geval. Zowel de rotonde aan de oostelijke zijde als de rotonde aan de westelijke zijde van de N300 is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat het tracé ter plaatse de verkeersdruk daadwerkelijk vermindert, zoals beschreven in de startnotitie en het POL, aldus het college.

10.1.    In de overzichtsuitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) heeft de Afdeling onder 5.23 tot en met 5.30 onder meer het volgende overwogen.

De voorzienbaarheid van een planologische verandering wordt beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij wordt rekening gehouden met een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Niet is vereist dat dat beleidsvoornemen een formele status heeft.

Indien de planschade voorzienbaar is, blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak te hebben aanvaard.

Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, moet een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en dat hij van de inhoud ervan kan kennisnemen.

Bij het bepalen van de voorzienbaarheid van de schade komt geen betekenis toe aan de grootte van de ten tijde van de beslissing tot investering bestaande kans dat de schade niet zou ontstaan.

Voor het aannemen van voorzienbaarheid is niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden.

10.2.    [wederpartij] heeft de woning op 11 mei 2006 gekocht. Niet in geschil is dat de aanleg van een ringweg met vier rijstroken in het ten oosten van de woning gelegen plangebied voorzienbaar was. De door [wederpartij] geleden schade, bestaande uit een waardevermindering van de woning, is echter geen gevolg van de aanleg van de ringweg, maar van de aanleg van een rotonde ten behoeve van de ontsluiting van het ten noorden van de woning gelegen bedrijventerrein Dentgenbach op de Kerkradersteenweg en de ringweg. De rotonde is gelegen op een tussen de woning en de ringweg gelegen locatie die onder het oude planologische regime een groenbestemming had (hierna: de locatie). Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de aanleg van de rotonde op de locatie voorzienbaar was.

10.3.    Niet in geschil is dat de locatie niet binnen het zoekgebied van kaart 3 bij het POL is gelegen. Indien, zoals het college betoogt, de aanleg van een rotonde of andere verkeerskundige voorziening buiten het zoekgebied noodzakelijk was voor de aansluiting van de ringweg op het lokale wegennet en voor de afname van de verkeersdruk, wil dat nog niet zeggen dat het ook noodzakelijk was om die rotonde of andere verkeerskundige voorziening dichtbij de woning te realiseren en niet ergens anders, op een voor [wederpartij] minder ongunstige plek. Voor een redelijk denkend en handelend koper was de aanleg van de rotonde op de locatie niet voorzienbaar in de zin van de overzichtsuitspraak. Dat, zoals het college verder betoogt, het zoekgebied van kaart 3 bij het POL alleen was bedoeld voor het tracé van de ringweg en niet voor de aansluiting van de ringweg op het lokale wegennet, leidt niet tot een ander oordeel. Dat laat immers onverlet dat de locatie op deze kaart niet is aangeduid als zoekgebied voor een rotonde of andere verkeerskundige voorziening. Daarin verschilt dit geval van de situatie die aan de orde was in de door het college aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018. De in die uitspraak bedoelde bijkomende infrastructurele werken ten behoeve van een tunnel lagen binnen het plangebied van het toepasselijke beleidsvoornemen. In die situatie was de aanleg van bijkomende infrastructurele werken voorzienbaar. Verder komt niet de door het college gewenste betekenis toe aan de overweging in die uitspraak dat aan het aannemen van voorzienbaarheid niet in de weg staat dat de betrokkene niet had hoeven verwachten dat de tunnelmonden net buiten het in het beleidsvoornemen beschreven traverse-tracé zouden komen te liggen. In het geval van [wederpartij] gaat het bij de aanleg van de rotonde immers niet slechts om een geringe overschrijding van het zoekgebied.

10.4.    In het betoog van het college is, gelet op het voorgaande, geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door [wederpartij] geleden planschade ten tijde van de aankoop van de woning voorzienbaar was op grond van een concreet beleidsvoornemen tot het realiseren van een rotonde of andere verkeerskundige voorziening op de locatie.

Het betoog faalt.

