Uitspraak 201802766/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:1693
- Datum uitspraak
- 8 april 2020
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 20 februari 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd om ambtshalve te bepalen dat hun uitzetting achterwege blijft krachtens artikel 64 van de Vw 2000.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
201802766/1/V2.
Datum uitspraak: 8 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 maart 2018 in zaken nrs. NL18.3978 en NL18.3975 in het geding tussen:
[de vreemdelingen]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluiten van 20 februari 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd om ambtshalve te bepalen dat hun uitzetting achterwege blijft krachtens artikel 64 van de Vw 2000.
Bij uitspraak van 26 maart 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluiten van 25 oktober 2018 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de vreemdelingen ingewilligd.
De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. Anders dan de vreemdelingen in de schriftelijke uiteenzetting betogen, voldoet het hogerberoepschrift aan artikel 85 van de Vw 2000. In het hogerberoepschrift zet de staatssecretaris uiteen tegen welke overwegingen in de aangevallen uitspraak hij opkomt en op welke gronden. Dat de staatssecretaris bij zijn standpunt, ingenomen in de besluiten, blijft en daartoe deels dezelfde argumenten aandraagt, betekent niet dat geen sprake is van grieven als bedoeld in voormeld artikel.
3. De vreemdelingen zijn een echtpaar afkomstig uit Cuba. Zij hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij problemen hebben met de Cubaanse autoriteiten. Hierover hebben zij onder meer het volgende verklaard.
3.1. De man is in 1992 veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf wegens een poging tot illegale uitreis en desertie. Na zijn vrijlating in 1994 is hij regelmatig door de politie of het sectorhoofd van het Comité de Defensa de la Revolucíon (CDR), een toezichthoudend wijkcomité, ondervraagd over zijn doen en laten. Ook is hij in 1994 door de politie verhoord in verband met vermeende betrokkenheid bij het illegale vertrek van andere Cubanen, waarvoor hij 24 uur is vastgehouden. Het koffiewinkeltje van de toenmalige echtgenote van de man kreeg veel boetes wegens overtreding van de regels, waardoor dat op een gegeven moment moest sluiten. In de periode 2005/2006 heeft de man opnieuw een poging gedaan om Cuba te ontvluchten. De Amerikaanse autoriteiten hebben hem toen gearresteerd en teruggestuurd naar Cuba.
3.2. De vreemdelingen zijn sinds 2008 samen. Sindsdien zijn zij vele malen op straat staande gehouden voor een identiteitscontrole. Als daarbij de antecedenten van de man naar boven kwamen, werden zij meegenomen naar het politiebureau. Daar werden zij een middag of nacht vastgehouden en verhoord, om vervolgens weer te worden vrijgelaten. Verder kregen zij oproepen om zich te melden bij het sectorhoofd van het CDR of de politie. Ook heeft het sectorhoofd van het CDR een aantal keren het huis van de vreemdelingen bezocht om hen te ondervragen. Daarnaast zijn zij meermaals beboet in verband met hun handel in zoetwaren. In 2010 zijn de vreemdelingen gediagnosticeerd met hiv, waar buurtbewoners op een gegeven moment van op de hoogte zijn geraakt. Hierdoor kregen zij te maken met discriminatie, aldus de vreemdelingen.
3.3. De staatssecretaris vindt de verklaringen van de vreemdelingen geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend voor vergunningverlening. Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat dit standpunt van de staatssecretaris niet juist is.
4. De rechtbank heeft overwogen dat de man, na zijn vrijlating in 1994, en ook de vrouw, sinds zij in 2008 een relatie met hem is aangegaan, met zeer grote regelmaat in de negatieve aandacht van de Cubaanse autoriteiten hebben gestaan. Volgens de rechtbank is het leven in Cuba voor hen onhoudbaar geworden door het grote aantal aanhoudingen op straat, de vele maandelijkse huisbezoeken door het CDR, waarbij zij zich dienden te verantwoorden voor hun doen en laten, de strenge controles op en beboeting van hun handelsactiviteiten en door de geïsoleerde positie waarin zij terecht zijn gekomen na de vaststelling van hun hiv-besmetting. Gelet op het cumulatieve karakter van de vele inbreuken op het persoonlijk leven van de vreemdelingen en de lange periode waarin deze zich hebben voorgedaan, heeft de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de asielrelazen onvoldoende zwaarwegend zijn voor verlening van de vluchtelingenstatus, aldus de rechtbank.
5. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet alle geloofwaardig bevonden problemen van de vreemdelingen samenhangen met een vluchtelingrechtelijke vervolgingsgrond. De vreemdelingen hebben immers niet aannemelijk gemaakt dat alle door hen ondervonden problemen zijn te herleiden tot het illegale vertrek van de man uit Cuba en de daarmee samenhangende desertie begin jaren negentig. De boetes die de vreemdelingen werden opgelegd betroffen veelal economische delicten omdat zij zich niet aan bepaalde regels hielden en zij niet altijd in het bezit waren van een vergunning. Hiervoor werden ook anderen beboet. Ook blijkt uit hun verklaringen dat zij wel eens boetes hebben verscheurd en daarom werden meegenomen naar het politiebureau. Voor zover de rechtbank heeft betrokken dat de vreemdelingen ook boetes kregen om voor hen onduidelijke redenen, betoogt de staatssecretaris terecht dat dit niet zonder meer vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag oplevert. Dat de vreemdelingen de reden van een boete niet begrepen, wil nog niet zeggen dat er een verband is met de gebeurtenissen van begin jaren negentig. Ook wijst de staatssecretaris er terecht op dat de discriminatie die de vreemdelingen na het bekend worden van hun hiv-besmetting met name van buurtbewoners hebben ervaren, los staat van de problemen zie zij van de zijde van de autoriteiten hebben ondervonden.
5.1. Ook betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, waar aannemelijk is dat de problemen samenhangen met de antecedenten van de man, deze in samenhang bezien onvoldoende ernstig zijn om te gelden als daden van vervolging. Het gaat daarbij om de vele ondervragingen door de politie en het sectorhoofd van het CDR, naar aanleiding van een oproep of een identiteitscontrole op straat, en tijdens huisbezoeken. Zoals blijkt uit de verklaringen van de man, was het doel van deze ondervragingen om na te gaan of hij zich nog op het rechte pad bevond. De man heeft daarbij verklaard dat hij na een oproep de vragen en opmerkingen aanhoorde en daarna weer mocht vertrekken. Verder hebben de vreemdelingen verklaard dat, als zij na een identiteitscontrole werden meegenomen naar het politiebureau, zij aan het einde van de dag dan wel de volgende ochtend weer naar huis mochten. Dat de vreemdelingen tijdens voormelde gebeurtenissen wel eens tegen een muur of in een patrouillewagen werden geduwd, leidt nog niet tot het oordeel dat deze gebeurtenissen daarmee voldoende ernstig zijn om te gelden als een daad van vervolging. De staatssecretaris wijst in dat verband terecht op artikel 9, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn.
5.2. Tot slot wijst de staatssecretaris er terecht op dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij in de besluitvorming de problemen van de vreemdelingen ook in een breder verband heeft bezien. Zo heeft de staatssecretaris betrokken dat de man, blijkens zijn verklaringen, na zijn detentie heeft kunnen werken waardoor hij in zijn eigen levensonderhoud en dat van zijn gezin heeft kunnen voorzien. Ook heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de man heeft verklaard dat zijn hernieuwde poging in 2005/2006 om Cuba te ontvluchten niet tot problemen met de autoriteiten heeft geleid. Daarnaast is de man in het bezit gesteld van een paspoort en heeft hij sinds 2016 driemaal Cuba probleemloos kunnen in- en uitreizen. Verder heeft de staatssecretaris betrokken dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij als gevolg van hun hiv-besmetting zo ernstig in hun bestaansmogelijkheden zijn beperkt dat zij niet langer op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Zo is niet in geschil dat de vreemdelingen in Cuba voor hun hiv-infectie medisch zijn behandeld, dat zij over huisvesting beschikten, en dat zij tot aan hun vertrek in Cuba hebben gewerkt. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat de problemen die de vrouw heeft ondervonden samenhangen met de antecedenten van haar echtgenoot en dat anderszins niet is gebleken van ernstige bezwaren van de Cubaanse autoriteiten tegen haar persoon.
