Uitspraak 201907053/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:1691
- Datum uitspraak
- 10 juni 2020
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 mei 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201907053/1/V1.
Datum uitspraak: 10 juni 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 augustus 2019 in zaak nr. 18/3792 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 24 april 2018 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.J. Ullersma, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 15 oktober 2019 heeft de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Overwegingen
1. De vreemdeling beoogt via nareis verblijf in Nederland bij referent, naar gesteld haar minderjarige zoon. Referent staat wegens zijn minderjarigheid onder voogdij van de stichting Nidos. Referent is sinds 29 oktober 2015 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag om een mvv afgewezen, omdat deze niet is ingediend binnen de in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000 vermelde termijn van drie maanden. Het verzuim is volgens de vreemdeling veroorzaakt door een miscommunicatie tussen Vluchtelingenwerk Nederland (hierna: VWN) en Nidos. Volgens de staatssecretaris komt miscommunicatie van de gemachtigde, in dit geval Nidos, voor rekening en risico van referent en is er geen sprake van een objectief verschoonbare termijnoverschrijding.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de termijnoverschrijding niet aan referent kan worden toegerekend, mede doordat Nidos als wettelijk vertegenwoordiger duidelijk tekort is geschoten in het behartigen van de belangen van de minderjarige referent. De rechtbank heeft daarbij redengevend geacht dat het gaat om fouten van een door de overheid aangewezen instantie, referent zijn belangen niet door een andere instantie kon laten behartigen en dat het gaat om de belangen van iemand die behoort tot een kwetsbare groep. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris, mede in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, K. en B., ECLI:EU:C:2018:877, niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de te late indiening van de aanvraag niet als verschoonbaar moet worden aangemerkt. De enkele stelling van de staatssecretaris dat referent zich meer had moeten inspannen heeft de rechtbank als motivering daarvoor onvoldoende geacht.
3. In de enige grief bestrijdt de staatssecretaris deze overwegingen van de rechtbank. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat hij dat draagkrachtig heeft gemotiveerd.
3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, volgt dat de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding geen belangenafweging is, maar inhoudt dat wordt beoordeeld of de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid kan worden toegerekend aan betrokkene. In nareiszaken is dat de gezinshereniger of zijn gezinslid. Een termijnoverschrijding kan bijvoorbeeld verschoonbaar zijn als deze een fout is van het desbetreffende bestuursorgaan of als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit, waartegen hij binnen een bepaalde termijn had moeten opkomen, niet heeft ontvangen. Fouten van de gemachtigde zijn in de regel geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4275, volgt dat het arrest K. en B. geen aanleiding geeft voor een andere conclusie over de wijze van beoordeling van de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen dan in de uitspraak van 21 juni 2017 is getrokken.
3.2. Nidos heeft als wettelijk vertegenwoordiger van referent VWN ingeschakeld voor de ondersteuning van de aanvraag. Die omstandigheid laat onverlet dat het de eigen verantwoordelijkheid is van referent of de vreemdeling om een aanvraag tijdig in te dienen. Fouten van een gemachtigde of hulppersoon van een referent of vreemdeling, zoals VWN, zijn in de regel immers geen reden om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten (zie onder meer genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017). Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die aanleiding geven van dit standpunt af te wijken. Voorts heeft de Afdeling in de uitspraak van 21 juni 2017 overwogen dat het handelen van Nidos in redelijkheid is toe te rekenen aan een minderjarige referent, indien hij zelf geen inspanningen heeft verricht terwijl hij dat wel had kunnen en moeten doen.
De overschrijding van de driemaandentermijn is in deze zaak gelet hierop niet verschoonbaar, omdat de staatssecretaris de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid aan referent heeft kunnen toerekenen. De staatssecretaris heeft er in het besluit van 24 april 2018 namelijk terecht op gewezen dat uit de brief van VWN van 5 augustus 2016 volgt dat tijdens het laatste gesprek van VWN met referent op 25 november 2015 nog niet duidelijk was of hij daadwerkelijk een nareisaanvraag wilde indienen voor de vreemdeling en dat daaruit evenmin blijkt dat referent daarover nadien nog afspraken heeft gemaakt met VWN. De staatssecretaris heeft zich voorts, anders dan de rechtbank heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de minderjarigheid van referent niet afdoet aan zijn eigen verantwoordelijkheid de aanvraag tijdig in te dienen, te minder omdat hij 17 jaar oud was toen hij zijn verblijfsvergunning kreeg en hij toen ook een brochure heeft gekregen waarin staat dat hij een aanvraag om nareis binnen drie maanden moet indienen en dat hij na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging krijgt. Juist nu met referent aanvankelijk was afgesproken dat hij zou nagaan of naast zijn broertje ook zijn moeder wilde nareizen, lag het op zijn weg om ook zelf actief stappen te ondernemen en er niet vanuit te gaan dat een aanvraag was ingediend. Om die reden kan ook het feit dat Nidos al op 29 februari 2016 ontdekt had dat geen aanvraag was ingediend en dit vervolgens pas eind juli 2016 met referent heeft besproken niet leiden tot verschoonbaarheid aan de kant van referent.
De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet draagkrachtig heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3.3. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
5. De vreemdeling betoogt tevergeefs dat de staatssecretaris de hoorplicht heeft geschonden en onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Er kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien van horen in bezwaar indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op wat de vreemdeling in de bezwaargronden naar voren heeft gebracht, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar. De vreemdeling heeft in bezwaar namelijk aangevoerd dat de termijnoverschrijding niet aan referent is toe te rekenen.
6. De vreemdeling betoogt eveneens tevergeefs dat de nareistermijn in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en de daarin neergelegde evenredigheidstoets. Uit de onder 3.1 weergegeven uitspraak van 27 december 2018 volgt dat geen sprake is van strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn als de staatssecretaris een na de driemaandentermijn ingediende eerste aanvraag om verlening van een mvv in het kader van nareis afwijst zonder een inhoudelijke beoordeling te maken, mits de termijnoverschrijding niet objectief verschoonbaar is en hij de desbetreffende vreemdelingen volledig heeft geïnformeerd over de gevolgen van zijn besluit en de maatregelen die zij moeten nemen om alsnog in aanmerking te komen voor gezinshereniging.
Zoals onder 3.2 overwogen heeft de staatssecretaris de termijnoverschrijding in redelijkheid aan referent kunnen toerekenen. In het besluit van 24 april 2018, waarin hij de afwijzing heeft gehandhaafd, heeft hij de vreemdeling gewezen op de mogelijkheid om een mvv aan te vragen met het oog op gezinshereniging op grond van een verblijfsvergunning regulier.
7. Het beroep is ongegrond.
8. De staatssecretaris heeft het besluit van 15 oktober 2019 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Door de vernietiging van die uitspraak is de grondslag daaraan ontvallen. Daarom vernietigt de Afdeling dat besluit. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 augustus 2019 in zaak nr. 18/3792;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. vernietigt het besluit van 15 oktober 2019, V-nummer […].
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Sevenster w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2020
488-954.