11.    Het college komt voorts op tegen het oordeel van de rechtbank over de omvang van het normale maatschappelijke risico. Het college stelt zich op het standpunt dat een aftrek van 4 procent van de waarde van de woning, onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het inpassingsplan, gerechtvaardigd is en voert daartoe het volgende aan.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanleg van de BPL, inclusief de daarbij behorende aan- en afritten en rotondes, een normale maatschappelijke ontwikkeling is, die binnen het ruimtelijke beleid paste en in zoverre in de lijn der verwachtingen lag. De rechtbank heeft, in het kader van het antwoord op de vraag of de ontwikkeling ook in de ruimtelijke structuur van de omgeving paste, ten onrechte overwogen dat het gaat om een nieuw weggedeelte. Het gaat immers om de reconstructie van de bestaande Dentgenbachstraat. Indien de rechtbank heeft bedoeld dat de rotonde zelf een nieuw weggedeelte is, is ook dat geen reden om uit te gaan van een aftrek van 3 procent, in plaats van 4 procent. Bij het normale maatschappelijke risico gaat het immers om het antwoord op de vraag of de gestelde oorzaak van de planschade (in dit geval: het inpassingsplan) voorziet in een ontwikkeling die in de lijn der verwachtingen lag, ook al was er geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Voor het normale maatschappelijke risico is de BPL in zijn totaliteit relevant en niet de rotonde afzonderlijk. Verder is het college het niet eens met de overweging van de rechtbank dat de rotonde, ondanks de landschappelijke inpassing, in het geheel niet binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving paste en ook niet geheel in de lijn der verwachtingen lag wat betreft de afstand tot de woning en de omvang van de schade. In het besluit van 4 oktober 2017 is toegelicht dat de rotonde gedeeltelijk binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving paste, niet alleen vanwege de landschappelijke inpassing, maar ook omdat de rotonde een logisch uitvloeisel is van de reconstructie van de Dentgenbachweg en de benodigde nieuwe ontsluiting van het bedrijventerrein. De rechtbank heeft in het geheel niet gemotiveerd waarom zij niet alleen in het kader van de voorzienbaarheid, maar ook in het kader van het normale maatschappelijke risico tot het oordeel is gekomen dat de ontsluiting van het bedrijventerrein geen steekhoudend argument is. Het paste immers binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving om het bedrijventerrein aan de zuidelijke kant te ontsluiten. Dat lag, gezien de beleidsdocumenten, ook in de lijn der verwachtingen. Ten slotte komen aan de aard en de omvang van de schade en aan de afstand tot de woning geen zelfstandige betekenis toe, omdat die aspecten al zijn verdisconteerd in de hoogte van de geleden planschade, zoals in dit geval ook blijkt uit het advies van de schadecommissie. De rechtbank heeft ten onrechte zelfstandige betekenis toegekend aan deze aspecten.

11.1.    Voor het antwoord op de vraag of schade binnen het normale maatschappelijke risico valt, als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, is onder meer van belang of de desbetreffende planologische ontwikkeling een normale maatschappelijke ontwikkeling is, waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in de zin dat de ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past. Indien de schadeveroorzakende planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, betekent dat op zichzelf nog niet dat de gevolgen van de ontwikkeling geheel onder het normale maatschappelijke risico vallen. In dit verband komt tevens betekenis toe aan het antwoord op de vraag of de schade in de vorm van waardevermindering onevenredig is in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak. Dit zijn verschillende aspecten die bij de beoordeling van het normale maatschappelijke risico worden betrokken en elkaar niet uitsluiten.

11.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de overzichtsuitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 8.10), is de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien deze motivering niet volstaat, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen, door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

11.3.    Niet in geschil is dat de aanleg van een rotonde een normale maatschappelijke ontwikkeling is en dat die ontwikkeling in dit geval naar haar aard en omvang ook paste in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Dit rechtvaardigt de toepassing van een hogere drempel dan het wettelijk minimumforfait van artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro.

11.4.    Dat, zoals het college stelt, het in de buurt van de woning gelegen deel van de ringweg een reconstructie van een bestaande weg is, laat onverlet dat de door [wederpartij] geleden schade alleen door de aanleg van de rotonde is veroorzaakt, zodat alleen de rotonde relevant is voor het bepalen van de omvang van het normale maatschappelijke risico.

Voor het antwoord op de vraag of de rotonde naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past, is, anders dan het college lijkt te veronderstellen, niet - tevens - de nieuwe ruimtelijke structuur (onder het regime van het inpassingsplan) van belang, maar slechts de bestaande ruimtelijke structuur. Uit het advies van de schadecommissie van 14 juli 2017 valt af te leiden dat de gronden van de directe omgeving van de locatie van de rotonde onder het oude planologische regime een bestemming voor groenvoorzieningen of natuurgebied hadden. Dat brengt met zich dat de rotonde naar haar aard en omvang niet past binnen de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving.

11.5.    Onder deze omstandigheden heeft het college, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:281), onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de omvang van het normale maatschappelijke risico gelijk is aan 4 procent van de waarde van de woning. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

conclusie

12.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

proceskosten

13.    Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Limburg een griffierecht van € 519,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020

452.