5.3. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris aan de geloofwaardig geachte asielrelazen de conclusie had moeten verbinden dat het leven voor de vreemdelingen in Cuba onhoudbaar is geworden en dat dit een gegronde vrees voor vervolging oplevert. In dit verband heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld, gelet op de onder 5.2 uiteengezette omstandigheden, dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door de discriminatie die zij als gevolg van hun hiv-besmetting hebben ervaren zo ernstig in hun bestaansmogelijkheden zijn beperkt dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. In het verlengde hiervan heeft de staatssecretaris zich ook terecht op het standpunt gesteld dat de geloofwaardig geachte asielrelazen onvoldoende zwaarwegend zijn voor vergunningverlening krachtens artikel 3 van het EVRM.
5.4. De grief slaagt.
6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt de beroepen. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
7. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Cuba te vrezen hebben voor vervolging, omdat zij in Nederland asiel hebben aangevraagd.
7.1. De beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit de uitspraak van 1 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3333, behandelt de staatssecretaris alle informatie over een asielprocedure vertrouwelijk. De vreemdelingen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Cubaanse autoriteiten op de hoogte zullen zijn of zullen raken van het feit dat zij in Nederland asiel hebben aangevraagd.
8. De vreemdelingen voeren tot slot aan dat de staatssecretaris bij zijn beoordeling in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht zoals deze voortvloeit uit het arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381. De staatssecretaris had moeten onderzoeken of de noodzakelijke behandeling in Cuba niet alleen beschikbaar is, maar ook of deze naar behoren en toegankelijk is, aldus de vreemdelingen.
8.1. De beroepsgrond slaagt niet. De onderzoeksplicht waar de vreemdelingen naar verwijzen ontstaat pas nadat zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij op grond van hun gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM lopen (zie de uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:571, r.o. 2.1). De vreemdelingen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit risico in hun geval bestaat. Zij zijn immers tot aan hun vertrek uit Cuba voor hun ziekte behandeld.
9. De beroepen zijn ongegrond.
10. De staatssecretaris heeft de besluiten van 25 oktober 2018 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Omdat die uitspraak wordt vernietigd, worden ook de besluiten van 25 oktober 2018 vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 maart 2018 in zaken nrs. NL18.3978 en NL18.3975;
III. verklaart de beroepen ongegrond;
IV. vernietigt de besluiten van 25 oktober 2018, V-nummers […] en […].
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Van Eck w.g. Prins
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020
363-936.
BIJLAGE
Kwalificatierichtlijn (PB 2011 L 337)
Artikel 9
Daden van vervolging
1. Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
a) zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of
b) een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).
[…]
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 31
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
[…]
Voorschrift Vreemdelingen 2000
Artikel 3.36
1. Daden van vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag moeten:
a. zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het EVRM; of
b. een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a.
2. Daden van vervolging in de zin van het eerste lid kunnen onder meer de vorm aannemen van:
a. daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
b. wettelijke, administratieve, politiële of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
c. onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
d. ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;
e. vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen;
f. daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.
3. Er moet een verband zijn tussen enerzijds de gronden voor vervolging genoemd in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag en anderzijds de daden, bedoeld in het eerste lid, die als vervolging worden aangemerkt of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.
Vreemdelingencirculaire 2000
Paragraaf C2/3.2
[…]
Discriminatie
De IND merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
[…]
UNHCR Handbook and Guidelines on procedures and criteria for determining refugee status
[…]
53. In addition, an applicant may have been subjected to various measures not in themselves amounting to persecution (e.g. discrimination in different forms), in some cases combined with other adverse factors (e.g. general atmosphere of insecurity in the country of origin). In such situations, the various elements involved may, if taken together, produce an effect on the mind of the applicant that can reasonably justify a claim to well-founded fear of persecution on "cumulative grounds". Needless to say, it is not possible to lay down a general rule as to what cumulative reasons can give rise to a valid claim to refugee status. This will necessarily depend on all the circumstances, including the particular geographical, historical and ethnological context.